Zelf opgemaakte vragen jeugdrecht/jeugdcriminologie
Les 1: Historische inleiding -> waarom apart jeugdrecht?
Wat zijn de Fundamentele MY veranderingen in de context van de 19de
eeuw?
In de 19de eeuw zorgen industrialisering en kapitalisme voor ingrijpende
veranderingen:
1. Economische verandering
o Overgang van een gevarieerde gezinseconomie naar eenzijdige
afhankelijkheid van loonarbeid.
o Proletarisering: arbeiders (ook vrouwen en kinderen) werken in
fabrieken voor loon.
o Ontstaan van de burgerij als bezitters van de productiemiddelen.
2. Demografische groei
o Verbeterde geneeskunde → minder sterfte, grotere gezinnen.
o Kolonialisme → economische expansie en versterking van het
kapitalisme.
3. Toenemende armoede en sociale kwetsbaarheid
o Gezinnen verliezen bestaansmiddelen wanneer er geen werk is.
o Vorming van een grote arme klasse (paupers / classe laborieuse),
gezien als “gevaarlijke klasse” → begin van criminalisering van
armoede.
4. Modernisering van politiek en samenleving
o Einde van het ancien régime → ontstaan van moderne natiestaten,
parlementen, ministers.
5. Veranderend kindbeeld
o Afnemende kindersterfte → kinderen krijgen hogere emotionele en
sociale waarde.
o Burgerlijke kinderen krijgen onderwijs; arbeiderskinderen werken in
fabrieken/mijnen.
o Opkomst van filantropische kinderbeschermingsbewegingen (bv.
Child-Save Movement).
Het Gevolg voor jeugdcriminaliteit was hierbij:
, voor het eerst wordt jeugdcriminaliteit gezien als iets anders dan
criminaliteit door volwassenen
waardoor op het einde van de 19de eeuw een juridische apartstelling
ontstaat.
Welke vier ontwikkelingen lagen aan de basis van de juridische
apartstelling van minderjarige delinquenten tegen het einde van de
19de eeuw?
1. Ontdekking van jeugdcriminaliteit via statistieken
Vanaf ca. 1830 tonen de eerste criminaliteitsstatistieken dat kinderen en
jongeren een aparte groep vormen binnen de criminaliteit.
→ Hierdoor ontstaat het besef dat zij anders moeten worden behandeld.
→ Jongeren worden eerst penitentiair apart gezet (aparte
afdelingen/gevangenissen), wat later leidt tot juridische apartstelling.
2. Sociale enquêtes en ontdekking van risicomilieus
Filantropen en vroege sociologen tonen aan dat veel delinquentie samenhangt
met het sociale milieu (classe laborieuse → classe dangereuse).
→ Slechte opvoeding en leefomstandigheden worden gezien als criminogene
factoren.
→ Dit rechtvaardigt vroegtijdige interventie en heropvoeding van kinderen uit
“risicomilieus”.
3. Nieuwe visie: van straffen naar heropvoeden
Met het Napoleontisch strafwetboek komt het idee van het oordeel des
onderscheids: niet elk kind is volledig verantwoordelijk.
→ Strafrecht wordt geïndividualiseerd en krijgt een pedagogische insteek.
→ Men wil recidive voorkomen door preventie en heropvoeding, vaak in
instellingen.
→ Dit ondersteunt het idee dat minderjarigen niet als volwassenen berecht
mogen worden.
4. Child-saving bewegingen
Filantropische bewegingen streven voor bescherming en begeleiding van
kwetsbare kinderen.
→ Zij willen wettelijke hervorming en creëren opvang- en hulpstructuren.
→ Hun focus op het “redden” van het individuele kind versterkt de nood aan een
apart jeugdsysteem, gericht op hulp en moraliteit.
Leg me het Sociaal verweer denken uit aan het einde van de 19de eeuw
met invloed op apartstelling van minderjarigen?
,Aan het einde van de negentiende eeuw krijgt het sociaal verweer denken grote
invloed, en de wet van 1912 (wet op de kinderbescherming) wordt vaak
beschouwd als dé sociaal-verweerwet bij uitstek.
Hierbij verschuift de aandacht van schuld naar gevaar.
Waar het klassieke strafrecht uitging van een rationele dader die gestraft moest
worden als vergelding, bracht de opkomende criminologie (met figuren als
Lombroso) een nieuw mensbeeld naar voren: de delinquent als “homo criminalis”
iemand die door aanleg of omgeving een risico vormt voor de
samenleving.
In die logica verliest straf haar klassieke functie, en komt de nadruk te liggen op
bescherming van de maatschappij, preventie en heropvoeding.
Sociaal verweer wordt zo een juridische stroming die pleit voor andere
maatregelen dan straf, gericht op controle, preventie en neutralisering.
Dit gedachtegoed beïnvloedt het jeugdrecht sterk en vormt een belangrijk
fundament voor de aparte behandeling van minderjarigen in de wet van
1912.
waarom is de kinderbeschermingswet (KBW) van 1912 sociaal verweer?
De Kinderbeschermingswet van 1912 is een typisch voorbeeld van sociaal
verweer omdat zij niet vertrekt vanuit het klassieke strafrechtelijke principe dat
iemand alleen mag worden gestraft op basis van een vooraf strafbaar gestelde
daad
- maar vanuit het idee dat de maatschappij moet worden beschermd tegen
risico’s die kinderen en jongeren kunnen vormen.
- In plaats van de daad centraal te stellen, kijkt de wet naar het gevaar: het
milieu waarin een kind opgroeit, zijn opvoedingssituatie of zijn vermeende
morele ontwikkeling.
De jeugdrechter krijgt daardoor de bevoegdheid om maatregelen op te leggen
die niets met schuld of proportionaliteit te maken hebben, maar alles met
preventie, heropvoeding en neutralisering.
De maatregel wordt dus afgestemd op het kind als individu, niet op de ernst van
het feit.
Dit doorbreekt klassieke beginselen zoals proportionaliteit, gelijkheid en
legaliteit en vervangt ze door een sterk geïndividualiseerde
beschermingslogica.
Verschuiving van straf naar bescherming tegen gevaar
maakt dat de wet van 1912 als een sociaal-verweerwet wordt gezien.
Leg me de wet van 5 mei 1912 uit op KB?
De Wet van 15 mei 1912 was de eerste Belgische kinderbeschermingswet en
vormt het begin van een eigenstandig jeugdrecht (ius sui generis).
, Het jeugdrecht werd een apart rechtssysteem, met eigen begrippen,
procedures en een kinderrechter die maatregelen kon opleggen.
Het uitgangspunt was het sociaal verweer denken: delinquent gedrag bij
volwassenen zou al “in de kiem” aanwezig zijn bij kinderen.
- Daarom moet de overheid vroeg ingrijpen om de maatschappij te
beschermen én het kind te “redden”
- Het “belang van het kind” legitimeerde ingrijpende maatregelen zoals
uithuisplaatsing — al werd dat belang bepaald door rechter en experts,
niet door het kind zelf.
- De wet voorzag geen vrijwillige hulpverlening.
- alle interventies gebeurden via de kinderrechter, altijd onder gerechtelijk
mandaat.
Kinderen onder 16 jaar konden juridisch geen misdrijf plegen.
→ Ze moesten worden beschouwd als onschuldig (geen schuld, geen straf).
→ De kinderrechter kon dus geen straffen opleggen, enkel maatregelen met een
heropvoedend karakter.
De wet van 1912 somde vijf categorieën kinderen op waarvoor de kinderrechter
kon ingrijpen:
1. Misdrijf omschreven feiten (MOF) – tot 16 jaar
Geen straf, enkel maatregelen. Geen oordeel des onderscheids meer
nodig: elke jongere onder 16 werd als juridisch onverantwoordelijk
beschouwd.
2. Wangedrag – tot 18 jaar
Ouders konden hun eigen kind “aanklagen” (ouderlijke klacht) wanneer het
lastig of ongehoorzaam was.
3. Prostitutie, ontucht, bedelarij of gedragingen die daartoe kunnen leiden –
tot 16 jaar
Dit is de 19de-eeuwse voorloper van predelinquentie.
4. Landlopers en bedelaars – tot 18 jaar
Jongeren zonder vaste woonplaats of middelen konden worden
opgenomen.
5. Leerplichtovertredingen – 6 tot 14 jaar
Schoolverzuim werd gezien als een risico voor moreel en sociaal verval.
Wat is de figuur van de “jeugddelinquent” in 1912 ?
De figuur van de jeugddelinquent kan begrepen worden als een reeks Russische
poppetjes: een harde kern met daar omheen steeds bredere lagen.
- In de kern bevind zich de minderjarige die daadwerkelijk het misdrijf heeft
gepleegd
Les 1: Historische inleiding -> waarom apart jeugdrecht?
Wat zijn de Fundamentele MY veranderingen in de context van de 19de
eeuw?
In de 19de eeuw zorgen industrialisering en kapitalisme voor ingrijpende
veranderingen:
1. Economische verandering
o Overgang van een gevarieerde gezinseconomie naar eenzijdige
afhankelijkheid van loonarbeid.
o Proletarisering: arbeiders (ook vrouwen en kinderen) werken in
fabrieken voor loon.
o Ontstaan van de burgerij als bezitters van de productiemiddelen.
2. Demografische groei
o Verbeterde geneeskunde → minder sterfte, grotere gezinnen.
o Kolonialisme → economische expansie en versterking van het
kapitalisme.
3. Toenemende armoede en sociale kwetsbaarheid
o Gezinnen verliezen bestaansmiddelen wanneer er geen werk is.
o Vorming van een grote arme klasse (paupers / classe laborieuse),
gezien als “gevaarlijke klasse” → begin van criminalisering van
armoede.
4. Modernisering van politiek en samenleving
o Einde van het ancien régime → ontstaan van moderne natiestaten,
parlementen, ministers.
5. Veranderend kindbeeld
o Afnemende kindersterfte → kinderen krijgen hogere emotionele en
sociale waarde.
o Burgerlijke kinderen krijgen onderwijs; arbeiderskinderen werken in
fabrieken/mijnen.
o Opkomst van filantropische kinderbeschermingsbewegingen (bv.
Child-Save Movement).
Het Gevolg voor jeugdcriminaliteit was hierbij:
, voor het eerst wordt jeugdcriminaliteit gezien als iets anders dan
criminaliteit door volwassenen
waardoor op het einde van de 19de eeuw een juridische apartstelling
ontstaat.
Welke vier ontwikkelingen lagen aan de basis van de juridische
apartstelling van minderjarige delinquenten tegen het einde van de
19de eeuw?
1. Ontdekking van jeugdcriminaliteit via statistieken
Vanaf ca. 1830 tonen de eerste criminaliteitsstatistieken dat kinderen en
jongeren een aparte groep vormen binnen de criminaliteit.
→ Hierdoor ontstaat het besef dat zij anders moeten worden behandeld.
→ Jongeren worden eerst penitentiair apart gezet (aparte
afdelingen/gevangenissen), wat later leidt tot juridische apartstelling.
2. Sociale enquêtes en ontdekking van risicomilieus
Filantropen en vroege sociologen tonen aan dat veel delinquentie samenhangt
met het sociale milieu (classe laborieuse → classe dangereuse).
→ Slechte opvoeding en leefomstandigheden worden gezien als criminogene
factoren.
→ Dit rechtvaardigt vroegtijdige interventie en heropvoeding van kinderen uit
“risicomilieus”.
3. Nieuwe visie: van straffen naar heropvoeden
Met het Napoleontisch strafwetboek komt het idee van het oordeel des
onderscheids: niet elk kind is volledig verantwoordelijk.
→ Strafrecht wordt geïndividualiseerd en krijgt een pedagogische insteek.
→ Men wil recidive voorkomen door preventie en heropvoeding, vaak in
instellingen.
→ Dit ondersteunt het idee dat minderjarigen niet als volwassenen berecht
mogen worden.
4. Child-saving bewegingen
Filantropische bewegingen streven voor bescherming en begeleiding van
kwetsbare kinderen.
→ Zij willen wettelijke hervorming en creëren opvang- en hulpstructuren.
→ Hun focus op het “redden” van het individuele kind versterkt de nood aan een
apart jeugdsysteem, gericht op hulp en moraliteit.
Leg me het Sociaal verweer denken uit aan het einde van de 19de eeuw
met invloed op apartstelling van minderjarigen?
,Aan het einde van de negentiende eeuw krijgt het sociaal verweer denken grote
invloed, en de wet van 1912 (wet op de kinderbescherming) wordt vaak
beschouwd als dé sociaal-verweerwet bij uitstek.
Hierbij verschuift de aandacht van schuld naar gevaar.
Waar het klassieke strafrecht uitging van een rationele dader die gestraft moest
worden als vergelding, bracht de opkomende criminologie (met figuren als
Lombroso) een nieuw mensbeeld naar voren: de delinquent als “homo criminalis”
iemand die door aanleg of omgeving een risico vormt voor de
samenleving.
In die logica verliest straf haar klassieke functie, en komt de nadruk te liggen op
bescherming van de maatschappij, preventie en heropvoeding.
Sociaal verweer wordt zo een juridische stroming die pleit voor andere
maatregelen dan straf, gericht op controle, preventie en neutralisering.
Dit gedachtegoed beïnvloedt het jeugdrecht sterk en vormt een belangrijk
fundament voor de aparte behandeling van minderjarigen in de wet van
1912.
waarom is de kinderbeschermingswet (KBW) van 1912 sociaal verweer?
De Kinderbeschermingswet van 1912 is een typisch voorbeeld van sociaal
verweer omdat zij niet vertrekt vanuit het klassieke strafrechtelijke principe dat
iemand alleen mag worden gestraft op basis van een vooraf strafbaar gestelde
daad
- maar vanuit het idee dat de maatschappij moet worden beschermd tegen
risico’s die kinderen en jongeren kunnen vormen.
- In plaats van de daad centraal te stellen, kijkt de wet naar het gevaar: het
milieu waarin een kind opgroeit, zijn opvoedingssituatie of zijn vermeende
morele ontwikkeling.
De jeugdrechter krijgt daardoor de bevoegdheid om maatregelen op te leggen
die niets met schuld of proportionaliteit te maken hebben, maar alles met
preventie, heropvoeding en neutralisering.
De maatregel wordt dus afgestemd op het kind als individu, niet op de ernst van
het feit.
Dit doorbreekt klassieke beginselen zoals proportionaliteit, gelijkheid en
legaliteit en vervangt ze door een sterk geïndividualiseerde
beschermingslogica.
Verschuiving van straf naar bescherming tegen gevaar
maakt dat de wet van 1912 als een sociaal-verweerwet wordt gezien.
Leg me de wet van 5 mei 1912 uit op KB?
De Wet van 15 mei 1912 was de eerste Belgische kinderbeschermingswet en
vormt het begin van een eigenstandig jeugdrecht (ius sui generis).
, Het jeugdrecht werd een apart rechtssysteem, met eigen begrippen,
procedures en een kinderrechter die maatregelen kon opleggen.
Het uitgangspunt was het sociaal verweer denken: delinquent gedrag bij
volwassenen zou al “in de kiem” aanwezig zijn bij kinderen.
- Daarom moet de overheid vroeg ingrijpen om de maatschappij te
beschermen én het kind te “redden”
- Het “belang van het kind” legitimeerde ingrijpende maatregelen zoals
uithuisplaatsing — al werd dat belang bepaald door rechter en experts,
niet door het kind zelf.
- De wet voorzag geen vrijwillige hulpverlening.
- alle interventies gebeurden via de kinderrechter, altijd onder gerechtelijk
mandaat.
Kinderen onder 16 jaar konden juridisch geen misdrijf plegen.
→ Ze moesten worden beschouwd als onschuldig (geen schuld, geen straf).
→ De kinderrechter kon dus geen straffen opleggen, enkel maatregelen met een
heropvoedend karakter.
De wet van 1912 somde vijf categorieën kinderen op waarvoor de kinderrechter
kon ingrijpen:
1. Misdrijf omschreven feiten (MOF) – tot 16 jaar
Geen straf, enkel maatregelen. Geen oordeel des onderscheids meer
nodig: elke jongere onder 16 werd als juridisch onverantwoordelijk
beschouwd.
2. Wangedrag – tot 18 jaar
Ouders konden hun eigen kind “aanklagen” (ouderlijke klacht) wanneer het
lastig of ongehoorzaam was.
3. Prostitutie, ontucht, bedelarij of gedragingen die daartoe kunnen leiden –
tot 16 jaar
Dit is de 19de-eeuwse voorloper van predelinquentie.
4. Landlopers en bedelaars – tot 18 jaar
Jongeren zonder vaste woonplaats of middelen konden worden
opgenomen.
5. Leerplichtovertredingen – 6 tot 14 jaar
Schoolverzuim werd gezien als een risico voor moreel en sociaal verval.
Wat is de figuur van de “jeugddelinquent” in 1912 ?
De figuur van de jeugddelinquent kan begrepen worden als een reeks Russische
poppetjes: een harde kern met daar omheen steeds bredere lagen.
- In de kern bevind zich de minderjarige die daadwerkelijk het misdrijf heeft
gepleegd