SESSIE 1: WAT IS SCHRIJVEN?
HOOFDSTUK 1: SCHRIJVEN, OPDRACHT VR ELKE LKR
1. SPELLING PG 67!
= oa HL, samenstellingen…
= ww
Vb: Deze nieuwe doucheschuim verzorgt en houdt je huid gezond.
= pv, ott, 3de p enk stam + t
Vb: Voor de veiligheid landden beide vliegtuigen gisteren op Schiphol.
= pv. (o.)v.t., 3de persoon mv., zwak ww – stemhebbende eindklank -> stam + den
Vb: Op de pas verbrede weg zijn beide auto’s tegen elkaar gecrasht.
= VD als bn: verbreed + e EN VD, zwak ww., stemloze eindklank |sj|, eindmedeklinker ‘t’
A) HOE AANPAKKEN IN LAGERE SCHOOL?
B) EIGEN NIVEAU PG 8
Lkr: dertien doelen in een dozijn = referentiekader van talige doelen die iedere lkr zou moeten
bereiken
1
,DEEL 1: SCHRIJVEN OP EIGEN NIVEAU
HOOFDSTUK 2 : SCHRIJVEN MET OVUR
WAT IS SCHRIJVEN?
= moeilijk omdat je niet alleen een idee moet hebben om over te schrijven maar ook 4 eisen:
1) Ideeën genereren
vb. als je een lln vraagt om een griezelverhaal af te werken, moet hij het einde eerst verzinnen
2) Die ideeën in begrijpelijke taal gieten
vb. een lnl die een brief schrijft aan een ziek klasgenootje, moet niet alleen nadenken waarover hij gaat schrijven, maar moet
ook de nodige woorden, zinnen, enz. uit zijn geheugen halen
3) Rekening houden met lezer
= communiceren met iemand die niet aanwezig is geen non-verbale info; die lezer informeren, overtuigen, amuseren…;
rekening houden met wat de lezer al wel en nog niet weet, wat die lezer belangrijk vindt.
vb. iemand uitnodigen: overtuigen om te komen, informatie vermelden als aanvangsuur, plaats van het gebeuren,…
4) Rekening houden met conventies (afspraken tekstsoort, tekststructuur, zinsbouw…)
vb. een toeristische folder moet overzichtelijk en correct zijn
1. VOOR HET SCHRIJVEN: ORIENTEREN EN VOORBEREIDEN
A) HET COMMUNICATIEMODEL
= 9 vragen:
Wie? (Zender: spreker, schrijver)
Wat? (Boodschap)
Waarover? (Relatie boodschap werkelijkheid)
Aan wie? (Ontvanger: luisteraar, lezer)
Bedoeling?
Hoe?
In welke omstandigheden? (Situatie)
Effect?
Op deze manier heb je bepaald wat de boodschap, het publiek, het schrijfdoel en de tekstsoort zijn van je schrijfproduct.
B) INFORMATIE VERZAMELEN EN SELECTEREN
Technieken:
Brainstormen
Bronnen (boeken, tijdschriften)
Interviews
Uit deze informatie een selectie maken.
C) STRUCTUUR
Zorgt ervoor dat je schrijven vlotter verloopt.
Structuur uitgewerkt via: mindmaps, structuurschema, tekststructuur: IMS…
2
, 2. TIJDENS HET SCHRIJVEN: UITVOEREN
A) ALINEA’S
= inleiding, midden, slot
2 voorwaarden:
Ze snijden een ‘apart inhoudelijk deel (deelonderwerp)’ aan
Ze mogen niet te lang of te kort zijn
Als alinea uit 1 zin of een heel blad zou bestaan gaat de lezer afhaken.
B) STRUCTUUR: VERBINDINGS – EN VERWIJSWOORDEN
Verbindingswoorden
= vr samenhang in tekst te verduidelijken
= inhoud vn tekst wordt duidelijker
Verwijswoorden
= verwijzen nr iets dat je al gezegd hebt of wat je nog moet zeggen.
= geven de onderlinge samenhang weer.
Deze/die = DE – woorden
Dit/dat = HET – woorden
C) STIJL
= informeel of formeel
= verschil tuss schrijftaal en spreektaal
Kenmerken spreektaal
= meer informeel
3
HOOFDSTUK 1: SCHRIJVEN, OPDRACHT VR ELKE LKR
1. SPELLING PG 67!
= oa HL, samenstellingen…
= ww
Vb: Deze nieuwe doucheschuim verzorgt en houdt je huid gezond.
= pv, ott, 3de p enk stam + t
Vb: Voor de veiligheid landden beide vliegtuigen gisteren op Schiphol.
= pv. (o.)v.t., 3de persoon mv., zwak ww – stemhebbende eindklank -> stam + den
Vb: Op de pas verbrede weg zijn beide auto’s tegen elkaar gecrasht.
= VD als bn: verbreed + e EN VD, zwak ww., stemloze eindklank |sj|, eindmedeklinker ‘t’
A) HOE AANPAKKEN IN LAGERE SCHOOL?
B) EIGEN NIVEAU PG 8
Lkr: dertien doelen in een dozijn = referentiekader van talige doelen die iedere lkr zou moeten
bereiken
1
,DEEL 1: SCHRIJVEN OP EIGEN NIVEAU
HOOFDSTUK 2 : SCHRIJVEN MET OVUR
WAT IS SCHRIJVEN?
= moeilijk omdat je niet alleen een idee moet hebben om over te schrijven maar ook 4 eisen:
1) Ideeën genereren
vb. als je een lln vraagt om een griezelverhaal af te werken, moet hij het einde eerst verzinnen
2) Die ideeën in begrijpelijke taal gieten
vb. een lnl die een brief schrijft aan een ziek klasgenootje, moet niet alleen nadenken waarover hij gaat schrijven, maar moet
ook de nodige woorden, zinnen, enz. uit zijn geheugen halen
3) Rekening houden met lezer
= communiceren met iemand die niet aanwezig is geen non-verbale info; die lezer informeren, overtuigen, amuseren…;
rekening houden met wat de lezer al wel en nog niet weet, wat die lezer belangrijk vindt.
vb. iemand uitnodigen: overtuigen om te komen, informatie vermelden als aanvangsuur, plaats van het gebeuren,…
4) Rekening houden met conventies (afspraken tekstsoort, tekststructuur, zinsbouw…)
vb. een toeristische folder moet overzichtelijk en correct zijn
1. VOOR HET SCHRIJVEN: ORIENTEREN EN VOORBEREIDEN
A) HET COMMUNICATIEMODEL
= 9 vragen:
Wie? (Zender: spreker, schrijver)
Wat? (Boodschap)
Waarover? (Relatie boodschap werkelijkheid)
Aan wie? (Ontvanger: luisteraar, lezer)
Bedoeling?
Hoe?
In welke omstandigheden? (Situatie)
Effect?
Op deze manier heb je bepaald wat de boodschap, het publiek, het schrijfdoel en de tekstsoort zijn van je schrijfproduct.
B) INFORMATIE VERZAMELEN EN SELECTEREN
Technieken:
Brainstormen
Bronnen (boeken, tijdschriften)
Interviews
Uit deze informatie een selectie maken.
C) STRUCTUUR
Zorgt ervoor dat je schrijven vlotter verloopt.
Structuur uitgewerkt via: mindmaps, structuurschema, tekststructuur: IMS…
2
, 2. TIJDENS HET SCHRIJVEN: UITVOEREN
A) ALINEA’S
= inleiding, midden, slot
2 voorwaarden:
Ze snijden een ‘apart inhoudelijk deel (deelonderwerp)’ aan
Ze mogen niet te lang of te kort zijn
Als alinea uit 1 zin of een heel blad zou bestaan gaat de lezer afhaken.
B) STRUCTUUR: VERBINDINGS – EN VERWIJSWOORDEN
Verbindingswoorden
= vr samenhang in tekst te verduidelijken
= inhoud vn tekst wordt duidelijker
Verwijswoorden
= verwijzen nr iets dat je al gezegd hebt of wat je nog moet zeggen.
= geven de onderlinge samenhang weer.
Deze/die = DE – woorden
Dit/dat = HET – woorden
C) STIJL
= informeel of formeel
= verschil tuss schrijftaal en spreektaal
Kenmerken spreektaal
= meer informeel
3