Cursus (1,2,3) + 4,9,10,11,12
Literatuur v.s zakelijke teksten.
-Literatuur teksten zijn meerduidig: ze zijn op meerdere manieren te interpreteren.
-Zakelijke teksten zijn ze eenduidig mogelijk: op deze manier zijn ze op zo weinig mogelijk
manieren te interpreteren.
Wat verstaan we onder literatuur?
proza (roman en novelle (kort verhaal))
poëzie
Literatuur toneeltekst
mengvormen (liedteksten, scenario’s)
Tot literatuur rekenen we teksten die, naast ontspanning, ook een bepaalde waarde hebben:
er blijft iets in je hoofd hangen.
Tot literatuur rekenen we teksten die alleen waarde hebben als ontspanning: er blijft
achteraf weinig van hangen.
Beroepslezers hebben hun eigen mening over goede literatuur, deze ideeën staan lijnrecht
over de publieke opinie.
Wat heeft literatuur met de werkelijkheid te maken?
1 Eerste werkelijkheid (de feiten):
Bij het schrijven wordt vaak gebruik gemaakt van feiten.
2 Tweede werkelijkheid (de werkelijkheid van de schrijver):
De schrijver geeft zijn eigen draai aan de feiten.
3 Derde werkelijkheid (de werkelijkheid van de lezer):
Iedere lezer kleurt een verhaal met zijn eigen levenservaring
,Literatuur is communicatie.
Zender Medium Lezer 1 (leefwereld B, tekst 1)
Schrijver Roman
Leefwereld A
Lezer 2 (Leefwereld C, tekst 2)
Lezer 3 (leefwereld D, tekst 3)
Literatuur en de maatschappij.
Literatuur heeft meestal amuseren als tekstdoel.
Er is ook regelmatig sprake van engagement.
Met engagement wordt bedoeld dat de schrijver met zijn tekst maatschappelijke problemen
onder de aandacht wil brengen en ervoor wilt zorgen dat de lezer een kritische houding
aanneemt.
Verhaalanalyse.
Verhaalanalyse draait om een aantal vragen:
1 Waarover wordt verteld?
2 Hoe wordt verteld?
3 Wie vertelt?
Setting (historische tijd + ruimte)
Historische tijd.
In welke tijd speelt het verhaal zich af?
Let op jaartallen, gebeurtenissen, gebruikte techniek, kleding, omgangsvormen enz.
Ruimte.
In welke omgeving speelt het verhaal zich af?
Let op beschrijving van de omgeving: locaties, inrichting, kleuren, temperaturen enz.
Oftewel: hoe ziet de filmset eruit?
, Personages.
Hoofdpersoon (protagonist)
Helper Tegenstander (antagonist)
Doel
Karakterisering.
1 Indirecte karakterisering (expliciet):
-De kenmerken van een personage worden expliciet genoemd.
-De directe karakterisering kan gegeven worden door de verteller (betrouwbaar), maar deze
kan ook gegeven worden door een ander personage (evt. minder betrouwbaar).
2 Indirecte karakterisering (impliciet)
-De kenmerken van een personage worden niet genoemd, maar gesuggereerd, of je kunt ze
afleiden uit andere zaken: wat personages (niet) doen, (niet) zeggen of verzwijgen.
Vertelde tijd verteltijd.
De verteltijd is de tijd die nodig is om het verhaal te vertellen. Dit drukken we vanwege
objectiviteit uit in het aantal woorden.
Werkwijze:
1 Tel het aantal woorden in een willekeurige regel.
2 Vermenigvuldig dat aantal met het aantal regels op de pagina.
3 Vermenigvuldig dat met het aantal pagina’s.
De vertelde tijd is de tijd die de gebeurtenissen, in chronologische volgorde, in beslag
nemen.
Terminologie bij de vertelde tijd.
-Flashback: gebeurtenissen uit het verleden worden verteld/beschreven.
-Flashforward: gebeurtenissen die nog zullen plaatsvinden worden verteld/beschreven.