ondernemingsstrategie (L. Molinari en A.
Verbeke)
HOOFDSTUK 1 – INLEIDING STRATEGIE & MANAGEMENT
1. Wat is de kern van strategisch management?
A. Het optimaliseren van dagelijkse processen
B. Het realiseren van duurzame prestaties op lange termijn
C. Het maximaliseren van marktaandeel
D. Het volgen van concurrenten
2. Welke uitspraak onderscheidt strategie het duidelijkst van tactiek?
A. Strategie is gedetailleerder
B. Strategie is kortetermijngericht
C. Strategie bepaalt richting en keuzes
D. Strategie focust op uitvoering
3. Waarom zijn strategische beslissingen meestal ongestructureerd?
A. Door gebrek aan managementervaring
B. Door onvolledige en onzekere informatie
C. Door wettelijke beperkingen
D. Door operationele complexiteit
4. Wat is een belangrijk kenmerk van strategische problemen?
A. Ze zijn volledig kwantificeerbaar
B. Ze hebben één correcte oplossing
C. Ze vereisen oordeel en interpretatie
D. Ze zijn routinematig
5. Wat betekent “strategie als patroon”?
A. Strategie wordt gepland
B. Strategie ontstaat uit consistente beslissingen
C. Strategie is formeel vastgelegd
D. Strategie is toekomstgericht
6. Welke rol speelt strategie als ‘position’?
A. Interne efficiëntie verhogen
B. Plaats innemen tegenover concurrenten
C. Organisatiestructuur bepalen
D. Innovatie afdwingen
7. Wat impliceert “strategy as perspective”?
A. Marktpositionering
B. Organisatorische mindset en cultuur
C. Prijszetting
D. Concurrentieanalyse
,8. Waarom is strategisch management interdisciplinair?
A. Door marketingdominantie
B. Door combinatie van economie, sociologie en psychologie
C. Door focus op financiën
D. Door wettelijke vereisten
9. Wat is het verschil tussen strategie en beleid (policy)?
A. Geen verschil
B. Beleid vertaalt strategie naar regels
C. Strategie volgt beleid
D. Beleid is extern gericht
10. Welke uitspraak over strategie is fout?
A. Strategie vereist keuzes
B. Strategie impliceert trade-offs
C. Strategie vermijdt onzekerheid
D. Strategie is contextafhankelijk
HOOFDSTUK 2 – MISSIE, VISIE & DOELSTELLINGEN
11. Wat beschrijft een missie het best?
A. Concrete actieplannen
B. Het bestaansdoel van de organisatie
C. Financiële doelstellingen
D. De gewenste marktpositie
12. Wat onderscheidt visie van missie?
A. Visie is operationeel
B. Visie is toekomstgericht
C. Visie is wettelijk verplicht
D. Visie is intern gericht
13. Waarom zijn vage missies problematisch?
A. Ze beperken flexibiliteit
B. Ze geven onvoldoende richting
C. Ze verhogen kosten
D. Ze verminderen innovatie
14. Wat is een kenmerk van goede strategische doelstellingen?
A. Algemeen geformuleerd
B. Meetbaar en consistent
C. Kortetermijngericht
D. Afdelingsspecifiek
15. Wat betekent ‘means–ends chain’?
A. Strategie zonder doel
B. Verband tussen middelen, acties en doelen
C. Budgettering
D. Organisatiestructuur
16. Waarom kunnen conflicterende doelstellingen problematisch zijn?
A. Ze verhogen creativiteit
, B. Ze bemoeilijken implementatie
C. Ze verbeteren prestaties
D. Ze verminderen onzekerheid
17. Wat is een typisch risico van uitsluitend financiële doelstellingen?
A. Lagere winst
B. Korte-termijndenken
C. Meer stakeholderbetrokkenheid
D. Betere controle
18. Welke uitspraak over doelhiërarchieën is correct?
A. Alle doelen zijn gelijkwaardig
B. Operationele doelen ondersteunen strategische doelen
C. Strategische doelen volgen operationele doelen
D. Doelen zijn onafhankelijk
19. Waarom is consistentie tussen missie en strategie cruciaal?
A. Voor marketingdoeleinden
B. Voor geloofwaardigheid en richting
C. Voor wettelijke naleving
D. Voor kostenbeheersing
20. Wat is een ‘stretch goal’?
A. Makkelijk haalbaar doel
B. Ambitieus doel dat verandering afdwingt
C. Wettelijke norm
D. Financieel minimum
HOOFDSTUK 3 – STRATEGISCHE BESLUITVORMING &
MANAGEMENTNIVEAUS
21. Welke beslissingen horen typisch bij het topmanagement?
A. Dagelijkse planning
B. Operationele controle
C. Corporate strategie
D. Procesoptimalisatie
22. Wat is de hoofdrol van middle management in strategie?
A. Strategie formuleren
B. Strategie implementeren en vertalen
C. Stakeholders managen
D. Missie bepalen
23. Wat kenmerkt beslissingen op operationeel niveau?
A. Lange tijdshorizon
B. Lage structuur
C. Routine en herhaalbaarheid
D. Hoge onzekerheid
24. Waarom wijkt reële besluitvorming vaak af van rationele modellen?
A. Doorruwe data
B. Cognitieve beperkingen en bias