DIDACTIEK NEDERLANDS 2
KRACHTIG TAALONDERWIJS
DE ZEVEN PRINCIPES
1 DIDACTISCHE PRINCIPES
Taalkrachtig onderwijs kunnen we omschrijven in zeven principes gebaseerd op onderzoek over
hoe mensen talen leren. Deze principes vertonen samenhang: ze staan niet los van elkaar en
overlappen zelfs gedeeltelijk.
1. Een positieve, talige grondhouding
Een veilige, motiverende leeromgeving waarin leerlingen durven praten, fouten maken en
experimenteren met taal. Je waardeert hun bestaande talige bagage en biedt uitdagende doelen
binnen een sfeer van hoge verwachtingen.
2. Contextrijk
Nieuwe taal wordt aangeboden binnen een betekenisvolle, herkenbare context. Je vertrekt
vanuit concreet materiaal, gebruikt visuele ondersteuning en verbindt nieuwe leerinhouden met
voorkennis en ervaringen.
3. Functioneel
Taal wordt ingezet om echte doelen te bereiken (uitleg geven, samenwerken, informatie zoeken
…). Hierdoor stijgt motivatie, betrokkenheid en uitdaging — essentieel voor taalverwerving.
4. (Inter)actief
Leerlingen gebruiken taal actief in gesprekken, opdrachten en samenwerkingen. Zowel leraar-
leerling- als leerling-leerlinginteractie zijn cruciaal voor veelvuldige oefenkansen, verwerking en
feedback.
5. Met ondersteuning
Kwaliteitsvolle feedback helpt leerlingen hun taal te verbeteren. Dat gebeurt via:
• Feed-up: wat is het doel?
• Feedback: waar sta je nu?
• Feedforward: welke volgende stap moet je zetten?
6. Impliciet en expliciet leren
Taal wordt zowel spontaan opgedaan in betekenisvolle situaties (impliciet) als bewust geleerd
via uitleg en aandacht voor taalvormen (expliciet). Beide zijn nodig. De leraar modelt strategieën
en focust op taalvormen wanneer dit aansluit bij de behoeften van de leerling.
7. Reflectiekansen
Leerlingen denken na over hun leerproces, producten en vooruitgang. Reflectie kan gebeuren
voor, tijdens en na de activiteit, zowel individueel als via feedback van medeleerlingen. Tijd en
ruimte om te reflecteren is noodzakelijk om groei zichtbaar te maken.
1
, DEEL 1: DIDACTIEK VAN SCHRIJVEN
HOOFDSTUK I: SCHRIJVEN
1 WAT IS SCHRIJVEN?
Schrijven kan verschillende betekenissen hebben: schoonschrift, motorische schrijfoefeningen of
het echte schrijfproces waarbij leerlingen zelf teksten creëren.
Schrijven is een schriftelijke én productieve vaardigheid, net zoals spreken. Toch verschilt het sterk
van spreken:
Spreken Schrijven
Directe feedback Latere feedback
Non-verbale signalen die je boodschap helpen. Geen non-verbale signalen, dus duidelijker en
nauwkeuriger formuleren.
Vluchtig: woorden verdwijnen van zodra Blijvend: wat je schrijft, blijft staan en kan opnieuw
uitgesproken gelezen worden.
Minder nood aan sterkte structuur Vereist zorgvuldige ordening van gedachten
Veel kinderen zijn al vroeg gemotiveerd om te schrijven — zelfs al in de kleuterschool, vaak via
tekeningen of eerste woordjes. Die motivatie moet gekoesterd worden. Toch start systematisch
schrijfonderwijs meestal pas in de tweede graad van het lager onderwijs.
1.1 FUNCTIES VAN SCHRIJVEN
Functies van schrijven zijn:
1. Communicatieve functie
Schrijven om een boodschap over te brengen aan iemand anders (bv. brieven, mails, flyers).
2. Expressieve functie
Schrijven om gevoelens en gedachten te uiten (bv. gedichten, dagboeken, liedjesteksten).
3. Conceptualiserende functie
Schrijven helpt om ideeën te ordenen en te begrijpen (bv. samenvattingen, schema’s, mindmap).
4. Sociale functie
Schrijven laat zien bij welke groep je hoort en versterkt verbondenheid (bv. een klascode maken).
1.2 SCHRIJFPROCES
Het schrijfproces wordt beïnvloed door:
• De schrijver
Het schrijfproces hangt af van kenmerken van de schrijver zelf:
voorkennis, interesse, woordenschat, taalvaardigheid,
zelfsturing, ...
• De socioculturele context
De omgeving waarin een leerling opgroeit speelt mee: culturele
achtergrond?, rijke geletterde omgeving?, ...
• De tekst
De moeilijkheid van de schrijfopdracht varieert door tekstsoort,
lengte, complexiteit, onderwerp en structuur.
• De denkactiviteiten
Schrijven vraagt veel denkwerk: schrijfdoel en publiek,
informatie verzamelen, zinnen formuleren, ... ⇢ voortdurend
herwerken en bijsturen.
2
, 2 SCHRIJVEN: EEN COGNITIEF COMPLEXE VAARDIGHEID
Beginnende schrijvers hebben het moeilijk omdat schrijven veel denkstappen tegelijk vraagt.
Daardoor raken ze snel cognitief overbelast. Daarom is het belangrijk om het schrijfproces op te
splitsen in duidelijke stappen en leerlingen in elke fase te ondersteunen:
FASE 1: PLANNING
In deze fase plannen de leerlingen wat ze gaan schrijven. Ze verzamelen informatie over de
tekstinhoud en ordenen de belangrijkste ideeën die ze uit de informatie halen.
Moeilijkheid bij leerlingen:
Leerlingen plannen vaak te weinig. Hun ideeën zijn nog niet volledig doordacht voordat ze beginnen
met schrijven.
Rol van de leerkracht:
De leerkracht biedt een rijke context aan door concrete materialen als hulpmiddel te gebruiken en
zet werkvormen zoals brainstormsessies in om leerlingen te helpen hun ideeën beter te
structureren.
FASE 2: TEKSTPRODUCTIE
In een tweede fase gaan de leerlingen echt aan het schrijven. Ze formuleren hun ideeën.
Moeilijkheid bij leerlingen:
Hun werkgeheugen is beperkt: ze moeten tegelijk nadenken over inhoud, zinsbouw, spelling,
structuur … en dat is te veel tegelijk.
Rol van de leerkracht:
Vooraf geformuleerde zinnen, schrijfkaders of de eerste woorden van een zin aanbieden kan
ondersteunend werken.
FASE 3: REVISIE
In de laatste fase ligt een eerste versie van de tekst klaar.
Moeilijkheid bij leerlingen:
Revisie gebeurt vaak oppervlakkig: ze verbeteren kleine foutjes, maar herdenken de tekstinhoud
nauwelijks.
Rol van de leerkracht:
Je stimuleert hen om eerst aandachtig na te lezen, fouten te verbeteren en de tekst duidelijker te
maken. Zo groeit hun inzicht in wat een goede tekst nodig heeft.
3 WAAROM INZETTEN OP SCHRIJVEN?
Hoewel we minder brieven sturen dan vroeger, schrijven we juist vaker en op diverse manieren: e-
mails, berichtjes, blogs, sociale media, enzovoort. Dit vereist dat leerlingen leren kiezen tussen
formeel en informeel taalgebruik, afhankelijk van de lezer en het communicatiekanaal.
Een goed geschreven tekst is een visitekaartje: woordkeuze, zinsbouw, spelling en structuur
beïnvloeden hoe de schrijver wordt gezien.
3
KRACHTIG TAALONDERWIJS
DE ZEVEN PRINCIPES
1 DIDACTISCHE PRINCIPES
Taalkrachtig onderwijs kunnen we omschrijven in zeven principes gebaseerd op onderzoek over
hoe mensen talen leren. Deze principes vertonen samenhang: ze staan niet los van elkaar en
overlappen zelfs gedeeltelijk.
1. Een positieve, talige grondhouding
Een veilige, motiverende leeromgeving waarin leerlingen durven praten, fouten maken en
experimenteren met taal. Je waardeert hun bestaande talige bagage en biedt uitdagende doelen
binnen een sfeer van hoge verwachtingen.
2. Contextrijk
Nieuwe taal wordt aangeboden binnen een betekenisvolle, herkenbare context. Je vertrekt
vanuit concreet materiaal, gebruikt visuele ondersteuning en verbindt nieuwe leerinhouden met
voorkennis en ervaringen.
3. Functioneel
Taal wordt ingezet om echte doelen te bereiken (uitleg geven, samenwerken, informatie zoeken
…). Hierdoor stijgt motivatie, betrokkenheid en uitdaging — essentieel voor taalverwerving.
4. (Inter)actief
Leerlingen gebruiken taal actief in gesprekken, opdrachten en samenwerkingen. Zowel leraar-
leerling- als leerling-leerlinginteractie zijn cruciaal voor veelvuldige oefenkansen, verwerking en
feedback.
5. Met ondersteuning
Kwaliteitsvolle feedback helpt leerlingen hun taal te verbeteren. Dat gebeurt via:
• Feed-up: wat is het doel?
• Feedback: waar sta je nu?
• Feedforward: welke volgende stap moet je zetten?
6. Impliciet en expliciet leren
Taal wordt zowel spontaan opgedaan in betekenisvolle situaties (impliciet) als bewust geleerd
via uitleg en aandacht voor taalvormen (expliciet). Beide zijn nodig. De leraar modelt strategieën
en focust op taalvormen wanneer dit aansluit bij de behoeften van de leerling.
7. Reflectiekansen
Leerlingen denken na over hun leerproces, producten en vooruitgang. Reflectie kan gebeuren
voor, tijdens en na de activiteit, zowel individueel als via feedback van medeleerlingen. Tijd en
ruimte om te reflecteren is noodzakelijk om groei zichtbaar te maken.
1
, DEEL 1: DIDACTIEK VAN SCHRIJVEN
HOOFDSTUK I: SCHRIJVEN
1 WAT IS SCHRIJVEN?
Schrijven kan verschillende betekenissen hebben: schoonschrift, motorische schrijfoefeningen of
het echte schrijfproces waarbij leerlingen zelf teksten creëren.
Schrijven is een schriftelijke én productieve vaardigheid, net zoals spreken. Toch verschilt het sterk
van spreken:
Spreken Schrijven
Directe feedback Latere feedback
Non-verbale signalen die je boodschap helpen. Geen non-verbale signalen, dus duidelijker en
nauwkeuriger formuleren.
Vluchtig: woorden verdwijnen van zodra Blijvend: wat je schrijft, blijft staan en kan opnieuw
uitgesproken gelezen worden.
Minder nood aan sterkte structuur Vereist zorgvuldige ordening van gedachten
Veel kinderen zijn al vroeg gemotiveerd om te schrijven — zelfs al in de kleuterschool, vaak via
tekeningen of eerste woordjes. Die motivatie moet gekoesterd worden. Toch start systematisch
schrijfonderwijs meestal pas in de tweede graad van het lager onderwijs.
1.1 FUNCTIES VAN SCHRIJVEN
Functies van schrijven zijn:
1. Communicatieve functie
Schrijven om een boodschap over te brengen aan iemand anders (bv. brieven, mails, flyers).
2. Expressieve functie
Schrijven om gevoelens en gedachten te uiten (bv. gedichten, dagboeken, liedjesteksten).
3. Conceptualiserende functie
Schrijven helpt om ideeën te ordenen en te begrijpen (bv. samenvattingen, schema’s, mindmap).
4. Sociale functie
Schrijven laat zien bij welke groep je hoort en versterkt verbondenheid (bv. een klascode maken).
1.2 SCHRIJFPROCES
Het schrijfproces wordt beïnvloed door:
• De schrijver
Het schrijfproces hangt af van kenmerken van de schrijver zelf:
voorkennis, interesse, woordenschat, taalvaardigheid,
zelfsturing, ...
• De socioculturele context
De omgeving waarin een leerling opgroeit speelt mee: culturele
achtergrond?, rijke geletterde omgeving?, ...
• De tekst
De moeilijkheid van de schrijfopdracht varieert door tekstsoort,
lengte, complexiteit, onderwerp en structuur.
• De denkactiviteiten
Schrijven vraagt veel denkwerk: schrijfdoel en publiek,
informatie verzamelen, zinnen formuleren, ... ⇢ voortdurend
herwerken en bijsturen.
2
, 2 SCHRIJVEN: EEN COGNITIEF COMPLEXE VAARDIGHEID
Beginnende schrijvers hebben het moeilijk omdat schrijven veel denkstappen tegelijk vraagt.
Daardoor raken ze snel cognitief overbelast. Daarom is het belangrijk om het schrijfproces op te
splitsen in duidelijke stappen en leerlingen in elke fase te ondersteunen:
FASE 1: PLANNING
In deze fase plannen de leerlingen wat ze gaan schrijven. Ze verzamelen informatie over de
tekstinhoud en ordenen de belangrijkste ideeën die ze uit de informatie halen.
Moeilijkheid bij leerlingen:
Leerlingen plannen vaak te weinig. Hun ideeën zijn nog niet volledig doordacht voordat ze beginnen
met schrijven.
Rol van de leerkracht:
De leerkracht biedt een rijke context aan door concrete materialen als hulpmiddel te gebruiken en
zet werkvormen zoals brainstormsessies in om leerlingen te helpen hun ideeën beter te
structureren.
FASE 2: TEKSTPRODUCTIE
In een tweede fase gaan de leerlingen echt aan het schrijven. Ze formuleren hun ideeën.
Moeilijkheid bij leerlingen:
Hun werkgeheugen is beperkt: ze moeten tegelijk nadenken over inhoud, zinsbouw, spelling,
structuur … en dat is te veel tegelijk.
Rol van de leerkracht:
Vooraf geformuleerde zinnen, schrijfkaders of de eerste woorden van een zin aanbieden kan
ondersteunend werken.
FASE 3: REVISIE
In de laatste fase ligt een eerste versie van de tekst klaar.
Moeilijkheid bij leerlingen:
Revisie gebeurt vaak oppervlakkig: ze verbeteren kleine foutjes, maar herdenken de tekstinhoud
nauwelijks.
Rol van de leerkracht:
Je stimuleert hen om eerst aandachtig na te lezen, fouten te verbeteren en de tekst duidelijker te
maken. Zo groeit hun inzicht in wat een goede tekst nodig heeft.
3 WAAROM INZETTEN OP SCHRIJVEN?
Hoewel we minder brieven sturen dan vroeger, schrijven we juist vaker en op diverse manieren: e-
mails, berichtjes, blogs, sociale media, enzovoort. Dit vereist dat leerlingen leren kiezen tussen
formeel en informeel taalgebruik, afhankelijk van de lezer en het communicatiekanaal.
Een goed geschreven tekst is een visitekaartje: woordkeuze, zinsbouw, spelling en structuur
beïnvloeden hoe de schrijver wordt gezien.
3