planten
Pieter Saegeman
0
,1
,Hoofdstuk 1: inleiding
1 Inleidende begrippen
Indeling in groepen
In deze cursus zullen we de belangrijkste grote plantengroepen bespreken, waaronder de mossen, de
wolfsklauwen, de varens… De meest abundante groep binnen de landplanten of embryofyten zijn de
angiospermen. Zijn nemen een dikke 70% in beslag van alle planten die het land bedekken.
De verwantschappen tussen al deze groepen visueel maken met fylogenetische bomen. Hierop zijn met
rode balkjes kenmerken / synapomorfiën aangeduid die duidelijk maken welke overgang er wordt gemaakt
bij iedere ‘evolutie’.
We kunnen planten nog verder opdelen in verschillende groepen aan de hand van bv. morfologische
kenmerken of synapomorfieën / voorouderlijk overgeërfde kenmerken. Deze groepen zijn niet altijd mooi
met elkaar gerelateerd op evolutief vlak. Zo onderscheiden we drie types van groepen:
De monofyletische groep is een groep waarvan alle organismen afstammen van één
gemeenschappelijke voorouder.
Een parafyletische groep is een groep waarin niet alle afstammelingen van een
gemeenschappelijke voorouder worden omvat. Alle leden van de groep hebben dus dezelfde
gemeenschappelijke voorouder, maar er ontbreken er die ook diezelfde voorouder hebben.
Een polyfyletische groep is een groep waarin afstammelingen van verschillende voorouders omvat
zitten. Niet ieder organisme / iedere soort heeft dezelfde voorouder.
2
, Soorten
Er zijn op de gehele wereld ongeveer 390.000 plantensoorten beschreven, waarvan 369.400 bloeiende
planten / angiospermen (zie hoofdstuk 6) zijn.
Soorten tussen verschillende groepen zijn vaak niet te vergelijken. Dit omdat de leeftijd van verschillende
groepen enorm verschilt. Sommige groepen en hun soorten zijn relatief recent ontstaan, terwijl anderen al
miljoenen jaren meegaan.
De plaats waar de meeste nieuwe soorten worden ontdekt zijn de tropische regenwouden. Hier zijn plaatsen
waar weinig mensen zijn geweest als gevolg van de dichte begroeiing. Op die plaatsen zullen er
waarschijnlijk veel nog onbekende soorten te vinden zijn.
Er zijn verschillende soortsconcepten die wetenschappers gebruiken om een soort te definiëren:
1. Het morfologisch soortsconcept maakt clusters op basis van verschillen in morfologische en
anatomische kenmerken.
2. Het biologisch soortsconcept baseert zich op het feit of organismen wel of niet nakomelingen
kunnen produceren. Maar hiermee zijn er verschillende problemen. Er bestaan evenwel
organismen die aseksueel reproduceren. Bv. Apomixis, een vorm van ongeslachtelijke
voortplanting bij planten waarbij zaden worden geproduceerd zonder bevruchting, wat resulteert
in nakomelingen die genetisch identieke klonen zijn van de moederplant. Ook kunnen we over
fossielen geen uitspraken doen over de voortplanting want we kunnen niets bewijzen. En ten slotte
kunnen hybriden / kruisingen (iets dat veel voorkomt bij planten) geen vruchtbare nakomelingen
produceren.
3. Het fylogenetisch soortsconcept is bedacht door Joel Cracraft in 1983. Hij kwam met het idee dat
een soort een monofyletische clade moet zijn. Een soort zijn dus allemaal organismen met één
gemeenschappelijke voorouder.
We hebben ook cryptische soorten. Dit zijn soorten die voor conflicten zorgen tussen de verschillende
soortsconcepten. Ze hebben bijvoorbeeld geen uiterlijke verschillen en er is dus geen morfologisch
soortsconcept, maar we kunnen aan de hand van DNA wel verschillende clades onderscheiden en er is dus
wel een fylogenetisch soortsconcept.
Soortvorming
Soortvorming kan op verschillende manieren plaatsvinden.
Allopatrische speciatie treedt op wanneer populaties van een soort geografisch van elkaar
gescheiden raken, waardoor ze zich onafhankelijk ontwikkelen en uiteindelijk verschillende
soorten worden.
Bij sympatrische speciatie ontstaat soortvorming juist zonder geografische scheiding, bijvoorbeeld
doordat individuen verschillende niches gaan gebruiken of door seksuele selectie.
3