Steden en burgers in de lage landen
Wat maakte de opkomst van de stedelijke burgerij in de Nederlandse gewesten mogelijk?
In de vroege middeleeuwen was er sprake van feodalisme en autarkie. Een federalistisch
bestuur is een decentraal bestuur, hierdoor heeft de koning niet veel macht. Autarkie houdt
in dat men gedurende deze periode zelfvoorzienend leefde.
Rond 1000 na christus vonden er 3 grote veranderingen plaats:
- Woeste grond werd ontginning. Hierdoor kwam er meer land vrij voor de landbouw,
wat resulteerde in een stijging van de voedselproductie.
- Er worden nieuwe dingen uitgevonden om de voedselproductie te verhogen, zoals de
ijzeren ploeg en het gebruik van een paard in plaats van een os.
- De uitvinding van het drieslagstelsel heeft ook een stijging van de voedselproductie
als resultaat.
Door de toegenomen voedselproductie neemt de bevolkingsgroei ook toe. De bevolking
verdubbelt zelfs.
Er is zelfs te veel voedsel, er ontstaan namelijk voedseloverschotten. Niet iedereen hoeft
dus meer voedsel te verbouwen, je kan nu namelijk ook gaan handelen of een ambacht
uitvoeren.
Deze handelaren en ambachtslieden gaan zich op centrale plekken vestigen, waar veel
mensen langskomen.
Dit allemaal, versterkt de monetaire economie (geldeconomie).
Op deze plekken waar de handelaren en ambachtslieden samenkomen, beginnen steeds
meer mensen te komen en uiteindelijk groeien deze plekken uit tot echte steden.
Je ziet dat er nu sprake is van een agrarisch urbane samenleving, want er zijn mensen die in
de steden wonen, maar de meeste mensen werken op het platteland.
Inwoners van deze steden proberen op allerlei manieren stadsrecht te verkrijgen. De
inwoners van een stad met stadsrecht worden ook wel poorters genoemd.
Als poorter heb je:
- Een zelfstandig stadsbestuur, de stad heeft namelijk een burgemeester.
- Eigen rechtspraak, de stad mag zelf eigen rechters aanstellen.
- Een verdedigingsmuur om de stad heen
- marktrecht, wat de handel enorm stimuleert.
Ook kun je je als poorter verenigen in gilden. Je had 2 soorten gilden: ambachtsgilden en
handelsgilden. Deze gilden gingen prijzen concurrentie binnen steden tegen, hielden de
kwaliteit van het ambacht hoog en zorgden voor bescherming.
In de steden werd dus vooral aan handel en ambacht gedaan. Deze steden hadden ook een
verzorgingsgebied: een gebied dat de grondstoffen leverden aan de steden.
, De steden in de Lage Landen lagen op gunstige kruispunten waardoor deze steden konden
deelnemen aan grote handelsnetwerken.
Voorbeelden
- De hanzesteden die aan de oostzee lagen
- Engeland, die vooral in wol handelde
- De landroutes achterland, van Frankrijk en de regio Italië met enorme
handelsnetwerken.
In essentie zijn alle poorters in de stad gelijk, want ze hebben allemaal het stadsrecht.
Toch ontstaan er sociaal-economische verschillen in de steden, waar iedereen stadsrecht
heeft.
De rijke kooplieden in de steden kopen bestuursfuncties en worden daarmee patriciërs.
Deze bestuursfuncties kun je dus kopen, en je kan dus alleen een machtige positie krijgen
als je veel geld had. Mensen die dus weinig geld hadden konden geen bestuursfunctie
krijgen en hadden dus ook minder macht. De rijken bestuurden dus de steden.
Het gemeen gaat zich verenigen in gilden en de patriciërs gaan zich ook verenigen in gilden.
Dit zorgt er eigenlijk voor dat 2 machtsblokken tegenover elkaar komen te staan, wat
resulteert in een interne machtsstrijd binnen een stad.
De patriciërs hadden enorm veel geld, en soms ook meer dan de adel. Ze schoten daarom
geld voor aan de centraliserende koningen in ruil voor een titel of een trouwerij. Hierdoor
hadden de patriciërs dus ook meer inspraak.
Je zou ook wel kunnen zeggen dat de patriciërs zich als adel gaan gedragen.
Dit allemaal leidt tot een verhoogde spanning in de Vlaamse steden, wat ook voor conflicten
en opstanden zal zorgen.
De guldensporenslag in 1302 is een mooi voorbeeld van hoe deze ongelijkheden in de
Vlaamse steden leiden tot een verhoogde spanning in de steden, wat uiteindelijk zal leiden
tot een conflict tussen het gemeen, patriciërs en de adel.
De guldensporenslag wordt gewonnen door het gemeen.
Wat maakte de opkomst van de stedelijke burgerij in de Nederlandse gewesten mogelijk?
In de vroege middeleeuwen was er sprake van feodalisme en autarkie. Een federalistisch
bestuur is een decentraal bestuur, hierdoor heeft de koning niet veel macht. Autarkie houdt
in dat men gedurende deze periode zelfvoorzienend leefde.
Rond 1000 na christus vonden er 3 grote veranderingen plaats:
- Woeste grond werd ontginning. Hierdoor kwam er meer land vrij voor de landbouw,
wat resulteerde in een stijging van de voedselproductie.
- Er worden nieuwe dingen uitgevonden om de voedselproductie te verhogen, zoals de
ijzeren ploeg en het gebruik van een paard in plaats van een os.
- De uitvinding van het drieslagstelsel heeft ook een stijging van de voedselproductie
als resultaat.
Door de toegenomen voedselproductie neemt de bevolkingsgroei ook toe. De bevolking
verdubbelt zelfs.
Er is zelfs te veel voedsel, er ontstaan namelijk voedseloverschotten. Niet iedereen hoeft
dus meer voedsel te verbouwen, je kan nu namelijk ook gaan handelen of een ambacht
uitvoeren.
Deze handelaren en ambachtslieden gaan zich op centrale plekken vestigen, waar veel
mensen langskomen.
Dit allemaal, versterkt de monetaire economie (geldeconomie).
Op deze plekken waar de handelaren en ambachtslieden samenkomen, beginnen steeds
meer mensen te komen en uiteindelijk groeien deze plekken uit tot echte steden.
Je ziet dat er nu sprake is van een agrarisch urbane samenleving, want er zijn mensen die in
de steden wonen, maar de meeste mensen werken op het platteland.
Inwoners van deze steden proberen op allerlei manieren stadsrecht te verkrijgen. De
inwoners van een stad met stadsrecht worden ook wel poorters genoemd.
Als poorter heb je:
- Een zelfstandig stadsbestuur, de stad heeft namelijk een burgemeester.
- Eigen rechtspraak, de stad mag zelf eigen rechters aanstellen.
- Een verdedigingsmuur om de stad heen
- marktrecht, wat de handel enorm stimuleert.
Ook kun je je als poorter verenigen in gilden. Je had 2 soorten gilden: ambachtsgilden en
handelsgilden. Deze gilden gingen prijzen concurrentie binnen steden tegen, hielden de
kwaliteit van het ambacht hoog en zorgden voor bescherming.
In de steden werd dus vooral aan handel en ambacht gedaan. Deze steden hadden ook een
verzorgingsgebied: een gebied dat de grondstoffen leverden aan de steden.
, De steden in de Lage Landen lagen op gunstige kruispunten waardoor deze steden konden
deelnemen aan grote handelsnetwerken.
Voorbeelden
- De hanzesteden die aan de oostzee lagen
- Engeland, die vooral in wol handelde
- De landroutes achterland, van Frankrijk en de regio Italië met enorme
handelsnetwerken.
In essentie zijn alle poorters in de stad gelijk, want ze hebben allemaal het stadsrecht.
Toch ontstaan er sociaal-economische verschillen in de steden, waar iedereen stadsrecht
heeft.
De rijke kooplieden in de steden kopen bestuursfuncties en worden daarmee patriciërs.
Deze bestuursfuncties kun je dus kopen, en je kan dus alleen een machtige positie krijgen
als je veel geld had. Mensen die dus weinig geld hadden konden geen bestuursfunctie
krijgen en hadden dus ook minder macht. De rijken bestuurden dus de steden.
Het gemeen gaat zich verenigen in gilden en de patriciërs gaan zich ook verenigen in gilden.
Dit zorgt er eigenlijk voor dat 2 machtsblokken tegenover elkaar komen te staan, wat
resulteert in een interne machtsstrijd binnen een stad.
De patriciërs hadden enorm veel geld, en soms ook meer dan de adel. Ze schoten daarom
geld voor aan de centraliserende koningen in ruil voor een titel of een trouwerij. Hierdoor
hadden de patriciërs dus ook meer inspraak.
Je zou ook wel kunnen zeggen dat de patriciërs zich als adel gaan gedragen.
Dit allemaal leidt tot een verhoogde spanning in de Vlaamse steden, wat ook voor conflicten
en opstanden zal zorgen.
De guldensporenslag in 1302 is een mooi voorbeeld van hoe deze ongelijkheden in de
Vlaamse steden leiden tot een verhoogde spanning in de steden, wat uiteindelijk zal leiden
tot een conflict tussen het gemeen, patriciërs en de adel.
De guldensporenslag wordt gewonnen door het gemeen.