Samenvatting Internationale betrekkingen – prof.
Criekemans. 2025 - 2026
Hoofdstuk 1. Inleiding tot internationale
betrekkingen
Deel 1: Introductie tot Internationale Betrekkingen
De cursus start met een algemene kennismaking met internationale
betrekkingen (IB), waarbij actuele internationale politieke gebeurtenissen
worden besproken om de voorkennis van studenten te peilen1.
Deel 2: Basisconcepten in de Internationale Betrekkingen
Hier worden de kernbegrippen van IB geïntroduceerd:
Anarchie: de afwezigheid van een centrale politieke autoriteit in het
internationale systeem, wat niet per se chaos betekent.
Macht: het vermogen om andere actoren te beïnvloeden, gebaseerd
op ‘materiële middelen’ zoals economische, militaire en politieke
capaciteiten.
Balance of Power (Machtsbalans): een evenwicht tussen staten,
historisch gezien het resultaat van diplomatie en volgens structurele
realisten een natuurlijke neiging van het systeem.
Interdependentie: wederzijdse beïnvloeding tussen staten, die
symmetrisch of asymmetrisch kan zijn.
Globalisering: een multidimensionaal proces van toenemende
verbondenheid, waarbij levens steeds meer worden beïnvloed door
gebeurtenissen ver weg. Definities benadrukken onder andere ‘de-
territorialisatie’ en tegelijkertijd processen van ‘re-territorialisatie’
zoals opkomst van micro-regio’s en macro-regionale entiteiten naast
staten789.
Soeverniteit: staten hebben macht over hun eigen staat, er is geen
hoger gezag.
Dimensies globalisatie:
- Technologie: vb. internet, AI, digitalisering
- Economie: vb. wereldhandel; global value chains (apple produceert
in Azië)
- Cultureel: vb. wereldwijde verspreiding van muziek, mode en taal
- Politiek: vb. internationale samenwerking via EU, VN, WTO
1
,Deel 3: Historische Context en Theoretische Debatten in IR
De ontwikkeling van internationale betrekkingen wordt gekaderd binnen
vier grote debatten:
1. Idealism vs Realism (voor en na WO I): Idealisten leggen de
nadruk op internationale wetgeving, samenwerking en vrede, terwijl
realisten focussen op machtsstrijd, veiligheid en conflict.
2. Science vs Traditionalism (jaren 1960): Traditionele
benaderingen richten zich op begrip en historische kennis, terwijl
behavioristen streven naar wetenschappelijke verklaringen met
hypotheses en data.
3. Interparadigm Debate (jaren 70 en 80): De tegenstelling tussen
Realisme/Neorealisme en Liberalisme/Neoliberalisme, met daarnaast
een kritische blik door neo-marxisme met focus op kapitalisme en
afhankelijkheid.
4. Vierde debat (jaren 80 en 90 tot heden): Nieuwe stemmen
zoals post-positivisme en internationale maatschappij worden
toegevoegd, waarbij het verschil tussen positivisme (wetenschap
gebaseerd op observeerbare feiten) en post-positivisme
(interpreterende benaderingen) centraal staat.
Belangrijke Theoretische Stromingen
Neorealisme (Kenneth Waltz): het internationale systeem is
anarchistisch en bestaat uit staten met verschillende
machtsverhoudingen die streven naar evenwicht en behoud van
autonomie.
Neoliberalisme: benadrukt interdependentie, internationale
instellingen en samenwerking tussen staten, evenals de rol van
democratieën in het handhaven van vrede.
Conceptuele Verduidelijkingen
Tot slot worden enkele fundamentele concepten nader gedefinieerd:
Staat: een territoriale eenheid met een stabiele bevolking en
overheid, die het monopolie bezit op legitiem geweld en erkend
wordt door andere staten.
Nationaal belang: datgene wat het belangrijkst is voor de staat,
met overleving als hoogste prioriteit.
Diplomatie, Hybrid Warfare, Containment,
Encirclement: voorbeelden van strategieën en beleidsinstrumenten
in internationale betrekkingen.
Conclusie
Internationale betrekkingen zijn een complex veld waarin historische
context, macht, samenwerking en conflicten centraal staan. De discipline
2
, wordt gekenmerkt door verschillende theoretische perspectieven die elk
unieke inzichten bieden in het functioneren van
wereldpolitiek. Globalisering en interdependentie veranderen de dynamiek
tussen staten, terwijl fundamentele concepten als anarchie en
soevereiniteit blijven bepalen hoe staten opereren binnen het
internationale systeem
Hoofdstuk 2. Evolutie van het internationaal
systeem sinds 1648
I. De Staat: Relatief Nieuw op het Wereldtoneel
Middeleeuwen: De staat bestond nog niet als politiek concept;
handel werd voornamelijk georganiseerd via netwerken zoals de
Hanzeatische Liga.
Vrede van Westfalen (1648): Wordt vaak gezien als het begin van
de moderne staat. Westfaalse soevereiniteit berust op twee pijlers:
territoriale grenzen met juridische erkenning en het verbod op
inmenging van externe actoren in binnenlandse aangelegenheden.
Nationale Eenwording: Voorbeelden zoals de Duitse eenwording
(Zollverein 1840, Duitse Rijk 1871) en de Italiaanse eenwording
(Risorgimento 1861) illustreren de consolidatie van staten in de 19e
eeuw.
Amerikaanse Vorming: Het concept van ‘Manifest Destiny’ (1776-
1861) en de Monroe Doctrine (1823) benadrukken de groeiende
politieke invloed van de VS in hun regio.
20e Eeuw: Europese allianties en conflicten, zoals de Frans-
Pruisische Oorlog en de ‘Oosterse Vraag’, markeren de complexiteit
van het internationale systeem.
Koude Oorlog en Sovjet-Unie: Gorbatsjov’s hervormingen
(‘Glasnost’ en ‘Perestrojka’) probeerden economische stagnatie en
technologische achterstand te bestrijden, met uiteindelijk het
uiteenvallen van de USSR in 1991 als gevolg. Dit leidde tot de
oprichting van de Gemenebest van Onafhankelijke Staten (GOS).
II. Globalisering en De-territorialisatie versus Re-territorialisatie
3
Criekemans. 2025 - 2026
Hoofdstuk 1. Inleiding tot internationale
betrekkingen
Deel 1: Introductie tot Internationale Betrekkingen
De cursus start met een algemene kennismaking met internationale
betrekkingen (IB), waarbij actuele internationale politieke gebeurtenissen
worden besproken om de voorkennis van studenten te peilen1.
Deel 2: Basisconcepten in de Internationale Betrekkingen
Hier worden de kernbegrippen van IB geïntroduceerd:
Anarchie: de afwezigheid van een centrale politieke autoriteit in het
internationale systeem, wat niet per se chaos betekent.
Macht: het vermogen om andere actoren te beïnvloeden, gebaseerd
op ‘materiële middelen’ zoals economische, militaire en politieke
capaciteiten.
Balance of Power (Machtsbalans): een evenwicht tussen staten,
historisch gezien het resultaat van diplomatie en volgens structurele
realisten een natuurlijke neiging van het systeem.
Interdependentie: wederzijdse beïnvloeding tussen staten, die
symmetrisch of asymmetrisch kan zijn.
Globalisering: een multidimensionaal proces van toenemende
verbondenheid, waarbij levens steeds meer worden beïnvloed door
gebeurtenissen ver weg. Definities benadrukken onder andere ‘de-
territorialisatie’ en tegelijkertijd processen van ‘re-territorialisatie’
zoals opkomst van micro-regio’s en macro-regionale entiteiten naast
staten789.
Soeverniteit: staten hebben macht over hun eigen staat, er is geen
hoger gezag.
Dimensies globalisatie:
- Technologie: vb. internet, AI, digitalisering
- Economie: vb. wereldhandel; global value chains (apple produceert
in Azië)
- Cultureel: vb. wereldwijde verspreiding van muziek, mode en taal
- Politiek: vb. internationale samenwerking via EU, VN, WTO
1
,Deel 3: Historische Context en Theoretische Debatten in IR
De ontwikkeling van internationale betrekkingen wordt gekaderd binnen
vier grote debatten:
1. Idealism vs Realism (voor en na WO I): Idealisten leggen de
nadruk op internationale wetgeving, samenwerking en vrede, terwijl
realisten focussen op machtsstrijd, veiligheid en conflict.
2. Science vs Traditionalism (jaren 1960): Traditionele
benaderingen richten zich op begrip en historische kennis, terwijl
behavioristen streven naar wetenschappelijke verklaringen met
hypotheses en data.
3. Interparadigm Debate (jaren 70 en 80): De tegenstelling tussen
Realisme/Neorealisme en Liberalisme/Neoliberalisme, met daarnaast
een kritische blik door neo-marxisme met focus op kapitalisme en
afhankelijkheid.
4. Vierde debat (jaren 80 en 90 tot heden): Nieuwe stemmen
zoals post-positivisme en internationale maatschappij worden
toegevoegd, waarbij het verschil tussen positivisme (wetenschap
gebaseerd op observeerbare feiten) en post-positivisme
(interpreterende benaderingen) centraal staat.
Belangrijke Theoretische Stromingen
Neorealisme (Kenneth Waltz): het internationale systeem is
anarchistisch en bestaat uit staten met verschillende
machtsverhoudingen die streven naar evenwicht en behoud van
autonomie.
Neoliberalisme: benadrukt interdependentie, internationale
instellingen en samenwerking tussen staten, evenals de rol van
democratieën in het handhaven van vrede.
Conceptuele Verduidelijkingen
Tot slot worden enkele fundamentele concepten nader gedefinieerd:
Staat: een territoriale eenheid met een stabiele bevolking en
overheid, die het monopolie bezit op legitiem geweld en erkend
wordt door andere staten.
Nationaal belang: datgene wat het belangrijkst is voor de staat,
met overleving als hoogste prioriteit.
Diplomatie, Hybrid Warfare, Containment,
Encirclement: voorbeelden van strategieën en beleidsinstrumenten
in internationale betrekkingen.
Conclusie
Internationale betrekkingen zijn een complex veld waarin historische
context, macht, samenwerking en conflicten centraal staan. De discipline
2
, wordt gekenmerkt door verschillende theoretische perspectieven die elk
unieke inzichten bieden in het functioneren van
wereldpolitiek. Globalisering en interdependentie veranderen de dynamiek
tussen staten, terwijl fundamentele concepten als anarchie en
soevereiniteit blijven bepalen hoe staten opereren binnen het
internationale systeem
Hoofdstuk 2. Evolutie van het internationaal
systeem sinds 1648
I. De Staat: Relatief Nieuw op het Wereldtoneel
Middeleeuwen: De staat bestond nog niet als politiek concept;
handel werd voornamelijk georganiseerd via netwerken zoals de
Hanzeatische Liga.
Vrede van Westfalen (1648): Wordt vaak gezien als het begin van
de moderne staat. Westfaalse soevereiniteit berust op twee pijlers:
territoriale grenzen met juridische erkenning en het verbod op
inmenging van externe actoren in binnenlandse aangelegenheden.
Nationale Eenwording: Voorbeelden zoals de Duitse eenwording
(Zollverein 1840, Duitse Rijk 1871) en de Italiaanse eenwording
(Risorgimento 1861) illustreren de consolidatie van staten in de 19e
eeuw.
Amerikaanse Vorming: Het concept van ‘Manifest Destiny’ (1776-
1861) en de Monroe Doctrine (1823) benadrukken de groeiende
politieke invloed van de VS in hun regio.
20e Eeuw: Europese allianties en conflicten, zoals de Frans-
Pruisische Oorlog en de ‘Oosterse Vraag’, markeren de complexiteit
van het internationale systeem.
Koude Oorlog en Sovjet-Unie: Gorbatsjov’s hervormingen
(‘Glasnost’ en ‘Perestrojka’) probeerden economische stagnatie en
technologische achterstand te bestrijden, met uiteindelijk het
uiteenvallen van de USSR in 1991 als gevolg. Dit leidde tot de
oprichting van de Gemenebest van Onafhankelijke Staten (GOS).
II. Globalisering en De-territorialisatie versus Re-territorialisatie
3