Didactisch handelen
Hoofdstuk 3: werkvormen
We moeten nadenken over de aanpak die activerend werkt en de betrokkenheid van
de kinderen verhoogt.
1 Didactische werkvormen
1.1 omschrijving
Onderwijs- en leeractiviteiten zijn onafhankelijk met elkaar verbonden. Dit geheel
noemen we didactische werkvormen.
1.2 kiezen van een passende werkvorm
De keuze van de meest geschikte werkvorm hangt af van de doelstelling en
beginsituatie. Hangt voor een groot deel ook samen met het beoogde doel.
1.3 de functie van werkvormen
Probleemverkenning
De beginsituatie wordt afgetast bij de leerlingen
Kennisverwerving
Leerlingen gaan kennis opdoen of verwerven
Kennisverwerking
De leerstof wordt verwerkt of toegepast
Mening formuleren
Leerlingen leren zelf een mening te formuleren
Zich inleven
Leerlingen kunnen zich inleven in een bepaalde situatie
1.4 een waaier aan werkvormen
Onderwijsleergesprek Sterk geleid gesprek waarbij leerkracht en leerling
stapsgewijs tot bepaalde kennis en inzichten brengt.
, Ze stellen duidelijke, gerichte vragen in zinvolle
didactische volgorde
Leergesprek Hierbij worden oplossingen of denkprocessen
mondeling verwoord en worden deze gesprekken
Demonstreren Iets tonen of voortonen
Vertellen en voorlezen Via vertellen of voorlezen van een verhaal nieuwe info
overbrengen
Klasgesprek en Een gesprek tussen de leerlingen waarbij de indruk ligt
kringgesprek op het doorgeven van persoonlijke ideeën en
ervaringen. Dit gesprek kan gebeuren zonder
klasopstelling te veranderen.
Bij een kringgesprek staan de stoelen in een kring.
Contractwerk Er wordt voor elke leerling opdrachten vastgelegd voor
een bepaalde periode. Er worden in lessenrooster
vaste momenten voorzien om hieraan te werken. Dit
bevordert het zelfregulerend vermogen.
Placemat Elk deel van het blad behoort tot leerling. En iedereen
schrijft individueel antwoord op in zijn hoek.
Variant: laat zien chef De laat zien chef leest de vraag voor. De rest van de
leerlingen schrijft antwoorden op hun vlak op.
Legpuzzel of jigsaw De leerkracht verdeelt de leerstof in gelijke delen. Elk
methode groepslid krijgt een nummer. De gelijke nummers
zitten bij elkaar. ze verdiepen zich elk in de tekst en
bedenken hoe ze de info kunnen vertellen aan hun
stampgroep
Duo’s vormen Verdeel de leerstof in vragen met bijhorende
antwoorden. Leerlingen lopen rond en zoeken een
partner
Domino De juiste oplossing passen bij een oplossing en vormen
zo een sliert
Spelvorm: ganzenbord Een klassiek ganzenbord als inoefening
Kijk- of luisteropdracht - Voor de leerkracht start met geven van uitleg krijgen
> aandacht richten leerlingen een kaartje met een vraag. Na de uitleg
trekt de leerkracht een naam en leest de leerlingen zijn
vraag en probeert die te beantwoorden.
Duo check De leerkracht geeft een korte uitleg over de leerstof.
Daarna gaan ze in duo’s werken. Ene legt de leerstof in
eigen woorden uit, de andere vult eventueel aan.
Herhalingsopdracht: Leerstofonderdelen worden door de leerkracht op een
reconstructie kaartje genoteerd en uitgedeeld in de klas. De
leerkracht noteert lege structuren van de leerinhoud
op heet bord. De leerlingen zoeken samen welk kaartje
op welke plaats komt en ze helpen elkaar hierbij
Herhalingsopdracht: Leerlingen noteren zelf vraag en antwoord op kaartje.
mix en ruil Ze lopen door klas en zoeken een maatje en stellen
een vraag. Ze wisselen dan kaartjes
Tweepraat Ze werken per twee. Leerlingen denken eerst in duo na
over antwoord voor ze klassikaal mogen reageren.
Dobbelen Leerlingen worden verdeeld in groepjes. Op elke kant
van de dobbelsteen staan begrippen. Met de woorden
die vanboven liggen na de worp maakt de dobbelaar
een mogelijke vraag die de groep beantwoorden.
Tweetal coach Leerlingen werken per 2. Ze krijgen een serie opgaves.
De ene leerling lossen de opgaven op en de andere
, luisteren en controleren.
Herhaling: quiz Via een quiz gaan ze de inhoudelijke kennis op een
spelende motiverende manier bevragen en herhalen.
Verrassingspak Er is een pakje met verschillende lagen. De inhoud van
het pak moeten gekoppeld worden aan het thema
waarrond er gewerkt wordt. Op de binnenkant van elke
laag zit een vraag.
Associatieopdracht: Er liggen verschillende kaarten met oplossingen en een
vliegenmepperspel stapel met opdrachten. De leerling leest en toont de
opgave. Andere meppen om ter eerste met hun
vliegenmepper op de juiste vlieg.
ABC-brainstorm Op het bord of blad staan letters. De leerlingen
schrijven achter alle letters hun associaties rond de
centrale vraag rond het thema.
Woordenweb Leerlingen staan in kleine groepjes in een kring. De bal
word rond gegooid in groepen. De leerling die de bal
vangt zegt vlug het woord die past bij het thema.
Post-it dusteren Iedereen noteert een vraag over een thema. De post-
its worden aan het bord gehangen. De leerkracht
clustert die met leerlingen. Zo krijg je een overzicht
van wat de leerlingen graag willen leren over een
thema.
Raadsel/rebus Start de les met een kort raadsel
Verpakte verrassing Maak je les geheimzinnig. Neem een doos en doe daar
iets in. Maak er een unboxing filmpje van.
Carousel Leerlingen gaan in twee kringen zitten of staan met
hun gezichten naar elkaar. ze delen info met elkaar
gedurende een afgesproken tijd. De buitenste kring
schuift dan een plaats door.
Discussieopdracht of De leerkracht formuleert een stelling. De leerlingen
stellingenspel: lopen door de klas. Op teken van de leerkracht vormen
uitwisselen ze
Stellingspel: De leerkracht geeft een stelling. In drie hoeken van het
hoekendebat lokaal flappen opgehangen met; eens, oneens, geen
mening. Leerlingen gaan in een hoek staan. Ze
schrijven op de flap hun argumenten voor een keuze.
Stellingspel: Schriftelijk discussie naar aanleiding van stellingen
schrijfgesprek
Opdracht dramatiseren Leerkrachten vertellen een gevoelsgeladen situatie.
via tableau vivant Leerlingen spelen per 2 een situatie na. Als leerkracht
roept STOP dan bevriezen de leerlingen.
Uitbeeld- en raadspel De leerling krijgt een begrip/situatie. De leerling beeldt
de situatie uit en de anderen raden wat op het blaadje
stond.
Opdracht: emotie Iedereen krijgt een kaartje met een gevoel op.
overnemen Leerlingen staan in een kring. De leerkracht start en
zegt een zin -> dat wordt gezegd met een bepaalde
emotie en buurman reageert met dezelfde emotie.
Rollenspel Spelen leerlingen een bepaalde rol met de bedoeling
zich in te leven in de persoon die ze spelen.
Associatiespel: fotospel Leerkracht toont verschillende foto’s van
gebeurtenissen die emoties oproepen.
Differentiëren door Bij kiezen van een passende werkvormen is het
werkvormen te variëren belangrijk om na te denken hoe de werkvorm of
Hoofdstuk 3: werkvormen
We moeten nadenken over de aanpak die activerend werkt en de betrokkenheid van
de kinderen verhoogt.
1 Didactische werkvormen
1.1 omschrijving
Onderwijs- en leeractiviteiten zijn onafhankelijk met elkaar verbonden. Dit geheel
noemen we didactische werkvormen.
1.2 kiezen van een passende werkvorm
De keuze van de meest geschikte werkvorm hangt af van de doelstelling en
beginsituatie. Hangt voor een groot deel ook samen met het beoogde doel.
1.3 de functie van werkvormen
Probleemverkenning
De beginsituatie wordt afgetast bij de leerlingen
Kennisverwerving
Leerlingen gaan kennis opdoen of verwerven
Kennisverwerking
De leerstof wordt verwerkt of toegepast
Mening formuleren
Leerlingen leren zelf een mening te formuleren
Zich inleven
Leerlingen kunnen zich inleven in een bepaalde situatie
1.4 een waaier aan werkvormen
Onderwijsleergesprek Sterk geleid gesprek waarbij leerkracht en leerling
stapsgewijs tot bepaalde kennis en inzichten brengt.
, Ze stellen duidelijke, gerichte vragen in zinvolle
didactische volgorde
Leergesprek Hierbij worden oplossingen of denkprocessen
mondeling verwoord en worden deze gesprekken
Demonstreren Iets tonen of voortonen
Vertellen en voorlezen Via vertellen of voorlezen van een verhaal nieuwe info
overbrengen
Klasgesprek en Een gesprek tussen de leerlingen waarbij de indruk ligt
kringgesprek op het doorgeven van persoonlijke ideeën en
ervaringen. Dit gesprek kan gebeuren zonder
klasopstelling te veranderen.
Bij een kringgesprek staan de stoelen in een kring.
Contractwerk Er wordt voor elke leerling opdrachten vastgelegd voor
een bepaalde periode. Er worden in lessenrooster
vaste momenten voorzien om hieraan te werken. Dit
bevordert het zelfregulerend vermogen.
Placemat Elk deel van het blad behoort tot leerling. En iedereen
schrijft individueel antwoord op in zijn hoek.
Variant: laat zien chef De laat zien chef leest de vraag voor. De rest van de
leerlingen schrijft antwoorden op hun vlak op.
Legpuzzel of jigsaw De leerkracht verdeelt de leerstof in gelijke delen. Elk
methode groepslid krijgt een nummer. De gelijke nummers
zitten bij elkaar. ze verdiepen zich elk in de tekst en
bedenken hoe ze de info kunnen vertellen aan hun
stampgroep
Duo’s vormen Verdeel de leerstof in vragen met bijhorende
antwoorden. Leerlingen lopen rond en zoeken een
partner
Domino De juiste oplossing passen bij een oplossing en vormen
zo een sliert
Spelvorm: ganzenbord Een klassiek ganzenbord als inoefening
Kijk- of luisteropdracht - Voor de leerkracht start met geven van uitleg krijgen
> aandacht richten leerlingen een kaartje met een vraag. Na de uitleg
trekt de leerkracht een naam en leest de leerlingen zijn
vraag en probeert die te beantwoorden.
Duo check De leerkracht geeft een korte uitleg over de leerstof.
Daarna gaan ze in duo’s werken. Ene legt de leerstof in
eigen woorden uit, de andere vult eventueel aan.
Herhalingsopdracht: Leerstofonderdelen worden door de leerkracht op een
reconstructie kaartje genoteerd en uitgedeeld in de klas. De
leerkracht noteert lege structuren van de leerinhoud
op heet bord. De leerlingen zoeken samen welk kaartje
op welke plaats komt en ze helpen elkaar hierbij
Herhalingsopdracht: Leerlingen noteren zelf vraag en antwoord op kaartje.
mix en ruil Ze lopen door klas en zoeken een maatje en stellen
een vraag. Ze wisselen dan kaartjes
Tweepraat Ze werken per twee. Leerlingen denken eerst in duo na
over antwoord voor ze klassikaal mogen reageren.
Dobbelen Leerlingen worden verdeeld in groepjes. Op elke kant
van de dobbelsteen staan begrippen. Met de woorden
die vanboven liggen na de worp maakt de dobbelaar
een mogelijke vraag die de groep beantwoorden.
Tweetal coach Leerlingen werken per 2. Ze krijgen een serie opgaves.
De ene leerling lossen de opgaven op en de andere
, luisteren en controleren.
Herhaling: quiz Via een quiz gaan ze de inhoudelijke kennis op een
spelende motiverende manier bevragen en herhalen.
Verrassingspak Er is een pakje met verschillende lagen. De inhoud van
het pak moeten gekoppeld worden aan het thema
waarrond er gewerkt wordt. Op de binnenkant van elke
laag zit een vraag.
Associatieopdracht: Er liggen verschillende kaarten met oplossingen en een
vliegenmepperspel stapel met opdrachten. De leerling leest en toont de
opgave. Andere meppen om ter eerste met hun
vliegenmepper op de juiste vlieg.
ABC-brainstorm Op het bord of blad staan letters. De leerlingen
schrijven achter alle letters hun associaties rond de
centrale vraag rond het thema.
Woordenweb Leerlingen staan in kleine groepjes in een kring. De bal
word rond gegooid in groepen. De leerling die de bal
vangt zegt vlug het woord die past bij het thema.
Post-it dusteren Iedereen noteert een vraag over een thema. De post-
its worden aan het bord gehangen. De leerkracht
clustert die met leerlingen. Zo krijg je een overzicht
van wat de leerlingen graag willen leren over een
thema.
Raadsel/rebus Start de les met een kort raadsel
Verpakte verrassing Maak je les geheimzinnig. Neem een doos en doe daar
iets in. Maak er een unboxing filmpje van.
Carousel Leerlingen gaan in twee kringen zitten of staan met
hun gezichten naar elkaar. ze delen info met elkaar
gedurende een afgesproken tijd. De buitenste kring
schuift dan een plaats door.
Discussieopdracht of De leerkracht formuleert een stelling. De leerlingen
stellingenspel: lopen door de klas. Op teken van de leerkracht vormen
uitwisselen ze
Stellingspel: De leerkracht geeft een stelling. In drie hoeken van het
hoekendebat lokaal flappen opgehangen met; eens, oneens, geen
mening. Leerlingen gaan in een hoek staan. Ze
schrijven op de flap hun argumenten voor een keuze.
Stellingspel: Schriftelijk discussie naar aanleiding van stellingen
schrijfgesprek
Opdracht dramatiseren Leerkrachten vertellen een gevoelsgeladen situatie.
via tableau vivant Leerlingen spelen per 2 een situatie na. Als leerkracht
roept STOP dan bevriezen de leerlingen.
Uitbeeld- en raadspel De leerling krijgt een begrip/situatie. De leerling beeldt
de situatie uit en de anderen raden wat op het blaadje
stond.
Opdracht: emotie Iedereen krijgt een kaartje met een gevoel op.
overnemen Leerlingen staan in een kring. De leerkracht start en
zegt een zin -> dat wordt gezegd met een bepaalde
emotie en buurman reageert met dezelfde emotie.
Rollenspel Spelen leerlingen een bepaalde rol met de bedoeling
zich in te leven in de persoon die ze spelen.
Associatiespel: fotospel Leerkracht toont verschillende foto’s van
gebeurtenissen die emoties oproepen.
Differentiëren door Bij kiezen van een passende werkvormen is het
werkvormen te variëren belangrijk om na te denken hoe de werkvorm of