Macht, meningen & na-apers
Prof. Griet van Vaerenbergh & prof. Vera Hoorens
Inhoudsopgave
Deel 1: inleiding (H0) Deel 6: expliciete invloed (H5)
• Wat is sociale psychologie • Expliciete sociale invloed
• Uitgangspunten • De Milgram studies
• Relatie mensenkennis • Ethische kwestie
• Rol van waarden • Conceptuele replicaties
• Verklaringen voor gehoorzaamheid
• Fundamentele verschillen expliciete en
Deel 2: methodes (H1) impliciete invloed
• Beschrijvend onderzoek - Milgram
• Correlationeel onderzoek - Reicher & Haslam
• Experimenteel onderzoek
• Empirische cirkel
Deel 7: stereotypes (H9)
• Meten van stereotypes
Deel 3: prosociaal gedrag (H7) • Oorsprong van stereotypes
• Altruïsme • Verwerking en beoordeling
• Methodologie prosociaal onderzoek • Stereotypes en overt gedrag
• Vertonen van prosociaal gedrag • Stereotypes houden zichzelf in stand
• Bystander-effect • Veranderen van stereotypes
• Biologische invalshoek
- Latané & Darley
- Manning - Tjafel & Turner
- Fisher
Deel 8: attitudes (H8)
Deel 4: aanwezigheid anderen (H3) • Meten van attitudes
• Sociale inhibitie en facilitatie • Vorming van attitudes
• Responscompetitie • Attitude verandering via gedragsverandering
• Hypothetische-deductieve toetsing • Onderzoek geïnspireerd door dissonantie
- Zajonc - Zajonc
- Cottrell - Festinger
- Bem
Deel 5: impliciete invloed (H4)
• Impliciete sociale invloed Deel 9: agressief gedrag (H6)
• Meerderheidsinvloed
• Bestuderen van agressief gedrag
• Minderheidsinvloed
• Frustratie-agressiehypothese
• Fundamentele verschillen
• Instrumentele conditionering
- Ash • Provocatie
- Moscovici • Macht, onmacht en uitsluiting
• General Aggression Model
,Deel 1: Inleiding (H0)
H1. Wat is sociale psychologie?
Sociale psychologie = de wetenschappelijke studie van de manier waarop gedachten, gevoelens en handelingen
van mensen beïnvloed worden door de feitelijke, voorgestelde of geïmpliceerde aanwezigheid van anderen.
• Anderen hebben invloed op gedachten, gevoelens en handelingen.
• Overt gedrag: gedrag dat anderen rechtstreeks kunnen waarnemen.
• Covert gedrag: gedrag dat alleen persoon zelf rechtstreeks kan waarnemen (denken en voelen).
• Drie soorten invloeden en aanwezigheid
• Fysieke/feitelijke aanwezigheid: anderen zijn echt aanwezig in fysieke situatie, je kunt ze zien, horen of
er direct mee interacteren (fluisteren in de bib, omdat anderen stil zijn).
• Voorgestelde aanwezigheid: anderen zijn er niet echt, maar je stelt voor wat ze zouden denken of doen:
interne representaties van anderen (je koopt kleding, die je denkt dat je vriend mooi vindt).
• Impliciete/onrechtstreekse aanwezigheid: ingebouwd in de situatie of context via sociale normen,
cultuur of omgeving (je stopt voor rood licht, ook al is er niemand in de buurt). ‘
→ Nudge (duwtje): subtiele manier om gedrag van mensen te beïnvloeden, zonder hun keuzevrijheid te
beperken; veranderen van presentatie van keuzes, zodat mensen vanzelf een bepaalde keuze maken.
Fundamentele sociale psychologie: nadruk op algemene principes van sociaal gedrag (theoriegericht).
Toegepaste sociale psychologie: gebruik van inzichten uit fundamentele om maatschappelijke/persoonlijke
problemen te begrijpen en op te lossen en daarna kijken of oplossing beoogde effect heeft (praktijkgericht).
→ Overlappen en zijn sterk met elkaar verbonden.
Sociale deprivatie: tekort aan betekenisvolle prikkels en relaties die nodig zijn voor een gezonde psychologische
en sociale ontwikkeling; niet alleen het aantal, maar vooral de kwaliteit en betekenis van sociale contacten; kan
tot in de hersenen effect hebben (bv. minder ontwikkelde hersenen bij gedepriveerde weeskinderen) .
Sociale isolatie: weinig tot geen sociale contacten (weinig contact met familie, vrienden of kennissen, beperkte
deelname sociale activiteiten en klein of afwezig sociaal netwerk).
Sociale paradox: mensen hebben sociale contacten nodig en worden er vaak beter van, maar zijn tegelijkertijd
geneigd die contacten te vermijden of te onderschatten.
→ Mensen denken vaak dat sociale interactie ongemakkelijk, vermoeiend of ongewenst zal zijn, terwijl die
achteraf juist positiever en prettiger blijkt.
→ Spanningsveld tussen behoefte verbondenheid en wens om autonomie, privacy en controle te behouden.
Amygdala: orgaan in de hersenen die emoties reguleert, sociale veiligheid inschat en interpersoonlijke afstand
(wat is objectief gezonde afstand zodat we anderen niet negatief beïnvloeden?) bepaalt;
Amygdala helpt ons onbewust bepalen hoe dichtbij iemand mag komen en wanneer die nabijheid prettig of
bedreigend voelt; passend ervaren hangt af van relatie tot de ander, context, cultuur en persoonlijke ervaring:
• Intieme ruimte: partner, gezinsleden, zeer goede vrienden, huisdieren, zorgsituaties.
• Persoonlijke ruimte: vrienden, bekenden, collega’s in informele setting.
• Sociale ruimte: onbekenden, formele contacten, werk- en onderwijscontexten.
• Publieke ruimte: groepen, presentaties, lezingen, publieke toespraken.
H2. Uitgangspunten van sociale psychologie
Situationele gedragsdeterminanten: situatie/omgeving beïnvloeden sterk het (sociale) gedrag van mensen.
→ Situationisme: inroepen van de situatie voor het verklaren van menselijk gedrag.
→ Interactionisme: interactie tussen gedrag en situatie.
Experimenteel onderzoek: hoge vorm van onderzoek binnen sociale psychologie.
Dieronderzoek kan zeer nuttig zijn: verklaring heeft dan niet noodzakelijk te maken met levensomstandigheden
,in bepaalde tijd, bepaalde geografische omgeving of bepaalde culturele context (zoals vaak bij mensen).
→ Kennisopbouw: niet voor eens en altijd aannemen; experiment herhalen en steeds opnieuw onderzoeken.
Differentiële psychologie: tak van psychologie die zich bezigheid met individuele verschillen tussen mensen,
zoals persoonlijkheid, intelligentie, temperament en gedrag.
→ Dispositionisme: uitganspunt dat gedrag grotendeels wordt verklaard door stabiele eigenschappen van een
persoon, deze zijn relatief consistent over tijd en situatie.
Nomothetische trekvisie: persoonlijkheid beschreven aan de hand van algemene trekken die bij iedereen
voorkomen, meetbaar zijn en verschillen in mate (meer of minder).
Experimenteel onderzoek is ook een uitgangspunt:
• Veldexperiment: gedrag observeren in natuurlijke omgeving.
• Labo-experiment: gedrag observeren in speciaal voor onderzoek ingerichte ruimte.
H3. Relatie sociale psychologie en mensenkennis
Hindsight-bias/terugblikvertekening: na plaatsvinden gebeurtenis of na vrijkomen onderzoek, denken dat deze
voorspelbaarder was dan het in werkelijkheid was (na te weten komen, moeilijk om voor te stellen hoe het is om
informatie niet te weten).
Negativity-bias/negativiteitsdenkfout: meer aandacht voor het negatieve dan voor het positieve; allemaal aan
onderhevig, want zit in hersenen (goede evolutie voor overlevingskans); media grote impact.
Wetenschappelijke kennis en intuïtieve of alledaagse kennis gaan over hetzelfde onderwerp, maar verschillen in
manier van kennisverwerving en de kritische zelfreflectie daarop:
• Systematische selectie (met plan, methode en controle, volgens regels en haalbare methoden) tegenover
eenzijdige selectie (niet systematisch, onthouden vooral eigen ervaring, selectieve waarneming).
• Objectiviteit (onafhankelijk van persoonlijke mening, meetinstrumenten, observatiecriteria en statistiek)
tegenover subjectiviteit (beïnvloed door eigen gevoelens, overtuigingen en vooroordelen).
• Gecontroleerde omstandigheden (uitsluiten invloeden buitenaf) tegenover toevallige omstandigheden
(stemming, context, cultuur, media, geen controle over wat je waarneemt of waarom je iets denkt).
H3. Doel van waarden in de sociale psychologie
Waarden kunnen een belangrijke rol spelen in onderzoek en theorievorming, ze bepalen mee:
• Welke thema’s worden onderzocht/bestudeert.
→ Ash: bestudeerde sociale beïnvloeding door overtuiging van menselijke vrijheid en autonomie.
→ Darley & Latané: bestudeerden niet helpen in noodsituatie, door interesse krantenartikel.
Thema’s worden ook bepaald door tijdsgeest en veranderingen (hoe welwillend wetenschappelijke
publicatiekanalen en media tegenover thema’s staan en hoe kansrijk aanvragen voor financiering zijn).
• Welke termen worden gebruikt voor beschrijven van gedrag (kan verschillende conceptuele kaders krijgen).
• Welke adviezen onderzoekers afleiden uit conclusies van hun werk (vanuit bepaalde standpunten kan gedrag
onwenselijk zijn)
, Deel 2: Methodes van sociaal psychologisch onderzoek (H1)
Validiteit: meet het onderzoek wat het beoogt te meten?
• Contstructvaliditeit: meet de operationalisering het theoretische concept? Kwaliteit van operationalisatie.
• Interne validiteit: is de gevolde relatie werkelijk causaal?
• Externe validiteit: in hoeverre kunnen de resultaten worden gegeneraliseerd?
• Ecologische validiteit: in hoeverre onderzoeksresultaten geldig in dagelijks leven? (realiteitswaarde).
H1 & H2. Beschrijvend onderzoek: observatie en zelfbeschrijvingen
Beschrijvende methode: feiten verzamelen en gedrag beschrijven zoals het is, zonder iets te veranderen.
Begrijpen wat mensen doen, denken of voelen in de werkelijkheid.
• Observatie: observeren van gedrag in natuurlijke of gecontroleerde situaties. Zo objectief mogelijk noteren
wat er gebeurd; nagaan hoe bepaald gedrag in bepaalde omstandigheden optreedt en observeren of het ook
daadwerkelijk optreedt.
✓ Hoge ecologische validiteit; ethisch en praktisch: geen ingreep in realiteit.
Varianten gedrag/situatie kunnen ontbreken of zelden voorkomen; coverte gedrag niet altijd te observeren;
geen conclusies over oorzaak van gedrag: geen causale uitspraken (enkel correlationeel).
• Zelfbeschrijving: je laat mensen zelf beschrijven wat ze denken, voelen of doen via enquêtes, vragenlijsten
of interviews; zinvol voor coverte en zeldzame overte gedragingen.
• Event sampling: op toevallige momenten oproepen o aan te geven wat iemand aan het doen is, hierdoor
kun je zien waar en wanneer mensen automatisch sociale normen volgen en dus wanneer ze doorbroken
of gegenereerd kunnen worden.
• Day construction method: dag achteraf opdelen, hierdoor kun je zien in welke situaties bepaalde
emoties en gedragingen voorkomen en zo begrijpen hoe sociale normen invloed hebben op dagelijks wel
zijn (correcter: mensen kunnen vergelijken met andere momenten op diezelfde dag).
✓ Nuttig bij coverte processen en zelzame overtuigingen; inspiratie voor onderzoek (geen conclusie).
Mensen weten niet altijd waarom ze iets denken of voelen; mensen kunnen bewust of onbewust niet eerlijk
of accuraat antwoorden (onderhevig aan sociale wenselijkheid) (kan ecologische validiteit beperken);
gebonden aan gestelde vragen, dus niet altijd gelegenheid om andere relevante dingen te noemen.
Studie 1 – FeldmanHall et al. (2012): onderzoeken hoe mensen kiezen wanneer eigenbelang botst met het
belang van een ander (moreel dilemma).
Opzet: keuze tussen financieel gewin voor zichzelf (20 euro) en het besparen van fysiek lijden van een ander
(elektische schokken) en vervolgens vergelijken tussen ingebeelde/omschreven keuze en daadwerkelijke
keuze van participant.
Resultaat: bij ingebeelde keuzes dachten mensen dat ze nauwelijks geld zouden houden, maar bij de echte
keuzes hielden de mensen gemiddeld meer dan de helft van het geld.
Conclusie: mensen overschatten hun morele gedrag wanneer zij een moreel dilemma alleen inbeelden.
H3. Correlationeel onderzoek
Correlationeel onderzoek: kijken of er verband is tussen twee variabelen, je kijkt of twee (of meer) dingen
samen veranderen; samenhang en dus voorspelling; berekenen in correlatiecoëfficiënt die gaat van -1 tot
+1 (0 of niet significant hoger dan 0, betekend geen correlatie).
• Positief verband/positieve correlatie: variabelen bewegen samen omhoog of omlaag (zelfde richting).
• Negatief verband/negatieve correlatie: variabelen bewegen in tegengestelde richting.
✓ Ethisch verantwoord (natuurlijke variatie en niet geforceerd); correlationele uitspraken mogelijk.
Correlatie ≠ Causaliteit (kan omgekeerd zijn of er kan een derde factor aanwezig zijn).