Economisch recht: samenvatting
H1: van handelsrecht naar ondernemingsrecht
Handelaars waren volgens het Wetboek van Koophandel mensen die ‘daden van
koophandel’ uitoefende en daarvan, hoofdzakelijk of aanvullend, zijn beroep
maakt, hetgeen een winstoogmerk vereist. En dit deden ze voor eigen naam en
voor eigen rekening.
Er gelde geen specifieke criteria: Handel hoeft bv. niet openbaar te zijn (bv.
illegale handel). Ook verboden of ongeoorloofde handel telt → zodra de wettelijke
criteria vervuld zijn, is men handelaar. Geldt zelfs voor personen die handel niet
mogen drijven (bv. wegens deontologische regels).
Begin hoedanigheid (wanneer wordt je gezien als handelaar): bij aanvang van je
handelsactiviteit. Als iemand in de KBO staat ingeschreven, wordt hij
verondersteld handelaar te zijn, maar dat vermoeden kan weerlegd worden met
bewijs van het tegendeel (= weerlegbaar vermoeden).
Einde hoedanigheid: Definitieve stopzetting van de handelsactiviteiten moet
blijken naar buiten toe. Kan o.a. door verkoop of verhuur van de handelszaak.
Evolutie:
Decodificatie van het W.Kh.:
Het Wetboek van Koophandel van 1807 had de “handelaar” als centraal begrip.
In de 20ste eeuw begon een stapsgewijze decodificatie: steeds meer materies
werden uit het W.Kh. gehaald en ondergebracht in aparte wetboeken (bv.
vennootschapsrecht → WVV). Tegelijk groeide het economisch recht uit tot een
apart rechtsdomein, eerst via losse wetten, later door Europese invloed verder
versnipperd.
Codificatie van economisch recht → WER (2013):
Vanaf 2007 werd gewerkt aan een duidelijke en coherente codificatie.
De Wet van 28 februari 2013 introduceerde het Wetboek Economisch
Recht (WER).
Het WER bevat vandaag 19 boeken (oorspronkelijk 20), met regels over
o.a.: ondernemingsbegrippen, mededinging, consumentenbescherming,
betalingsdiensten, productveiligheid, commerciële contracten (Boek X),
intellectuele eigendom, insolventie enz.
Probleem: het verouderde handelaarsbegrip:
Het begrip “handelaar” uit het W.Kh. was gebaseerd op een onvolledige lijst van
“daden van koophandel”.
Gevolg: tal van economische activiteiten vielen er niet onder (landbouw,
mijnbouw, vrije beroepen).
Dit leidde tot anomalieën, bv. die ondernemingen konden niet failliet
verklaard worden.
Moderne wetgeving begon daarom het begrip “onderneming” te gebruiken
i.p.v. “handelaar”.
,Uitdoving van het handelaarsbegrip:
Bij de invoering van het WER (2013) bleef de term handelaar nog bestaan voor
o.a.:
bevoegdheid rechtbank van koophandel,
faillissementsrecht en gerechtelijke reorganisatie,
handelsbewijsrecht en hoofdelijkheid tussen handelaars.
Vanaf 2014 verloor het handelaarsbegrip verder belang (Wet Natuurlijke
Rechter). Het naast elkaar bestaan van W.Kh., WVV en WER werd steeds
onhoudbaarder → verdere integratie en hervorming was onvermijdelijk.
Hiervoor vielen vrije beroepers, landbouwers, therapeuten, … dus enkel onder
het ondernemingbegrip en niet onder het handelaarsbegrip waardoor er andere
juridische regelingen voor hen golden.
Naar een volwaardig ondernemingsrecht (2017-2019):
Hervormingen in drie fases onder Koen Geens:
Fase 1: Insolventierecht (2017)
Invoering van Boek XX WER, dat de Faillissementswet (1997) en de Wet
Continuïteit Ondernemingen (2009) vervangt.
Belangrijk: “onderneming” vervangt het oude “handelaar”-begrip.
Fase 2: Hervorming ondernemingsrecht (2018)
Handelsrecht wordt volledig opgeheven en vervangen door een
gemoderniseerd ondernemingsrecht.
Veranderingen:
o Afschaffing handelaar + handelsbewijsrecht (werd
ondernemingsbewijsrecht).
o Wetboek van Koophandel definitief afgeschaft.
o Nieuw formeel ondernemingsbegrip ingevoerd, toepasselijk op o.a.
ondernemingsrechtbank, bewijsrecht, boekhoudplicht en insolventie.
Fase 3: Vennootschaps- en verenigingsrecht (2019)
Invoering van het Wetboek van Vennootschappen en Verenigingen (WVV).
Voor het eerst vennootschaps- en verenigingsrecht samengebracht in één
wetboek.
Bevat fundamentele hervormingen van basisbegrippen.
Van rechtbank van koophandel naar ondernemingsrechtbank (2018):
Sinds 1 november 2018 heet de rechtbank van koophandel de
ondernemingsrechtbank (Orb.).
Bevoegd voor:
alle geschillen tussen of tegen ondernemingen (volgens nieuw
ondernemingsbegrip),
geschillen m.b.t. vennootschappen, verenigingen en stichtingen,
, insolventieprocedures (Boek XX WER).
Onderneming-natuurlijke personen kunnen wel aantonen dat een geschil vreemd
is aan hun beroepsactiviteit, waardoor het alsnog niet onder de
ondernemingsrechtbank valt.
Bronnen van het economische recht in België:
Internationaal en Europees recht: Verdragen, richtlijnen en verordeningen
die rechtstreeks of onrechtstreeks doorwerken in het Belgische
economisch recht (bv. CISG, EU-verordeningen).
Deze zijn er gekomen omdat partijen bij het sluiten van internationale
overeenkomsten vroeger konden kiezen welk recht ze gebruikte (van
welk land). Hierbij werd vaak voor het recht van het eigen land
gekozen omdat men dit het beste kenden en men probeerden daar dan
voordeel uit te halen.
Wetgeving: De belangrijkste formele bron, met o.a. het Wetboek
Economisch Recht (WER) en het Wetboek van Vennootschappen en
Verenigingen (WVV).
Gebruiken en gewoonten: Ongeschreven regels die in het handelsverkeer
algemeen aanvaard zijn, bv. het vermoeden van passieve hoofdelijkheid
tussen ondernemingen.
Rechtspraak: Rechterlijke uitspraken die het recht verduidelijken en
richting geven, soms met belangrijke precedenten.
Rechtsleer: Wetenschappelijke publicaties en analyses van juristen die
helpen bij de interpretatie en systematisering van het recht.
Ondernemingsrecht vs. economisch recht:
Ondernemingsrecht (in de strikte zin):
Micro-economisch
Privaatrechtelijke verhoudingen tussen ondernemingen (! belang
privaatrecht en nationaal ondernemingsrecht)
Economisch recht:
Macro-economisch
Overheidsingrijpen in de markt en sturing van de markt (markt als geheel
sturen)
Belang van supranationale normen (zie bv. art. II.1 WER)
H2: Onderneming
Ondernemingsbegrip in formele (of algemene) zin:
art. I.1, 1° WER
Iedere natuurlijke persoon die zelfstandig een beroepsactiviteit uitoefent
o ‘Zelfstandig’ <-> ‘in dienstverband’
o Kan zowel hoofdberoep als een aanvullende beroepsactiviteit zijn
o ‘Duurzaamheid’ eigen aan het begrip ‘beroepsactiviteit’
o Regelmatig besteden van tijd; oogmerk levensonderhoud/winst
o Niet voor activiteit die kadert in ‘normaal beheer privévermogen’
, Iedere rechtspersoon
o Ook ‘non-profits’ (bv. VZW en stichting)
o Uitzondering voor overheden en publiekrechtelijke rechtspersonen
(bv. Uhasselt)=> dus geen ondernemingen
o Tenzij publiekrechtelijke rechtspersoon goederen of diensten
aanbiedt op een markt (bv. de Lijn, NMBS, Proximus, …)
Iedere entiteit zonder rechtspersoonlijkheid
o Tenzij: geen winstuitkeringsoogmerk én geen effectieve uitkering
van winsten aan leden/feitelijke bestuurders
o Geen feitelijke winstuitkeringen of ‘vermomde’ winstuitkeringen
o Leden mogen wél (normale) voordelen ontlenen uit lidmaatschap
Ondernemingsbegrip in functionele zin:
Voor bepaalde boeken van het WER gelden een bijzondere, ‘functionele’ definitie
van het begrip onderneming: “elke natuurlijke persoon of rechtspersoon die op
duurzame wijze een economisch doel nastreeft, alsmede zijn verenigingen”
Duurzaam nastreven van een ‘economisch doel’
Economisch doel: aanbieden van goederen en diensten op de markt
Ontwikkeling duurzame economische activiteit
Art. I.4/1, I.6, 3°, I.7, 2°, I.8, 39°, I.19, 6°, I.20, 7° en I.21, 8°
WER
H3: enkele basisverplichtingen van en bijzondere regels voor
ondernemingen
Inschrijving in Kruispuntbank Ondernemingen (KBO)
De KBO is een centrale elektronische gegevensbank, belast met het opnemen,
het bewaren, het beheren en het ter beschikking stellen van gegevens die
betrekking hebben op de identificatie van de ondernemingen.
Het rechtspersonenregister is een deelverzameling van de KBO en omvat de
gegevens van de in de KBO geregistreerde rechtspersonen (art. I.2, 15°).
Wie moet zich inschrijven in de KBO? => Art. III.16, §1 WER: ‘geregistreerde
entiteit’ (art. I.4, 1° WER).
Wat staat erin de KBO? => Art. III.18, §1 WER
Verplichting? => Art. III.49, §1 WER: ‘inschrijvingsplichtige onderneming’ (art. I.4,
5° WER)
Verplichte inschrijving vóór aanvang activiteiten
§3: inschrijving en vermoedens
Art. III.25, eerste lid WER: verplichte vermeldingen voor inschrijvingsplichtige
ondernemingen
Ondernemingsnummer, domiciliëring, bankrekeningnummer
Facturen, brieven, orders, deurwaardersexploten, …
H1: van handelsrecht naar ondernemingsrecht
Handelaars waren volgens het Wetboek van Koophandel mensen die ‘daden van
koophandel’ uitoefende en daarvan, hoofdzakelijk of aanvullend, zijn beroep
maakt, hetgeen een winstoogmerk vereist. En dit deden ze voor eigen naam en
voor eigen rekening.
Er gelde geen specifieke criteria: Handel hoeft bv. niet openbaar te zijn (bv.
illegale handel). Ook verboden of ongeoorloofde handel telt → zodra de wettelijke
criteria vervuld zijn, is men handelaar. Geldt zelfs voor personen die handel niet
mogen drijven (bv. wegens deontologische regels).
Begin hoedanigheid (wanneer wordt je gezien als handelaar): bij aanvang van je
handelsactiviteit. Als iemand in de KBO staat ingeschreven, wordt hij
verondersteld handelaar te zijn, maar dat vermoeden kan weerlegd worden met
bewijs van het tegendeel (= weerlegbaar vermoeden).
Einde hoedanigheid: Definitieve stopzetting van de handelsactiviteiten moet
blijken naar buiten toe. Kan o.a. door verkoop of verhuur van de handelszaak.
Evolutie:
Decodificatie van het W.Kh.:
Het Wetboek van Koophandel van 1807 had de “handelaar” als centraal begrip.
In de 20ste eeuw begon een stapsgewijze decodificatie: steeds meer materies
werden uit het W.Kh. gehaald en ondergebracht in aparte wetboeken (bv.
vennootschapsrecht → WVV). Tegelijk groeide het economisch recht uit tot een
apart rechtsdomein, eerst via losse wetten, later door Europese invloed verder
versnipperd.
Codificatie van economisch recht → WER (2013):
Vanaf 2007 werd gewerkt aan een duidelijke en coherente codificatie.
De Wet van 28 februari 2013 introduceerde het Wetboek Economisch
Recht (WER).
Het WER bevat vandaag 19 boeken (oorspronkelijk 20), met regels over
o.a.: ondernemingsbegrippen, mededinging, consumentenbescherming,
betalingsdiensten, productveiligheid, commerciële contracten (Boek X),
intellectuele eigendom, insolventie enz.
Probleem: het verouderde handelaarsbegrip:
Het begrip “handelaar” uit het W.Kh. was gebaseerd op een onvolledige lijst van
“daden van koophandel”.
Gevolg: tal van economische activiteiten vielen er niet onder (landbouw,
mijnbouw, vrije beroepen).
Dit leidde tot anomalieën, bv. die ondernemingen konden niet failliet
verklaard worden.
Moderne wetgeving begon daarom het begrip “onderneming” te gebruiken
i.p.v. “handelaar”.
,Uitdoving van het handelaarsbegrip:
Bij de invoering van het WER (2013) bleef de term handelaar nog bestaan voor
o.a.:
bevoegdheid rechtbank van koophandel,
faillissementsrecht en gerechtelijke reorganisatie,
handelsbewijsrecht en hoofdelijkheid tussen handelaars.
Vanaf 2014 verloor het handelaarsbegrip verder belang (Wet Natuurlijke
Rechter). Het naast elkaar bestaan van W.Kh., WVV en WER werd steeds
onhoudbaarder → verdere integratie en hervorming was onvermijdelijk.
Hiervoor vielen vrije beroepers, landbouwers, therapeuten, … dus enkel onder
het ondernemingbegrip en niet onder het handelaarsbegrip waardoor er andere
juridische regelingen voor hen golden.
Naar een volwaardig ondernemingsrecht (2017-2019):
Hervormingen in drie fases onder Koen Geens:
Fase 1: Insolventierecht (2017)
Invoering van Boek XX WER, dat de Faillissementswet (1997) en de Wet
Continuïteit Ondernemingen (2009) vervangt.
Belangrijk: “onderneming” vervangt het oude “handelaar”-begrip.
Fase 2: Hervorming ondernemingsrecht (2018)
Handelsrecht wordt volledig opgeheven en vervangen door een
gemoderniseerd ondernemingsrecht.
Veranderingen:
o Afschaffing handelaar + handelsbewijsrecht (werd
ondernemingsbewijsrecht).
o Wetboek van Koophandel definitief afgeschaft.
o Nieuw formeel ondernemingsbegrip ingevoerd, toepasselijk op o.a.
ondernemingsrechtbank, bewijsrecht, boekhoudplicht en insolventie.
Fase 3: Vennootschaps- en verenigingsrecht (2019)
Invoering van het Wetboek van Vennootschappen en Verenigingen (WVV).
Voor het eerst vennootschaps- en verenigingsrecht samengebracht in één
wetboek.
Bevat fundamentele hervormingen van basisbegrippen.
Van rechtbank van koophandel naar ondernemingsrechtbank (2018):
Sinds 1 november 2018 heet de rechtbank van koophandel de
ondernemingsrechtbank (Orb.).
Bevoegd voor:
alle geschillen tussen of tegen ondernemingen (volgens nieuw
ondernemingsbegrip),
geschillen m.b.t. vennootschappen, verenigingen en stichtingen,
, insolventieprocedures (Boek XX WER).
Onderneming-natuurlijke personen kunnen wel aantonen dat een geschil vreemd
is aan hun beroepsactiviteit, waardoor het alsnog niet onder de
ondernemingsrechtbank valt.
Bronnen van het economische recht in België:
Internationaal en Europees recht: Verdragen, richtlijnen en verordeningen
die rechtstreeks of onrechtstreeks doorwerken in het Belgische
economisch recht (bv. CISG, EU-verordeningen).
Deze zijn er gekomen omdat partijen bij het sluiten van internationale
overeenkomsten vroeger konden kiezen welk recht ze gebruikte (van
welk land). Hierbij werd vaak voor het recht van het eigen land
gekozen omdat men dit het beste kenden en men probeerden daar dan
voordeel uit te halen.
Wetgeving: De belangrijkste formele bron, met o.a. het Wetboek
Economisch Recht (WER) en het Wetboek van Vennootschappen en
Verenigingen (WVV).
Gebruiken en gewoonten: Ongeschreven regels die in het handelsverkeer
algemeen aanvaard zijn, bv. het vermoeden van passieve hoofdelijkheid
tussen ondernemingen.
Rechtspraak: Rechterlijke uitspraken die het recht verduidelijken en
richting geven, soms met belangrijke precedenten.
Rechtsleer: Wetenschappelijke publicaties en analyses van juristen die
helpen bij de interpretatie en systematisering van het recht.
Ondernemingsrecht vs. economisch recht:
Ondernemingsrecht (in de strikte zin):
Micro-economisch
Privaatrechtelijke verhoudingen tussen ondernemingen (! belang
privaatrecht en nationaal ondernemingsrecht)
Economisch recht:
Macro-economisch
Overheidsingrijpen in de markt en sturing van de markt (markt als geheel
sturen)
Belang van supranationale normen (zie bv. art. II.1 WER)
H2: Onderneming
Ondernemingsbegrip in formele (of algemene) zin:
art. I.1, 1° WER
Iedere natuurlijke persoon die zelfstandig een beroepsactiviteit uitoefent
o ‘Zelfstandig’ <-> ‘in dienstverband’
o Kan zowel hoofdberoep als een aanvullende beroepsactiviteit zijn
o ‘Duurzaamheid’ eigen aan het begrip ‘beroepsactiviteit’
o Regelmatig besteden van tijd; oogmerk levensonderhoud/winst
o Niet voor activiteit die kadert in ‘normaal beheer privévermogen’
, Iedere rechtspersoon
o Ook ‘non-profits’ (bv. VZW en stichting)
o Uitzondering voor overheden en publiekrechtelijke rechtspersonen
(bv. Uhasselt)=> dus geen ondernemingen
o Tenzij publiekrechtelijke rechtspersoon goederen of diensten
aanbiedt op een markt (bv. de Lijn, NMBS, Proximus, …)
Iedere entiteit zonder rechtspersoonlijkheid
o Tenzij: geen winstuitkeringsoogmerk én geen effectieve uitkering
van winsten aan leden/feitelijke bestuurders
o Geen feitelijke winstuitkeringen of ‘vermomde’ winstuitkeringen
o Leden mogen wél (normale) voordelen ontlenen uit lidmaatschap
Ondernemingsbegrip in functionele zin:
Voor bepaalde boeken van het WER gelden een bijzondere, ‘functionele’ definitie
van het begrip onderneming: “elke natuurlijke persoon of rechtspersoon die op
duurzame wijze een economisch doel nastreeft, alsmede zijn verenigingen”
Duurzaam nastreven van een ‘economisch doel’
Economisch doel: aanbieden van goederen en diensten op de markt
Ontwikkeling duurzame economische activiteit
Art. I.4/1, I.6, 3°, I.7, 2°, I.8, 39°, I.19, 6°, I.20, 7° en I.21, 8°
WER
H3: enkele basisverplichtingen van en bijzondere regels voor
ondernemingen
Inschrijving in Kruispuntbank Ondernemingen (KBO)
De KBO is een centrale elektronische gegevensbank, belast met het opnemen,
het bewaren, het beheren en het ter beschikking stellen van gegevens die
betrekking hebben op de identificatie van de ondernemingen.
Het rechtspersonenregister is een deelverzameling van de KBO en omvat de
gegevens van de in de KBO geregistreerde rechtspersonen (art. I.2, 15°).
Wie moet zich inschrijven in de KBO? => Art. III.16, §1 WER: ‘geregistreerde
entiteit’ (art. I.4, 1° WER).
Wat staat erin de KBO? => Art. III.18, §1 WER
Verplichting? => Art. III.49, §1 WER: ‘inschrijvingsplichtige onderneming’ (art. I.4,
5° WER)
Verplichte inschrijving vóór aanvang activiteiten
§3: inschrijving en vermoedens
Art. III.25, eerste lid WER: verplichte vermeldingen voor inschrijvingsplichtige
ondernemingen
Ondernemingsnummer, domiciliëring, bankrekeningnummer
Facturen, brieven, orders, deurwaardersexploten, …