THEORIEËN EN BEHAVIORISME 2026
Week 1: hoofdstuk 1 & 3
1.Je kunt de wetenschap psychologie typeren aan de hand van het
object en de methoden en theorieën
Het studieonderwerp van een wetenschap wordt het object
genoemd. Er zijn binnen de psychologische wetenschap verschillende
theoretische stromingen. Het object verschilt. Het object van de
psychologie is, in tegenstelling tot bij veel andere wetenschappen,
niet duidelijk omschreven. Ook de methode, waarmee kennis wordt
verworven, verschilt. Bijna alle psychologische onderwerpen worden
bestudeerd in andere wetenschappen. Hierdoor zijn er verschillende
verklaringen en beschrijvingen van hetzelfde onderwerp in die
wetenschappen → v.b. depressie: meerdere verklaringen.
Psychologie is een wetenschap waarbij het gedrag en gevoelens,
gedachten van mensen worden bestudeerd, dit geplaatst in de
omstandigheden waarin ze voorkomen. Het verschil met andere
wetenschappen is dat in psychologische theorieën de beschrijving en
verklaring van het object vooral plaatsvinden op individueel niveau.
Een wetenschap kan getypeerd worden aan de hand van (A) de
soorten vragen en problemen (object) en (B) de methoden en
theorieën en (C) grenzen en legitimiteit beïnvloed door het
maatschappelijk draagvlak voor een wetenschap.
2.Je weet wat theorieën zijn en welke functies ze hebben:
Er zijn verschillende theorieën, verschillende stromingen en
verschillende indelingen aan de hand waarvan maatschappelijke
verschijnselen verklaard kunnen worden. De theorieën zijn
referentiekaders. Ze helpen psychologen bij het interpreteren van
verschijnselen. Verschillende psychologen kunnen eenzelfde
verschijnsel vanuit verschillende referentiekaders verklaren en zo tot
totaal verschillende verklaringen en beschrijvingen komen.
Voor wetenschappelijke kennis zijn een aantal regels opgesteld. De
,2
drie functies van wetenschappelijke theorieën:
-Een verklarende en voorspellende functie: Voorspellen van menselijk
gedrag.
-Een heuristische functie: Nieuwe voorspellingen op basis van
eerdere inzichten.
-Een systematiserende (ordenende) functie: Beschrijving van de
waarneming, dit moet volgens regels plaatsvinden. Duidelijk en
controleerbaar, rapporteren helder geformuleerde
verbanden/wetten, moeten herhaalbaar zijn.
Het gevaar is dat wetenschappers waarnemingen doen die al te veel
door hun theoretische uitgangspunt geladen zijn (theorie-geladen).
Het mensbeeld geeft aan hoe mensen behoren te zijn en geeft een
beschrijving van de kenmerkende eigenschappen. Mensbeelden
worden door de cultuur en de historie bepaald.
3.Je weet hoe je theorieën kunt indelen op mechanistisch,
personalistisch en organistisch niveau en welke mensbeelden
daarbij horen:
Er zijn verschillende manieren om de theoretische stromingen te
categoriseren, afhankelijk van de achterliggende veronderstellingen.
De eerste indeling is een indeling naar mensbeelden:
Het mechanistisch mensbeeld:
-Mens als een machine, samengesteld uit afzonderlijke delen met
hun eigen eigenschappen.
-Mensen worden door externe krachten voortbewogen.
-Idee dat mensen zelfstandig (los van de omgeving) bestudeerd
kunnen worden.
-Geen onderscheid tussen mensen en dieren.
-Verbanden tussen oorzaak en gevolg zijn lineair (rechtlijnig) en het
idee dat de som der delen hetzelfde is als het geheel.
-Moet objectief gebeuren en controleerbaar zijn.
Het organistisch mensbeeld:
-Mensen worden waargenomen als een geheel, de onderdelen
beïnvloeden elkaar en zijn niet los.
-Er is geen lineaire relatie tussen oorzaak en gevolg.
,3
-Mensen worden gezien in hun omgeving (evolutietheorie)
-Organisme wordt gezien als meer dan de som van de delen.
-Vergelijkingen met dieren.
-Moet objectief gebeuren en controleerbaar zijn.
Het personalistisch mensbeeld:
-Mensen worden als uniek gezien (meest christelijk mensbeeld)
-Mensen zijn scheppers van cultuur en geven zelf zin aan het bestaan
-Nadruk op doelgericht handelen
-Mensen zijn anders dan dieren, mensen gezien als een geheel.
-Wordt uitgegaan van het begrijpen van het complexe geheel, eerder
subjectief en minder gebaseerd op feiten en cijfers.
-Wordt bekritiseerd omdat deze niet gebaseerd zou zijn op een
theorie, een psycholoog is namelijk altijd theorie-geladen dus er is
wel een theoretisch kader aanwezig.
Het is heel goed mogelijk verschillende stromingen en theorieën
gelijktijdig te gebruiken, hierbij is het van belang dat de methoden op
de juiste manier worden toegepast.
(Voorbeeld)
-Mechanisme: Een patiënt herstellende van een hersenbloeding zal
door een arts met een mechanistische visie bekeken worden. De arts
zal causale verbanden gaan zoeken.
-Organistische: Bestudeert de veranderende relatie met de omgeving.
-Personalistische: Zal het verhaal van de patiënt trachten te
verklaren.
4.Je weet wat de algemene systeemtheorie inhoud:
De tweede indeling is de algemene systeemtheorie (AST). Dit is ook
een theorie om de verschillende wetenschappen en de daarbij
behorende inzichten te integreren.
De AST is een metatheorie, een theorie over theorieën.
Kort gezegd gaat de systeemtheorie er van uit dat de mens pas echt
begrepen kan worden in de context van zijn relaties. Ondanks dat we
vaak denken dat iemand een bepaald karakter heeft, zien we mensen
zich in verschillende contexten steeds anders gedragen. Ze zijn
anders op het werk dan thuis en anders bij hun moeder dan bij hun.
, 4
Mensen hebben een groot gedragsrepertoire en schakelen steeds per
situatie over op ander gedrag. Mensen zijn dus erg contextgevoelig.
Belangrijkste punten op een rij:
-Mens wordt gezien als een biologisch organisme en als een
symbolisch wezen.
-Hiërarchisch geordende niveaus die de werkelijkheid weergeven,
simpel naar complex.
-Geen enkel niveau is te herleiden tot de hoger gelegen niveaus en
hogere niveaus zijn complexer dan lagere niveaus.
-Systeem blijft in stand door het interne en externe evenwicht te
bewaren
-Het is een open systeem, dynamisch denken, dingen kunnen
veranderen wanneer een persoon openstaat voor de omgeving.
Een vereenvoudigde vorm van de AST is het biopsychosociale model,
in dit model worden biologische, psychische en sociale factoren
meegenomen.
Het menselijk handelen wordt uiteindelijk altijd beïnvloed wordt door
zowel biologische, als psychische en de sociale factoren.
5. Je kent de belangrijkste basisuitgangspunten [ mechanistisch ]
1. Behaviorisme begint als een wetenschapsfilosofische opvatting
waarin gesteld wordt hoe wetenschap bedreven moet worden.
- Stellen objectiviteit centraal. Alleen richten op waarneembaar
gedrag van mensen/dieren.
- Gedachten/dromen → kunnen niet bestudeerd worden, subjectief
dus niet waarneembaar.
2. Bij verklaren gedrag; centraal stellen van leerprocessen: Niet om
vergaren van kennis, maar om
aangeleerd gedrag. Periferalisme: factoren buiten
organisme/individu; gebruikt om ontstaan gedrag te verklaren.
Centralisme: factoren binnen individu; motivatie/geheugen, niet
onderzocht.