1. Vraag: Economie als wetenschap bestudeert voornamelijk hoe mensen keuzes
maken onder schaarste, eerder dan enkel het verloop van geldstromen.
Antwoord: Juist.
2. Vraag: Een positieve economische uitspraak is gebaseerd op waarden en
normen en kan niet objectief getoetst worden. Antwoord: Fout.
3. Vraag: Volgens het Pareto-principe is een situatie efficiënt als de welvaart van
één persoon kan stijgen zonder dat die van een ander daalt. Antwoord: Juist.
4. Vraag: Het bruto binnenlands product (bbp) is gelijk aan de som van alle
toegevoegde waardes in een economie. Antwoord: Juist.
5. Vraag: Sparen wordt in de economie beschouwd als 'uitgestelde consumptie'.
Antwoord: Juist.
6. Vraag: De bruto toegevoegde waarde is gelijk aan de waarde van het
eindproduct minus de depreciatie van kapitaalgoederen. Antwoord: Fout (Dat is
de netto toegevoegde waarde).
7. Vraag: Een economische recessie wordt gedefinieerd als een daling van het bbp
gedurende minstens twee opeenvolgende kwartalen. Antwoord: Juist.
8. Vraag: Het doemscenario van Thomas Malthus kwam niet uit dankzij
technologische vooruitgang en geboortecontrole. Antwoord: Juist.
9. Vraag: Economie wordt beschouwd als een exacte wetenschap, vergelijkbaar
met fysica. Antwoord: Fout.
10. Vraag: Het bbp per capita is een perfecte maatstaf voor het geluk van een
bevolking. Antwoord: Fout.
11. Vraag: Er is een sterke negatieve relatie tussen de welvarendheid van een land
en het fertiliteitscijfer. Antwoord: Juist.
12. Vraag: De 'Reversal of Fortunes' suggereert dat instituties belangrijker zijn voor
welvaart dan geografie. Antwoord: Juist.
13. Vraag: In Japan steeg het gemiddelde geluksniveau spectaculair tussen 1950 en
1990 door de sterke groei van het bbp. Antwoord: Fout.
14. Vraag: De Easterlin paradox stelt dat geluk deels relatief is aan wat anderen om
ons heen bezitten. Antwoord: Juist.
, 15. Vraag: Formele instituties omvatten geschreven wetten en regels, zoals het
eigendomsrecht. Antwoord: Juist.
Module 1: Speltheorie
16. Vraag: In een one-shot prisoners dilemma is 'niet samenwerken' de dominante
strategie voor beide spelers. Antwoord: Juist.
17. Vraag: De 'Tit-for-tat' strategie begint altijd met een onvriendelijke actie om
dominantie te tonen. Antwoord: Fout.
18. Vraag: Een Nash-evenwicht is een situatie waarin geen enkele speler zijn
strategie eenzijdig wil veranderen, gegeven de strategie van de anderen.
Antwoord: Juist.
19. Vraag: Een dominante strategie levert voor een speler altijd een resultaat op dat
minstens even goed is als elke andere strategie, ongeacht wat de andere speler
doet. Antwoord: Juist.
20. Vraag: De Grim trigger-strategie is vergevingsgezinder dan de Tit-for-tat
strategie. Antwoord: Fout.
21. Vraag: In een dilemmaspel is het individueel rationeel om alle middelen voor de
groep in te zetten. Antwoord: Fout.
22. Vraag: Uit experimenten met het publieke-goed spel blijkt dat mensen na
herhaling steeds minder gaan bijdragen aan de groepspot. Antwoord: Juist.
23. Vraag: Studenten economie en bedrijfswetenschappen kiezen in experimenten
vaker voor niet-samenwerken dan andere studenten. Antwoord: Juist.
24. Vraag: In een coördinatiespel is er meestal geen dominante strategie aanwezig.
Antwoord: Juist.
25. Vraag: Een 'focal point' helpt spelers om te coördineren zonder dat ze expliciet
hoeven af te spreken. Antwoord: Juist.
26. Vraag: Segregatie in buurten kan ontstaan door zelfs zeer kleine individuele
voorkeuren voor buren van dezelfde soort. Antwoord: Juist.
27. Vraag: In een spel met gemengde strategieën kiezen spelers hun acties met
bepaalde kansen. Antwoord: Juist.
, 28. Vraag: Een 'zero-sum game' betekent dat de winst van de ene speler precies
gelijk is aan het verlies van de andere speler. Antwoord: Juist.
29. Vraag: In de praktijk gedragen penalty-nemers en keepers zich vaak volgens een
gemengd Nash-evenwicht. Antwoord: Juist.
30. Vraag: Een Nash-evenwicht in dominante strategieën is een speciaal geval van
een algemeen Nash-evenwicht. Antwoord: Juist.
Module 2 & 3: Vraag, Aanbod en Elasticiteiten
31. Vraag: De aanbodcurve rangschikt producenten op basis van hun bereidheid om
te verkopen (marginale kosten). Antwoord: Juist.
32. Vraag: De marktprijs weerspiegelt de waarde van een goed voor elke consument
die het koopt. Antwoord: Fout.
33. Vraag: De water-diamant paradox wordt verklaard door het feit dat de prijs
bepaald wordt door het marginaal nut en niet door het totale nut. Antwoord:
Juist.
34. Vraag: Een markt voor CO2-emissierechten zorgt ervoor dat vervuilende
producten duurder worden. Antwoord: Juist.
35. Vraag: Een steile vraagcurve duidt op een zeer prijselastische vraag. Antwoord:
Fout.
36. Vraag: Bij een prijsinelastische vraag leidt een stijging van de prijs tot een stijging
van de totale ontvangsten. Antwoord: Juist.
37. Vraag: Een kartel is vaak instabiel omdat individuele leden een prikkel hebben
om stiekem meer te produceren dan afgesproken. Antwoord: Juist.
38. Vraag: Als de kruiselingse prijselasticiteit tussen twee goederen positief is,
spreken we van substituten. Antwoord: Juist.
39. Vraag: De aanbodcurve van grondstoffen is vaak erg inelastisch op korte termijn.
Antwoord: Juist.
40. Vraag: Automatische loonindexering beschermt de koopkracht van gezinnen
tegen inflatie. Antwoord: Juist.
41. Vraag: Voor een luxe goed stijgt het budgetaandeel naarmate het inkomen
toeneemt. Antwoord: Juist.