1. lesopbouw volgens EDI
→ EDI= expliciete directe instructie
1. Inleiding
1) voorkennis activeren
2) lesdoel
2. kern-verwerving
3) instructie (IK)
4) begeleide inoefening (WIJ - JULLIE)
5) kleine lesafsluiting (JIJ)
3. kern-verwerking
6) zelfstandige verwerking/ verlengde en verrijkte instructie
4. slot
7) grote lesafsluiting
,2. De didactische componenten
→de didactische componenten; die elementen die aan de basis liggen van een
lesontwerp en de structuur en de richting van de onderwijsleersituatie bepalen → er is
sprake van een doelbewuste aanpak; ze houden rekening met de doelen en de
beginsituatie, je zal bij de voorbereidingen nadenken over:
- leerinhouden
- onderwijsleeractiviteiten
- groeperingswijzen
- onderwijsleermiddelen
→ onderwijsleersituatie= de lessen die je voorbereidt, uitvoert en evalueert
2.1 component: DOELEN
⇒ Doel= een vooropgestelde en wenselijk geacht gedragsverandering van de leerling,
rekening houdend met de beginsituatie. De leerlingen evolueren van een toestand ‘van niet
kunnen, weten, zijn’ naar een toestand ‘van wel kunnen, weten, zijn’
→ voorbeelden:
- de leerlingen kunnen de hoofdletter H
correct schrijven
- de leerlingen kunnen gelijknamige
breuken optellen
- de leerlingen kunnen in het water
blijven drijven op de rug
,⇒ doelen bepalen:
● welke leerinhouden je gaat aanbrengen
● welke onderwijsleeractiviteiten je gaat voorzien
● welke onderwijsleermiddelen je zal gebruiken
● welke groeperingswijzen je zal hanteren
● wat je gaat evalueren
→ Het scherpstellen van de beoogde doelen biedt structuur, zowel voor de leerkracht als
voor de leerlingen.
⇒ voor de leerkracht:
- de doelen vormen de ruggengraat van de les: wat moet de lln kennen/ kunnen op
het einde van de les → rekening houdend met de beginsituatie van de lln
- fungeren de doelen als kompas tijdens het lesgeven → op welke inbreng van de lln
ga je dieper in, waar schenk je minder aandacht aan
- de doelen geven richting bij de evaluatie
⇒ voor de leerlingen:
- de lln mede-eigenaar te maken
- de lln inzicht geven in de doelen → helpt bij het terugblikken op het doel (=
zelfevaluatie): ‘Heb ik het doel bereikt?’
- de lln krijgen een beter zicht van wat er van hun verwacht wordt
- motivatie & betrokkenheid bevordert
→ de leerstof wordt betekenisvoller wanneer de lln weten waarom ze iets dienen te leren
activiteitgericht doelgericht
startfase Wat vinden de kinderen leuk? Wat wil ik kinderen leren?
proces Zijn ze lekker bezig? Leiden de activiteiten tot de beoogde
resultaten?
evaluatie Hebben ze goed gewerkt? Zijn de beoogde doelen bereikt?
, 2.2 Ontwikkeling van de hele persoon (hoofd, hart, handen)
→ goed onderwijs heeft de ontwikkeling van de hele persoon voor ogen
● (Meta) cognitieve doelen (HOOFD): kennis en intellectuele vaardigheden; kennis
over eigen kennis
➔ voorbeelden van (meta) cognitieve doelen:
- De verkeersregels en aanwijzingen van een gezagdragende figuur
begrijpen
- De eigen leerwinst juist inschatten met oog voor wat men (nieuw) heeft
geleerd, over zichzelf heeft geleerd en over wat men verder nodig heeft
● Dynamisch-affectieve doelen (HART): omgaan met gevoelens, ontwikkeling van
attitudes, waarden, interesses, sociale vaardigheden
➔ voorbeelden van dynamisch-affectieve doelen:
- De leerlingen kunnen doorzettingsvermogen tonen om een opdracht
tot een goed einde te brengen, ook als het moeilijk wordt
- Bij de rolverdeling rekening houden met specifieke talenten van groepsleden
● Psychomotorische doelen (HANDEN): beheersen van zintuiglijke, lichamelijke en
motorische vaardigheden
➔ voorbeelden van psychomotorische doelen:
- Een correcte schrijfhouding aannemen: een goede rughouding, voldoende
afstand tussen ogen en schrijfhand en een correcte pengreep
- De leerlingen kunnen in bewegingscontexten bewegingen uitvoeren volgens
het opgelegd ritme
2.3 Niveaus van doelen
→ we onderscheiden 4 soorten doelen in de praktijk, geordend in volgorde van belangrijkheid naar
en van algemeen naar specifiek