& HISTO
MEERKEUZEVRAGEN
VRAAG 1
Antwoord A = juist
Het is altijd heel belangrijk dat het juiste antwoord, in ALLE situaties juist is.
Bv. als je botox inspuit, dan gaat het telodendria kapot en in verloop van tijd groeien er meerdere uit
of het groeit in de juiste richting, dus het is regenereer baar. Het telodendria kan ook weer verdwijnen
en is dan niet meer regenereerbaar. Zoals in de vraag gesteld is het in alle condities genereerbaar, dit
is NIET juist. => fout
Antwoord B = fout
Denk aan myeline, stel dat myeline naar de kloten is, dan zal dit inderdaad vertragen. Het maakt eig.
niet uit in welk zenuwstelsel dit is. => waar
Antwoord C = fout
Een cytopempsis activiteit = een cel zal een stof opnemen en doorheen de cel transporteren en aan de
andere kant afgeven. De niertubulus doet niets anders. Je moet ionen opnemen in de cel en je moet
ze terug afgeven aan het bloed.
Antwoord D = fout
Je zou kunnen denken. Als je denkt aan een slokdarm, denk je aan een spijsverteringsstelsel en dan is
dat alleen glad spierweefsel, maar dit is eig. niet zo. (deze vraag zal niet op deze manier gevraagd
worden, want niet genoeg over gezien)
VRAAG 2
Antwoord A = juist
Er staat dus dat chloorionen in prikkelbaar weefsel niet actief getransporteerd worden. Dus we zitten
in een rustsituatie.
Als je denkt aan de evenwichtspotentiaal voor kalium dan weet je dat die onder de
rustmembraanpotentiaal gelegen is. De evenwichtspotentiaal voor natrium ligt er ver boven, want die
is pos. chloor is een passieve volger van het meest dominante ion. Het meest dominante ion in
rustmembraanpotentiaal is kalium, omdat er veel meer kaliumlekkanalen dan natriumlekkanalen zijn.
Dus de evenwichtspotentiaal voor chloor is op dat moment gelijk aan de rustmembraanpotentiaal.
Antwoord B = fout
Chloor is een passieve volger. Tijdens de repolarisatie is de hoogste kaliumconcentratie binnen. Dus als
al de deuren dan opengezet worden stroomt het naar buiten. Als chloor een passieve volger is stroomt
het mee naar buiten. Dus geen influx, maar efflux.
Antwoord C = fout
Zie tabel. De verschillen tussen bv. natrium en calciumconcentraties zijn zodanig groot, die kunnen
onmogelijk gelijk worden.
Antwoord D = fout
Dit is niet in alle condities zo. Das afhankelijk sterk afhankelijk van de ionenconcentratie van kalium,
natrium en calcium bv. in bepaalde weefsel is dit dus omgekeerd.
1
, VRAAG 5
Antwoord A = juist
Fibroblasten? Zeker, osteoclasten? Zit in bot (bind -en steunweefsel) dus ja, mastcellen? Zit in bind -en
steunweefsel, astrocyten? Das zenuwweefsel, maar wat is de functie van asterocyten in het centraal
zenuwstels? Ze hebben een belangrijke functie in verbinding bind -en steunweefsel.
Antwoord B = fout
Behoren al deze cellen tot bind -en steunweefsels? Neen, de erythrocyten niet. Dit zijn rode
bloedcellen die doen niets binnen bind -en steunweefsel.
Antwoord C = fout
Trombocyten zijn bloedpaatjes, die behoren daar dus ook niet bij.
Antwoord D = fout
Chromatoforen behoren niet tot bind -en steunweefsel. De neutrofielen zijn de cellen die en passant
in het bindweefsel zitten en behoren daar dus wel bij.
Chromatoforen die staan idd. Onder het deel van bind -en steunweefsel, maar dit zijn cellen die eigenlijk niet
tot bind -en steunweefsel functie behoren.
Dan zou je kunnen zeggen dat de leukocyten er ook niet bijhoren, die behoren er voor een stuk wel bij omdat
ze wel de afbraak van bind -en steunweefsel mee ondersteunen. Op die manier hebben ze een functionele
bijdrage tot het bind -en steunweefsel, wat de chromatoforen niet doen.
VRAAG 6
Antwoord A = juist
Antwoord B = fout
Gastrulatie is zeker een invaginatie van cellen/ cellagen die kiembladen zullen opleveren. Migratie van
cellen zou je eerst ook denken dat dit klopt voor gastrulatie, maar de celdood is een proces in de
latere fase. Differentiatie gaat vooral over cellen van celdood die differentiatie zullen opleveren. Dit
zijn eigenlijk 3 voorbeelden van groei.
Invaginatie van kiembladen, dit is een verdere ontwikkeling. Invaginatie van kiembladen krijg je eig.
doordat je een grotere celdeling hebt. Daardoor begint de ene kant sneller te delen dan de andere =
groeicomponent. Door de migratie van cellen ontstaan er extra kiembladen, waardoor dat genen
groeien. Celdood behoort ook tot groei, apoptose zorgt ervoor dat er cellen kunnen verdwijnen,
waardoor er een groter regeneratie vermogen ontstaat en de groei kan bewerkstelligd worden.
Antwoord C = fout
Antwoord D = fout
2