Syllabus klas 2 Sectie Frans/
Melanchthon Blesewic
Klas 2 – Hoofdstuk 1
LEERDOELEN:
Ik ken de persoonlijke voornaamwoorden in het Frans.
Ik ken de dagen van de week in het Frans.
Ik kan tot 20 tellen in het Frans.
Ik ken de kleuren in het Frans.
Ik ken de kleuren in een korte zin gebruiken.
Ik kan de w.w. op-er vervoegen.
Ik kan de onregelmatige werkwoorden avoir – être – faire- aller vervoegen.
Ik kan mijzelf voorstellen in het Frans.
Let op:
Neem deze syllabus naar elke Frans les mee.
, 2
1- les pronoms personnels
Doel: ik ken de persoonlijke voornaamwoorden in het Frans en kan deze ook gebruiken.
Wat ga ik doen?
- De 10 persoonlijke voornaamwoorden in het Frans leren
- De 10 persoonlijke voornaamwoorden in het Frans gebruiken in een kennismakingsgesprek
je, j' ik nous wij
tu jij vous jullie, u
il hij ils zij (mannelijk, meervoud)
elle zij elles zij (vrouwelijk, meervoud)
on wij
Il a une sœur. - Hij heeft een zus.
Je verandert in j’ voor \u klinker of een stomme h.
j’ai - ik heb
j’habite - ik woon
In het Frans heb je twee manieren om wij te vertalen: nous en on. In spreektaal gebruik je
meestal on.
Het woord on kan ook men betekenen. Het persoonlijk voornaamwoord vous betekent zowel
jullie als u.
, 3
Opdracht 1:
Schrijf de persoonlijke voornaamwoorden in het Frans op
1. Ik __je_____________
2. Jij __tu_____________
3. Hij __il_____________
4. Zij __elle_____________
5. Wij __nous_____________
6. Wij __on_____________
7. Jullie ___vous____________
8. U _vous______________
9. Zij mnl mv ___ils ____________
10. Zij vrl mv ___elle____________
Opdracht 2
Leg het verschil uit tussen ils en elles.
__________1 ik mannelijk en de andere is vrouwelijk
__________________________________________________________________________
__________________________________________________
Opdracht 3
Leg het verschil uit tussen nous en on
nous wij formeel eerste persoon meervoud
on wij / men / iemand informeel derde persoon enkelvoud
__________________________________________________________________________
_______________________________________________________
Opdracht 4 – parler
Gebruik elk persoonlijk voornaamwoord om te vertellen hoe jij en iemand anders heet.
Tijdens het gesprek wijs je naar de persoon/personen over wie jij het hebt.