Hoofdstuk 1: begrippen
1. Religie
= een levensbeschouwing waarin verbondenheid (met jezelf, de anderen, de natuur, het grotere geheel)
centraal staat en waarin het mysterie-karakter (er is meer dan wat er zintuiglijk zichtbaar is en dan wat we met
ons verstand kunnen begrijpen) van de werkelijkheid of het leven wordt erkend. (geen concrete benoeming
van een God)
2. Godsdienst
= een Levensbeschouwing waarin ‘geloven in God’ als betekenisvol wordt ervaren en een doorslaggevende rol
speelt in het beantwoorden van de vraag naar zingeving
3. Zingeving
= alles wat te maken heeft met de vraag wat zin, betekenis, waarde of kwaliteit geeft aan het leven en hoe je
daarmee kunt omgaan. Zingeving heeft te maken met geluk en betekenis en heeft zowel een actief als een
passief component.
• Passief: je ontdekt iets (een situatie, gebeurtenis, toestand, handeling…) dat je als zinvol ervaart; het
overkomt je als het ware
• Actief: acties ondernemen waardoor je je leven als zinvol ervaart, keuzes die je maakt en de manier
waarop je met bepaalde gebeurtenissen en ervaringen in je leven omgaat: dit alles heeft invloed op of
je erin slaagt jouw leven al dan niet als zinvol te ervaren.
• Verwijst naar iets typisch menselijk: de mens die waaromvragen stelt
• We zijn op zoek naar oriëntatie om antwoorden te vinden
• Crisissituaties: situatie met veel waaromvragen = veel zingeving
• Zin geven aan iets = actief proces van zingeving
4. Levensbeschouwing met een kleine letter
= jouw persoonlijke kijk op het leven. Je ontwikkelt een levensbeschouwing door wat je meemaakt en hoe je
daar betekenis en waarde aan geeft. Je persoonlijke levensbeschouwing zijn de ant- woorden die jij voor jezelf
geeft op de vraag naar zingeving (iedereen heeft een levensbeschouwing)
5. Levensbeschouwing met een grote letter
= een samenhangend geheel van verhalen, bronnen, ideeën, praktijken, tradities en rituelen. Samen vormen
deze het antwoord op de levensvragen van mensen, grote kaders bv. het christendom
,Hoofdstuk 2: normatieve professionaliteit
1. Normatieve professionaliteit = jouw identiteit als leerkracht
= gaat uit van de veronderstelling dat elk professioneel handelen, behalve technische en communicatieve
kwaliteiten, een morele kant heeft (waarden en normen spelen een rol)
• Professioneel handelen: activiteiten binnen het kader van ons beroep
• Technische kwaliteiten: pedagogische kwaliteit binnen het kader van ons beroep
• Communicatieve kwaliteiten: kwaliteit van communicatie met anderen
• Morele kant: met hart en ziel voor de klas staan
2. De context
= de verzameling van externe factoren die een invloed hebben op wie je bent en hoe je handelt. We hebben
een actief bewustzijn nodig om zelf invloed uit te oefenen op deze context
• Individueel niveau: context oefent uit op jou als individu
• Collectief niveau: context oefent uit op mensen rondom ons
Factoren uit de context die ons beïnvloeden:
• Microniveau: familie, gezin, vrienden en cultuur (individualistisch)
• Mesoniveau: tijdsgeest, samenleving, land, … (collectiviteit)
• Macroniveau: de wereld, sociaalecologische vraagstukken
à Bieden ons kansen en uitdagingen:
o Kansen = ervaren als iets positiefs, positieve impact of mogelijkheid
o Uitdagingen = ervaren als iets negatiefs, lastige impact op ons leven
2.1. Microniveau = eerste sociale omgeving waarmee we in contact komen à geven onze normen,
overtuigingen, visies en cultuur mee (individueel aspect van context)
Kansen Uitdagingen
• Zelfontwikkeling: persoonlijke groei • Beperkingen door opvoeding
• Sociale of betekenisvolle relaties • Interpersoonlijke conflicten
• Keuzevrijheid: mogelijkheid tot persoonlijke • Zelfbeeld en mentale gezondheid
voorkeuren, interesses, …
2.2. Mesoniveau = collectief niveau bv. tijdsgeest, samenleving, land, onderwijssysteem
Kansen Uitdagingen
• Netwerken en sociale steun • Groepsdruk en conformiteit
• Groepsidentiteit en verbondenheid • Sociale ongelijkheid
• Culturele en sociale verrijking • Culturele spanningen
, 2.3. Macroniveau = grootste onderdelen van de context bv. de wereld, sociaalecologische vraagstukken
Kansen Uitdagingen
• Vrijheid en mensenrechten • Politieke en economische ongelijkheid
• Economische en technologische • Milieuproblematiek
vooruitgang: innovaties • Polarisatie en conflict
• Democratische participatie
Hoofdstuk 3: de persoonlijke identiteit
= wie jij bent als individu, de combinatie van jouw levensbeschouwelijke bril en levensbeschouwelijke biografie
à deze identiteit is meervoudig en dynamisch
1. Levensbeschouwelijke bril
= de manier waarop we kijken naar onszelf, de anderen en de wereld, die beïnvloed wordt door iemands
levensbeschouwelijke biografie
Bewust omgaan met die bril Waarom hebben we een bril?
• Professioneel mee om gaan • Weerspiegeling van onze identiteit:
• Alert zijn voor vooroordelen levensvisie, waarden en normen, …
• Bewust zijn van de diversiteit in LB brillen • Bevat al jouw ervaringen, bagage, …
à je kiest zelf hoe je handelt!