EXAMENVOORBEREIDING GESCHIEDENIS 1A-STROOM
VRAGEN & ANTWOORDEN
1. Historisch Referentiekader
**Vraag:** Wat zijn de 7 historische periodes en hoe plaats je ze op een tijdlijn?
- **Antwoord:
- De 7 historische periodes zijn:
- 1. Prehistorie: Ca. 2 miljoen v.C. - ca. 3000 v.C.
- 2. Oud Nabije Oosten: Ca. 3000 v.C. - 800 v.C.
- 3. Klassieke Oudheid: 800 v.C. - 500 n.C.
- 4. Middeleeuwen: 500 - 1450
- 5. Vroegmoderne Tijd: 1450 - 1750
- 6. Moderne Tijd: 1750 - 1945
- 7. Hedendaagse Tijd: 1945 - heden
-
- Om deze periodes op een tijdlijn te plaatsen, begin je met de Prehistorie, gevolgd door het Oud
Nabije Oosten, en zo verder tot de Hedendaagse Tijd.
-
**Vraag:** Wat is het verschil tussen evolutie en revolutie in historische context?
- **Antwoord:
- Evolutie verwijst naar een geleidelijke verandering over een lange periode. Voorbeeld: de
overgang van jager-verzamelaars naar landbouw.
- Revolutie verwijst naar een snelle, ingrijpende verandering. Voorbeeld: de Industriële Revolutie.
-
**Vraag:** Wat zijn de beperkingen van de westerse periodisering?
- **Antwoord:
- 1. Tijdsgebonden: De periodes zijn gebaseerd op westerse gebeurtenissen, zoals de val van het
West-Romeinse Rijk in 476 n.C.
- 2. Plaatsgebonden: Niet alle beschavingen volgen dezelfde periodes. Bijvoorbeeld, China en India
hebben hun eigen historische indelingen.
- 3. Maatschappelijke domeinen: Sommige domeinen, zoals economie, kunnen zich anders
ontwikkelen dan andere domeinen, zoals cultuur.
-
**Vraag:** Wat zijn structuurbegrippen rond tijd?
- **Antwoord:
,- Structuurbegrippen rond tijd omvatten:
- - Millennium: Een periode van 1000 jaar.
- - Eeuw: Een periode van 100 jaar.
- - Jaar: Een periode van 12 maanden.
- - Tijdrekening: Het meten en indelen van tijd.
- - Chronologie: De volgorde van gebeurtenissen in de tijd.
- - Periode: Een afgebakende tijdspanne met specifieke kenmerken.
- - Continuïteit: Het doorlopen van bepaalde patronen of structuren over de tijd.
- - Verandering: Wijzigingen in de loop der tijd.
- - Evolutie: Geleidelijke ontwikkeling.
- - Revolutie: Snelle, ingrijpende verandering.
- - Duur: Hoe lang iets aanhoudt.
-
**Vraag:** Wat zijn de 4 maatschappelijke domeinen?
- **Antwoord:
- De 4 maatschappelijke domeinen zijn:
- 1. Cultureel domein: Betreft kunst, religie, taal, en normen en waarden.
- 2. Economisch domein: Betreft productie, handel, en consumptie.
- 3. Politiek domein: Betreft bestuur, wetten, en macht.
- 4. Sociaal domein: Betreft de samenleving, zoals gezinsstructuren en sociale klassen.
2. Situeren in Tijd
**Vraag:** Wat zijn de structuurbegrippen rond tijd?
- **Antwoord:
- Zie het antwoord bij de vorige vraag over structuurbegrippen rond tijd.
-
**Vraag:** Is de overgang van een nomadische naar een sedentaire samenleving een evolutie
of revolutie?
- **Antwoord:
- De overgang van een nomadische naar een sedentaire samenleving wordt beschouwd als een
evolutie. Deze verandering was geleidelijk en duurde duizenden jaren. Het omvatte verschillende
stadia, zoals semi-nomadische levenswijzen, voordat mensen volledig sedentair werden en dorpen
en steden begonnen te bouwen.
-
**Vraag:** Hoe plaats je de 7 periodes van het westerse historisch referentiekader in de juiste
chronologische volgorde?
- **Antwoord:
, - De juiste chronologische volgorde is:
- 1. Prehistorie
- 2. Oud Nabije Oosten
- 3. Klassieke Oudheid
- 4. Middeleeuwen
- 5. Vroegmoderne Tijd
- 6. Moderne Tijd
- 7. Hedendaagse Tijd
3. Situeren in Ruimte
**Vraag:** Wat zijn de structuurbegrippen rond ruimte?
- **Antwoord:
- Structuurbegrippen rond ruimte omvatten:
- - Lokaal: Op kleine schaal, zoals een dorp of stad.
- - Regionaal: Op schaal van een regio of provincie.
- - Stedelijk: Betreft steden en hun kenmerken.
- - Ruraal: Betreft het platteland.
- - Continentale: Op schaal van een continent.
- - Maritiem: Betreft zeeën en oceanen, en de interactie daarmee.
-
**Vraag:** Welke hedendaagse landen behoren tot het rijk van Alexander de Grote?
- **Antwoord:
- De hedendaagse landen die (gedeeltelijk) tot het rijk van Alexander de Grote behoren, zijn:
- - Griekenland
- - Egypte
- - Turkije
- - Irak
- - Iran
- - Afghanistan
- - Pakistan
- - Noordwestelijk deel van India
-
**Vraag:** Is Sparta een continentale of maritieme samenleving?
- **Antwoord:
- Sparta was een continentale samenleving. Het lag in het binnenland van Griekenland en was
voornamelijk gericht op landbouw en oorlogvoering, in plaats van op handel over zee.
VRAGEN & ANTWOORDEN
1. Historisch Referentiekader
**Vraag:** Wat zijn de 7 historische periodes en hoe plaats je ze op een tijdlijn?
- **Antwoord:
- De 7 historische periodes zijn:
- 1. Prehistorie: Ca. 2 miljoen v.C. - ca. 3000 v.C.
- 2. Oud Nabije Oosten: Ca. 3000 v.C. - 800 v.C.
- 3. Klassieke Oudheid: 800 v.C. - 500 n.C.
- 4. Middeleeuwen: 500 - 1450
- 5. Vroegmoderne Tijd: 1450 - 1750
- 6. Moderne Tijd: 1750 - 1945
- 7. Hedendaagse Tijd: 1945 - heden
-
- Om deze periodes op een tijdlijn te plaatsen, begin je met de Prehistorie, gevolgd door het Oud
Nabije Oosten, en zo verder tot de Hedendaagse Tijd.
-
**Vraag:** Wat is het verschil tussen evolutie en revolutie in historische context?
- **Antwoord:
- Evolutie verwijst naar een geleidelijke verandering over een lange periode. Voorbeeld: de
overgang van jager-verzamelaars naar landbouw.
- Revolutie verwijst naar een snelle, ingrijpende verandering. Voorbeeld: de Industriële Revolutie.
-
**Vraag:** Wat zijn de beperkingen van de westerse periodisering?
- **Antwoord:
- 1. Tijdsgebonden: De periodes zijn gebaseerd op westerse gebeurtenissen, zoals de val van het
West-Romeinse Rijk in 476 n.C.
- 2. Plaatsgebonden: Niet alle beschavingen volgen dezelfde periodes. Bijvoorbeeld, China en India
hebben hun eigen historische indelingen.
- 3. Maatschappelijke domeinen: Sommige domeinen, zoals economie, kunnen zich anders
ontwikkelen dan andere domeinen, zoals cultuur.
-
**Vraag:** Wat zijn structuurbegrippen rond tijd?
- **Antwoord:
,- Structuurbegrippen rond tijd omvatten:
- - Millennium: Een periode van 1000 jaar.
- - Eeuw: Een periode van 100 jaar.
- - Jaar: Een periode van 12 maanden.
- - Tijdrekening: Het meten en indelen van tijd.
- - Chronologie: De volgorde van gebeurtenissen in de tijd.
- - Periode: Een afgebakende tijdspanne met specifieke kenmerken.
- - Continuïteit: Het doorlopen van bepaalde patronen of structuren over de tijd.
- - Verandering: Wijzigingen in de loop der tijd.
- - Evolutie: Geleidelijke ontwikkeling.
- - Revolutie: Snelle, ingrijpende verandering.
- - Duur: Hoe lang iets aanhoudt.
-
**Vraag:** Wat zijn de 4 maatschappelijke domeinen?
- **Antwoord:
- De 4 maatschappelijke domeinen zijn:
- 1. Cultureel domein: Betreft kunst, religie, taal, en normen en waarden.
- 2. Economisch domein: Betreft productie, handel, en consumptie.
- 3. Politiek domein: Betreft bestuur, wetten, en macht.
- 4. Sociaal domein: Betreft de samenleving, zoals gezinsstructuren en sociale klassen.
2. Situeren in Tijd
**Vraag:** Wat zijn de structuurbegrippen rond tijd?
- **Antwoord:
- Zie het antwoord bij de vorige vraag over structuurbegrippen rond tijd.
-
**Vraag:** Is de overgang van een nomadische naar een sedentaire samenleving een evolutie
of revolutie?
- **Antwoord:
- De overgang van een nomadische naar een sedentaire samenleving wordt beschouwd als een
evolutie. Deze verandering was geleidelijk en duurde duizenden jaren. Het omvatte verschillende
stadia, zoals semi-nomadische levenswijzen, voordat mensen volledig sedentair werden en dorpen
en steden begonnen te bouwen.
-
**Vraag:** Hoe plaats je de 7 periodes van het westerse historisch referentiekader in de juiste
chronologische volgorde?
- **Antwoord:
, - De juiste chronologische volgorde is:
- 1. Prehistorie
- 2. Oud Nabije Oosten
- 3. Klassieke Oudheid
- 4. Middeleeuwen
- 5. Vroegmoderne Tijd
- 6. Moderne Tijd
- 7. Hedendaagse Tijd
3. Situeren in Ruimte
**Vraag:** Wat zijn de structuurbegrippen rond ruimte?
- **Antwoord:
- Structuurbegrippen rond ruimte omvatten:
- - Lokaal: Op kleine schaal, zoals een dorp of stad.
- - Regionaal: Op schaal van een regio of provincie.
- - Stedelijk: Betreft steden en hun kenmerken.
- - Ruraal: Betreft het platteland.
- - Continentale: Op schaal van een continent.
- - Maritiem: Betreft zeeën en oceanen, en de interactie daarmee.
-
**Vraag:** Welke hedendaagse landen behoren tot het rijk van Alexander de Grote?
- **Antwoord:
- De hedendaagse landen die (gedeeltelijk) tot het rijk van Alexander de Grote behoren, zijn:
- - Griekenland
- - Egypte
- - Turkije
- - Irak
- - Iran
- - Afghanistan
- - Pakistan
- - Noordwestelijk deel van India
-
**Vraag:** Is Sparta een continentale of maritieme samenleving?
- **Antwoord:
- Sparta was een continentale samenleving. Het lag in het binnenland van Griekenland en was
voornamelijk gericht op landbouw en oorlogvoering, in plaats van op handel over zee.