Bedrijfsonderzoek is een georganiseerde, systematische, op data gebaseerde en objectieve
zoektocht naar oplossingen voor specifieke problemen op de werkplek. Het biedt de nodige
informatie om managers te helpen gefundeerde beslissingen te nemen.
Typen Onderzoek: Er zijn twee hoofdcategorieën:
1. Toegepast onderzoek (Applied research): Dit is gericht op het oplossen van een
actueel probleem waar een manager in de praktijk tegenaan loopt en dat een tijdige
oplossing vereist.
2. Fundamenteel onderzoek (Basic of fundamental research): Dit heeft als doel om
algemene kennis te genereren over hoe problemen in organisaties opgelost kunnen
worden en om theorieën te bouwen. Deze kennis wordt vaak later door organisaties
toegepast.
• Ethiek in Onderzoek: Ethiek verwijst naar een gedragscode of maatschappelijke normen
tijdens het uitvoeren van onderzoek. Dit geldt voor de opdrachtgevers, de onderzoekers en de
respondenten. Ethisch gedrag moet in elke stap van het proces aanwezig zijn, van de
dataverzameling tot de rapportage. VB: Hoe correspondenten behandelen, bronnen met
professionele/politieke linken, schending privacy, informed consent ontbreken, etc…
,Hoofdstuk 2: De Kenmerken van Wetenschappelijk Onderzoek
Wetenschappelijk onderzoek onderscheidt zich door acht specifieke kenmerken, ook wel de
"hallmarks" genoemd, die zorgen voor een rigoureuze en doelgerichte aanpak
1. Doelgerichtheid (Purposiveness): Onderzoek begint met een specifiek doel of een duidelijke
focus, zoals het oplossen van een specifiek organisatorisch probleem
2. Rigoureusheid (Rigor): Dit houdt in dat het onderzoek rust op een goede theoretische basis
en een zorgvuldig uitgevoerde methodologie om bias te minimaliseren
3. Toetsbaarheid (Testability): Wetenschappelijk onderzoek maakt gebruik van hypothesen die
empirisch getoetst kunnen worden om te zien of de data de theorie ondersteunen
4. Repliceerbaarheid (Replicability): De bevindingen moeten herhaalbaar zijn; als hetzelfde
onderzoek onder vergelijkbare omstandigheden wordt herhaald, moeten de resultaten hetzelfde
zijn
5. Precisie en Vertrouwen (Precision and Confidence): Precisie verwijst naar hoe dicht de
bevindingen de realiteit benaderen, terwijl vertrouwen de waarschijnlijkheid is dat de
schattingen correct zijn (meestal een betrouwbaarheidsniveau van 95%)
6. Objectiviteit (Objectivity): Conclusies moeten gebaseerd zijn op feitelijke resultaten uit de
data-analyse en niet op subjectieve of emotionele waarden van de onderzoeker
7. Generaliseerbaarheid (Generalizability): Dit is de mate waarin de resultaten van een
onderzoek in één setting ook van toepassing zijn op andere organisatorische contexten
8. Spaarzaamheid (Parsimony): Een eenvoudig model dat een probleem e iciënt verklaart,
geniet de voorkeur boven een complex model met een onbeheersbaar aantal variabelen
De Hypothetico-Deductieve Methode
Deze methode is een systematische aanpak om kennis te genereren en bestaat uit zeven
stappen:
- het identificeren van een breed probleemgebied
- het definiëren van een probleemstelling
- het ontwikkelen van hypothesen
- het bepalen van meetinstrumenten
- dataverzameling
- data-analyse
- interpretatie van de resultaten.
Deductie versus Inductie: Wetenschappelijk onderzoek gebruikt vaak deductieve redenering
(van algemeen naar specifiek) om theorieën te testen. Inductieve redenering werkt in de
tegenovergestelde richting: het observeren van specifieke fenomenen om tot algemene
conclusies of theorieën te komen. In de praktijk worden beide processen vaak iteratief gebruikt.
, Alternatieve Onderzoeksbenaderingen
Onderzoekers verschillen in hun overtuigingen over de aard van de werkelijkheid (ontologie) en
hoe we kennis vergaren (epistemologie). De drie belangrijkste alternatieven (naast
pragmatisme) zijn:
Positivisme: Positivisten geloven dat er een objectieve waarheid is die wetenschappelijk
blootgelegd kan worden om de wereld te voorspellen en te controleren. Zij hechten veel waarde
aan rigoureuze, kwantitatieve experimenten en deductie. Klemtoom op oorzaak gevolg relaties.
Neo positivisme: er bestaat een externe werkelijkheid die bestudeerd kan worden.
Constructivisme/interpretivisme: Deze benadering stelt dat de wereld mentaal
geconstrueerd is door interacties. Constructionisten zoeken niet naar een objectieve waarheid,
maar proberen te begrijpen hoe mensen hun wereld interpreteren, vaak via kwalitatieve
methoden. Constante staat van herziening. Verwerpt empirie als bron van kennis.
Kritisch Realisme: Dit is een tussenpositie die gelooft in een externe realiteit (objectieve
waarheid), maar erkent dat onze waarnemingen daarvan altijd imperfect en subjectief zijn. Zij
pleiten voor triangulatie (het gebruik van meerdere methoden) om een beter beeld van de
werkelijkheid te krijgen. Theorie kan niet bewezen worden, wel getoetst en gefalsifieerd.
Pragmatisme: Geen specifieke positie omtrent onderzoek. Zowel objectieve als subjectieve
fenomen kunnen nuttige kennis opleveren. Huidige waarheid is tijdelijk en kan veranderen.
Soorten onderzoek:
1. Kwantitatief: Deductieve benadering m.b.t. tot relatie theorie en onderzoek, nadruk op
testen en van theorieën. Positivisme
2. Kwalitatief: Inductieve benadering m.b.t. tot relatie theorie en onderzoek, nadruk op
genereren van nieuwe theorieën. Constructionisme.
Analogie voor de Hypothetico-Deductieve Methode: Stel je voor dat je een detective bent die
een misdaad oplost. Je begint met een breed probleem (de diefstal), stelt een specifieke theorie
op over wie het gedaan heeft (de hypothese), verzamelt bewijsmateriaal (dataverzameling) en
analyseert de vingerafdrukken (data-analyse). Alleen als al het bewijs in de richting van je
verdachte wijst, trek je de conclusie dat je theorie klopt. Als het bewijs niet past, moet je je
theorie aanpassen en opnieuw beginnen.