GENEESKUNDIGE ZIEKTELEER EN VOORT-
PLANTING VAN DE GEZELSCHAPSDIEREN
ENDOCRINOLOGIE
HYPOFYSE
Volledig 2de semester.
DE ENDOCRIENE PANCREAS
Belangrijkste hormoon = insuline glucagon. Gaat stockeren: glycemie verlagen en energie opslagen als
glycogeen. Ook een bepaald anabool effect: stimuleren de aanmaak van EW.
DIABETES MELLITUS
Leerdoelstellingen.
, 2
INLEIDING
• Absoluut of relatief tekort aan insuline
• Persisterende hyperglycemie en glucosurie
o Insuline nodig om glucose IC te laten gaan, dus zijn niks met deze hyperglycemie
o Osmotische diurese
• PUPD, gewichtsverlies en polyfagie
• Behandeling = insuline, dieet, regelmatig leefpatroon
• Optimale communicatie DA en eigenaar!
DM BIJ DE HOND
ETIOLOGIE
TYPE 1
Bijna altijd type 1 bij de hond ➔ insuline onafhankelijke diabetes, absoluut tekort aan insuline. Insuline
resistentie speelt minder een rol in de etiologie. Obesitas kan dan ook wel zorgen voor insuline resistentie maar
aan de basis ligt de destructie van de bèta cellen.
• Multifactorieel: genetische factoren, omgevingsfactoren, gewicht,…
o Gewicht is minder duidelijk een factor dan bij de kat
• Autoimmune destructie
• Idiopathische destructie
INTACTE TEEF ONDER INVLOED VAN PROGESTERON
• Na ovulatie: corpora lutea produceren progesteron gedurende ongeveer 10 weken (luteale fase)
• Stimulatie mammair GH met insulineresistentie
• Na # loopsheden: kans op DM
Uitzonderlijk in dit geval kunnen we een reversibele diabetes hebben ➔ OHX uitvoeren.
ANDERE OORZAKEN DM
• Pancreasneoplasie
o Vaak al andere SN voor we DM ontwikkelen
• Pancreatitis
• Congenitale DM
, 3
DM BIJ DE KAT
ETIOLOGIE
TYPE 1
• absoluut tekort aan insuline ➔ destructie β-cellen eilandjes van Langerhans
Minder voorkomend bij de kat.
TYPE 2 DM
• Insulineresistentie (IR) en stoornis insulinesecretie
• IR door inactiviteit en obesitas
• Toename insulinesecretie, degeneratie β-cellen
• Eerst relatief insulinetekort
• IAPP samen met insuline afgegeven …… amyloid …… schade aan β-cellen …… absoluut insulinetekort
Meten van insuline niet zo een goede methode, bij resistentie kan het zijn dat deze normaal tot hoog kan zijn. Er
is wel insuline maar de werking is onvoldoende. Overbevragen van bèta cellen zorgt voor uitputting en
degeneratie. Kunnen dus evolueren van een type 2 naar een type 1.
Amyline samen met insuline gesecreteerd door de bèta cellen, kan zich afzetten onder de vorm van amyloid in
de pancreas. IR aanpakken ➔ katten kunnen in remissie gaan. VERSCHIL met de hond, daar was het niet
reversibel (uitzondering intacte teef). Kunnen ook wel terug hervallen.
RISICOFACTOREN
Acromegalie ➔ grote extremiteiten, komt tot een
teveel aan GH. 20% van de katten met DM hebben
als onderliggende oorzaak acromegalie. Dit door
een kleine hypofyse tumor die GH aanmaakt ➔
anti-insuline effect, krijgen DM. Dit zijn patiënten
dat we net iets minder makkelijk onder controle
krijgen.
Leeftijd: middelbaar tot ouder.
OVERIGE TYPES DM (SECUNDAIRE DM)
• Insulineresistentie en toename gluconeogenese
• Overmaat glucocorticoiden (Cushing, exogeen)
▪ Exogene progestativa (intrinsieke GC werking)
o Overmaat GH (hypofysetumor)
o Leververvetting (IR)
• Toename insulinesecretie, degeneratie β-cellen
• Eerst relatief, later absoluut insulinetekort
, 4
GEVOLGEN VAN EXTRACELLULAIR GLUCOSEOVERSCHOT
• Hyperglycemie ➔ glucosurie ➔ polyurie ➔ polydipsie ➔ osmotische diurese: hypokaliemie,
hyponatremie, hypofosfatemie
• Hypertonisch plasma ➔ intracellulaire dehydratatie ➔ hyperglycemisch coma
• Enzymatische glycosylatie van eiwitten
o lenscataract
o retinopathie
o perifere neuropathie
Bij de hond: overmaat glucose ➔
omzetten in sorbitol, kan niet meer terug
uit de lens. Zal water aantrekken ➔
vertroebeling van de lens.
Perifere neuropathie: typisch bij katten,
gaan plantigraad lopen. Spieratrofie +
witte poten.
LABO
• Fluoridebuis (grijze dop)
• Glucosemeters
• Bloed- en urine-glucoseteststrips
• Als bloedglucose
o > 10 mmol/l = glucosurie (hond)
o > 14 mmol/l = glucosurie (kat)
Katten zijn heel vatbaar voor stress hyperglycemie. Diagnose enkel stellen obv gestegen glucose is niet
voldoende, zeker niet bij een kat. Combinatie van bloed en urine OF fructosamine bepaling indien de vorige
optie niet makkelijk is.
FRUCTOSAMINE BEPALING
• Plasma eiwitten (vnl. albumine) + glucosemoleculen = irreversibele binding
o Hyperglycemie dat een aantal uur duurt ➔ irreversibele binding van albumine (glycolysatie) =
fructosamine
• T1/2 albumine = 8 dagen
• = gemiddelde bloedglucoseconcentratie van de voorbije 2-3 weken (hond), 1-2 weken (kat)
• Geen invloed van stress (kat!)
• Basale waarde interessant vr opvolging
• Niet betrouwbaar bij hyperthyroïdie