1. Sociale Wetenschap en Wetenschappelijk Onderzoek
Stanislav Andreski – Social Sciences as Sorcery
o Sociale wetenschappen = soms "tovenarij" → betekenisloze publicatiemachines
o Gebruik van moeilijk jargon & statistiek zonder nieuwe inzichten
Wetenschappelijk onderzoek is overal aanwezig
o Gezondheid, onderwijs, marketing, klimaat, misdaadbestrijding, verkiezingen
o Methodologie = hoe wetenschap werkt (niet alleen methoden, maar ook theorie & redenering)
o Wetenschap is institutioneel ingebed (universiteiten, overheids- en privéfinanciering)
2. Voorbeelden van Wetenschappelijk Onderzoek
Klimaatverandering: Tegenstrijdige inzichten
An Inconvenient Truth (2006): klimaatverandering door CO2 uitstoot
The Great Global Warming Swindle (2007): klimaatverandering veroorzaakt CO2 uitstoot
Probleem: Beide baseren zich op wetenschap → politieke en ideologische invloeden
Criminaliteitsbestrijding in New York: de war against crime
Giuliani (1994): Broken Windows-theorie
o Kleine misdaden bestraffen → grote misdaad voorkomen → Guiliani geprezen voor vermindering, maar is dat echt het
gevolg?
Causaliteit voorwaarden:
1. Statistisch verband tss A en B
2. Oorzaak A gaat gevolg B vooraf
3. Geen derde factor C
Toepassing NY:
o Verband aanwezig, maar criminaliteit daalde al vóór Giuliani
o Ook daling in andere steden zonder Broken Windows
Conclusie: daling niet noodzakelijk door beleid
Clash of Civilizations (Huntington, 1993)
Cultuur & religie bepalen toekomstige conflicten
Aanvankelijk kritiek, maar na 9/11 meer steun
Kritiek: Gebaseerd op anekdotisch bewijs (geen systematisch empirisch bewijs), empirisch onderzoek toont geen toename van
conflicten
Verkiezingspolls: betrouwbaar?
Betrouwbaarheid hangt af van representativiteit (niet enkel steekproefgrootte)
Problemen:
o Hoge non-respons → niet-representatief
o Vaak geen willekeurige steekproef → foutenmarges misleidend
➡ Conclusie: Polls kunnen richting aangeven, maar interpreteren met voorzichtigheid
De wetenschapper als bokser (Loïc Wacquant)
Kwalitatief onderzoek door participerende observatie
Inschrijving in een boksclub om stereotypen over armoede & marginaliteit te doorbreken
Verband tussen gamen en agressie?
Geen wetenschappelijke consensus
Vaak correlatie, maar geen bewezen causaliteit
Onderzoeksmethoden verschillen sterk → tegenstrijdige resultaten
3. De Wetenschappelijke Aanpak
Wetenschap vs. lekenkennis
Wetenschap: regels, methoden, betrouwbaarheid, Keuzes weloverwogen en beargumenteerd zijn
Lekenkennis: gebaseerd is op intuïtie, ervaring of meningen zonder systematische onderbouwing
Begrippen:
Methodologie = proces van wetenschapsbeoefening
Methoden = technieken voor data-verzameling en analyse
Wetenschap = geen absolute waarheid
Altijd discussie en onenigheid
Superieur aan lekenkennis, maar beïnvloed door overtuigingen
Alternatieve kennisbronnen & hun problemen
Bron Probleem
, Persoonlijke ervaring Overgeneralisatie
Populaire media Vertekening, sensatie
Ideologieën/waarden Vooringenomenheid, beïnvloeding perceptie
4. Wat te verwachten van methodologie?
Doel: betrouwbare en geldige kennis over sociale werkelijkheid
Drie analyseniveaus:
Micro → individuen, relaties
Meso → organisaties, gemeenschappen
Macro → staten, maatschappelijke structuren
Rol van data: theorieën toetsen, systematische aanpak noodzakelijk
, Hoofdstuk 2: Bouwstenen en soorten wetenschappelijk onderzoek
1. Kernpunten van sociaal-wetenschappelijk onderzoek
Doel: Theoretische kennis opbouwen over de samenleving, verklaren van sociale fenomenen.
Kenmerken:
Wisselwerking tussen theorie en empirie.
Systematische observatie en methodologische regels.
Geen universele consensus over ‘goed’ onderzoek onenigheid over wat “goed” onderzoek is
2. Bouwstenen van sociaal-wetenschappelijk onderzoek
Theorie en empirie
Theorie = nadenken, verklaringen formuleren (vb. Broken Windows, Job Demand Control Theory)
o opgebouwd uit concepten (abstracte begrippen, bv stress) en proposities (relaties ertussen, slopende job)
Job Demand Control Theory (Karasek):
Vier typen jobs: 1. Slopende job = hoge werkdruk, lage autonomie → stress
2. Zinloze job = lage werkdruk, hoge autonomie
3. Actieve job = hoge werkdruk, hoge autonomie
4. Passieve job = lage werkdruk, lage autonomie
Kenmerken goede theorie:
Logisch consistent (uitspraken spreken elkaar niet tegen)
Spaarzaam (zo weinig mogelijk aannames/uitspraken)
Verklaringskracht (verklaart sociale realiteit)
Mate van veralgemeenbaarheid
o Formele theorieën: universele regels, context-onafhankelijk (hoe mensen handelen)
o Grand theories: brede, abstracte verklaringen van de samenleving (moeilijk toetsbaar)
o Middle-range theories: concreet, praktisch en empirisch toetsbaar
Empirisch toetsbaar (verifieerbaar: toetsbaar aan de werkelijkheid, falsifieerbaar: kan weerlegd, repliceerbaar: kan herhaald)
Objectiviteit & empirie
Empirie = feiten verzamelen via observatie
Moeilijk door menselijke interpretatie & beperkte waarneming
Aanpak: gestandaardiseerde methoden (surveys, experimenten) of kwalitatieve methoden (participerende observatie, interviews)
Beperken subjectiviteit omarmen subjectiviteit
Inductie en deductie
Deductie (van theorie → empirie) = Hypothese testen met data.
Inductie (van empirie → theorie) = Algemene regel afleiden uit waarnemingen.
Empirische cyclus:
1. Observatie → gegevens verzamelen
2. Inductie → theorie ontwikkelen
3. Deductie → voorspellingen maken
4. Toetsing → hypothese testen met data
Voorbeeld: Semmelweis en kraamvrouwenkoorts → handen wassen met chlooroplossing leidde tot lagere sterfte.
3. Evaluatiecriteria voor wetenschappelijk onderzoek
Fouten
Toevallig (error): willekeurig, compenseren vaak bij veel data
Systematisch (bias): vertekend, problematisch
Criteria om fouten te verminderen: Betrouwbaarheid & validiteit
Betrouwbaarheid: consistentie van metingen → toevallige fouten → niet heel erg
Validiteit (geldigheid): meten wat je wil meten → systematische fouten
o Meetvaliditeit → correcte operationalisering → abstract concept concreet en meetbaar maken
o Interne validiteit → juiste weerspiegeling van oorzaak-gevolg
o Externe validiteit → veralgemeenbaarheid naar grotere populatie
Statistisch/empirisch = steekproef toepassen op hele populatie
Theoretisch = bevinding topassen op andere tijdstip, plaatsen of fenomenen
, Verschillende visies op causaliteit (verkorte samenvatting)
Regelmatigheidsvisie (Hume) → A en B komen altijd samen voor, A gaat vooraf aan B en er is een noodzakelijke relatie.
Monocausale verklaring (Mill) → Voldoende voorwaarde: A leidt tot B, maar B kan ook andere oorzaken hebben.
→ Noodzakelijke voorwaarde: A is vereist voor B, maar op zich niet voldoende.
Complexe oorzaken → Meerdere factoren samen veroorzaken een gebeurtenis.
Probabilistische verklaringen → A verhoogt de kans op B, maar veroorzaakt B niet altijd.
Causaliteit – voorwaarden
1. Covariantie (A ↔ B)
2. Tijdsorde (A vóór B)
3. Geen derde variabele (geen schijnverband)
Vakmanschap
Correspondentietheorie van waarheid: betrouwbaarheid & validiteit toetsen aan werkelijkheid
Alternatieve visie: kennis wordt sterker naarmate pogingen tot weerlegging mislukken.
Vakmanschap: het onderzoeksproces correct en zorgvuldig doorlopen.
(Zelf)reflectie: kritisch evalueren van eigen keuzes en methodes.
Peer review: wetenschappelijke bevindingen laten beoordelen door collega-wetenschappers.
4. Soorten sociaalwetenschappelijk onderzoek
Twee soorten:
1. Toepassingsgebied
2. Onderzoeksmethodologie
Theoriegericht vs. praktijkgericht onderzoek
Theoriegericht (fundamenteel)
Gericht op kennisproductie & theorieontwikkeling
Doelpubliek = wetenschappers
Basis nieuwe denkwijzen & innovatie
Praktijkgericht (toegepast)
Gericht op oplossen van concrete problemen
Doelpubliek: beleid en werkveld
Kennis wordt toegepast om realiteit te veranderen
Vormen:
o Evaluatieonderzoek: nagaan of interventies effectief zijn
Fasen: probleem → diagnose → plan → implementatie → soorten evaluaties:
Procesevaluatie: verloopt uitvoering zoals gepland?
Productevaluatie: wordt doel bereikt?
Efficiëntie-evaluatie: verhouding effect–kostprijs
Voorbeeld: Sesamstraat → onderwijsachterstand verminderen mits actieve ouderbetrokkenheid
o Actieonderzoek: combineert onderzoek en sociale actie
Doel: kennis delen en verandering stimuleren → Uitgangspunt: kennis = macht
Geen strikte scheiding tussen onderzoek en actie
Kwantitatief vs. kwalitatief onderzoek
Aspect Kwalitatief onderzoek Kwantitatief onderzoek Triangulatie (combinatie)
Data Tekst, beeld, geluid Cijfers, statistieken Beide soorten data
Observatie, diepte-interviews, historisch- Gecombineerde methoden in één
Methoden Surveys, experimenten
comparatief studie
Focus Interpretaties en betekenissen Oorzaak-gevolg en metingen Complementaire sterktes benutten
Aannames Meervoudige, sociaal geconstrueerde realiteiten Bestaan van objectieve realiteit Beide perspectieven samenbrengen
Hogere validiteit, robuustere
Sterkte Diepgang, contextgevoelig Generaliseerbaarheid, precisie
conclusies
Vaak deductief (hypothesen
Rol in redenering Vaak inductief (theorie opbouwen) Inductie + deductie samen
toetsen)