H6 : MICROBIËLE ECOLOGIE
MINERALISATIE EN C- EN N-CYCLUS
Groei en leven van planten enkel mogelijk door opname
Van anorganische (minerale) stoffen
Voorraad hiervan dient continu aangevuld te worden
->enkel mogelijk wanneer de organische stoffen (plantaardig en
dierlijk materiaal) bij afsterven afgebroken worden tot de oorspronkelijke
minerale verbindingen
Mineralisatie = de afbraak van organische stoffen tot
anorganische stoffen
Alle chemische stoffen moeten in de natuur een kringloop
of cyclus ondergaan: cyclus van C,N,S, P, water
c -> koolstofcyclus zelf niet kennen al de dingen er rond wel
relatie tussen producenten, consumenten en de afbraakprocessen in een
ecosysteem
decomposers= mineralisatie
, Mineralisatie van organische verbindingen
Mineralisatie gebeurt door saprofytische micro-organismen (vooral
bacteriën en fungi)
ontwikkelen zich op dode organismen of op dode organische stoffen
zoals hout, papier, uitwerpselen, melk, enz.
vooral in bodem en water
sommige saprofytische bacteriën -> in darmkanaal van herkauwers
->
produceren cellulase -> vertering celluloserijk gras
Resten van afgestorven planten en dieren bestaan uit complexe
verbindingen (vb. cellulose, lignine, vetten, zetmeel, eiwitten,
pectinestoffen, cutine, chitine, …)
bacteriën/fungi kunnen deze complexe verbindingen als voedingsstoffen
verwerken en zo mineraliseren
rotting of vertering of mineralisatie
anorganische verbindingen/ionen CO2, H2O, NH3, NH4+, NO2-,NO3-, H2S,
SO42-, CO
beschikbaar voor planten (autotrofe)
koolstofcyclus:
C =meest essentiële element in vorming organische verbindingen
(KWS)
Autotrofe planten bekomen CO2 uit lucht -> plantaardige C-
verbindingen -> na opname door dieren -> dierlijke organische C-
verbindingen
continu opnemen van CO2 uit lucht door autotrofen én constant
CO2-gehalte in lucht van gemiddeld 0,03 % veronderstelt een
continue aanvulling
kringloop mbt CO2= koolstofcyclus
stikstofcyclus:
N = onmisbaar voor planten en dieren -> synthese van AZ en
eiwitten
lucht-N (± 80 % N2 ) niet belangrijkste N-bron voor plant en dier
MINERALISATIE EN C- EN N-CYCLUS
Groei en leven van planten enkel mogelijk door opname
Van anorganische (minerale) stoffen
Voorraad hiervan dient continu aangevuld te worden
->enkel mogelijk wanneer de organische stoffen (plantaardig en
dierlijk materiaal) bij afsterven afgebroken worden tot de oorspronkelijke
minerale verbindingen
Mineralisatie = de afbraak van organische stoffen tot
anorganische stoffen
Alle chemische stoffen moeten in de natuur een kringloop
of cyclus ondergaan: cyclus van C,N,S, P, water
c -> koolstofcyclus zelf niet kennen al de dingen er rond wel
relatie tussen producenten, consumenten en de afbraakprocessen in een
ecosysteem
decomposers= mineralisatie
, Mineralisatie van organische verbindingen
Mineralisatie gebeurt door saprofytische micro-organismen (vooral
bacteriën en fungi)
ontwikkelen zich op dode organismen of op dode organische stoffen
zoals hout, papier, uitwerpselen, melk, enz.
vooral in bodem en water
sommige saprofytische bacteriën -> in darmkanaal van herkauwers
->
produceren cellulase -> vertering celluloserijk gras
Resten van afgestorven planten en dieren bestaan uit complexe
verbindingen (vb. cellulose, lignine, vetten, zetmeel, eiwitten,
pectinestoffen, cutine, chitine, …)
bacteriën/fungi kunnen deze complexe verbindingen als voedingsstoffen
verwerken en zo mineraliseren
rotting of vertering of mineralisatie
anorganische verbindingen/ionen CO2, H2O, NH3, NH4+, NO2-,NO3-, H2S,
SO42-, CO
beschikbaar voor planten (autotrofe)
koolstofcyclus:
C =meest essentiële element in vorming organische verbindingen
(KWS)
Autotrofe planten bekomen CO2 uit lucht -> plantaardige C-
verbindingen -> na opname door dieren -> dierlijke organische C-
verbindingen
continu opnemen van CO2 uit lucht door autotrofen én constant
CO2-gehalte in lucht van gemiddeld 0,03 % veronderstelt een
continue aanvulling
kringloop mbt CO2= koolstofcyclus
stikstofcyclus:
N = onmisbaar voor planten en dieren -> synthese van AZ en
eiwitten
lucht-N (± 80 % N2 ) niet belangrijkste N-bron voor plant en dier