Hoofdstuk 7 – Boekhoudkundige verwerking van vaste
activa
1. Wat is een essentieel kenmerk van niet financiële vaste
activa?
A. Ze zijn bedoeld voor doorverkoop
B. Ze worden binnen één jaar omgezet in cash
C. Ze worden duurzaam gebruikt in de onderneming
D. Ze hebben altijd een onbeperkte levensduur
2. Welke vaste activa worden NIET afgeschreven?
A. Gebouwen
B. Installaties
C. Terreinen
D. Rollend materieel
3. Wat omvat de aanschaffingswaarde van een materieel vast
actief?
A. Enkel de aankoopprijs
B. Aankoopprijs exclusief bijkomende kosten
C. Marktwaarde op balansdatum
D. Aankoopprijs plus kosten om het actief gebruiksklaar te
maken
4. Wanneer spreekt men van vervaardigingsprijs?
A. Bij aankoop bij derden
B. Bij inbreng door aandeelhouders
C. Bij interne productie van een vast actief
D. Bij leasing
5. Wat is het doel van afschrijvingen?
A. Belastingen verhogen
B. Waardestijging weergeven
C. Kosten toerekenen over de gebruiksduur
D. Liquiditeit verbeteren
6. Welke methode resulteert in gelijke jaarlijkse afschrijvingen?
A. Degressieve methode
B. Lineaire methode
C. Herwaarderingsmethode
D. Versnelde methode
,7. Wat is de nettoboekwaarde van een actief?
A. Aanschaffingswaarde
B. Marktwaarde
C. Aanschaffingswaarde minus gecumuleerde afschrijvingen
D. Restwaarde
8. Welke rekening is een contrarekening?
A. 2400 Rollend materieel
B. 6302 Afschrijvingen
C. 2409 Gecumuleerde afschrijvingen
D. 4400 Handelsschulden
9. Wanneer is een aanvullende afschrijving verplicht?
A. Bij waardestijging
B. Bij boekwaarde lager dan gebruikswaarde
C. Bij boekwaarde hoger dan gebruikswaarde
D. Bij herwaardering
10. Welke afschrijvingsmethode is fiscaal toegelaten in België?
A. Degressief
B. Versneld
C. Double declining balance
D. Lineair
Hoofdstuk 7 – Immateriële vaste activa
11. Wat is een voorwaarde om een immaterieel vast actief te
activeren?
A. Het moet intern gegenereerd zijn
B. Het moet identificeerbaar zijn
C. Het moet liquide zijn
D. Het moet een onbeperkte levensduur hebben
12. Welke kosten mogen sinds 2016 niet meer geactiveerd
worden?
A. Ontwikkelingskosten
B. Patenten
C. Onderzoekskosten
D. Licenties
, 13. Wat is goodwill?
A. Wettelijk beschermd monopolie
B. Intern gegenereerde merkwaarde
C. Meerwaarde betaald bij overname
D. Restwaarde van activa
14. Welke goodwill mag op de balans worden opgenomen?
A. Intern gegenereerde
B. Niet identificeerbare
C. Extern aangekochte
D. Toekomstige
15. Over welke maximale periode wordt goodwill afgeschreven?
A. 5 jaar
B. 8 jaar
C. 15 jaar
D. 10 jaar
Hoofdstuk 8 – Boekhoudkundige behandeling van schulden
16. Wat zijn kortetermijnschulden?
A. Schulden met looptijd > 1 jaar
B. Schulden met looptijd ≤ 1 jaar
C. Schulden zonder vervaldag
D. Enkel handelsschulden
17. Welke rekeningklasse bevat schulden?
A. Klasse 2
B. Klasse 3
C. Klasse 4
D. Klasse 6
18. Wat behoort tot personeelsschulden?
A. Brutoloon
B. Netto te betalen lonen
C. Afschrijvingen
D. Leasingkosten