WERKCOLLEGE 1: SPELTHEORIE EN PRODUCTIE
dominante strategie = strategie die de speler het beste resultaat levert, ongeacht
de keuze van de andere speler [kijkt naar wat andere speler doet en als wij hetzelfde doen
bij beide strategieën van andere speler, dan is het dominant]
dominant evenwicht = combinatie waar alle spelers hun dominante
strategie spelen
nash evenwicht = een combinatie van strategieën waarbij geen enkele speler de intentie
heeft zijn strategie te wijzigen, gegeven de strategie van de andere speler
bv. (15,10) bij 15 is er boven/onder geen hogere pay-off en bij 10 is er links/recht niks hoger
dominant evenwicht is altijd een (enig) nash
evenwicht maar niet omgekeerd
productiemogelijkhedencurve (PMC) = toont de
verschillende mogelijke combinaties van 2 goederen die
geproduceerd kunnen worden wanneer alle productiemiddelen
efficiënt worden ingezet.
punten op de grafiek = optimaal
punten op de grafiek en beneden de curve = productiemogelijkhedenverzameling
schaarste = beperking van beschikbare middelen, deze zorgen ervoor dat een punt
buiten de curve niet gerealiseerd kan worden
opportuniteitskost = wat je moet opgeven om iets anders te verkrijgen.
In deze context: als je meer taart wilt produceren, moet je een
bepaalde hoeveelheid brood opofferen bv. van D naar E moet je 32
broden opofferen om een extra taart te produceren
vorm van productiemogelijkhedencurve toont aan hoe de opportuniteitskosten veranderen
als we meer van een goed hebben
concaaf: opportuniteitskost neemt toe als het
goed toeneemt
, lineair: opportuniteitskost is constant als het
goed toeneemt
convex: opportuniteitskost is dalend
absoluut voordeel = kan meer van een
goed of dienst kan produceren dan
een ander, met dezelfde hoeveelheid
middelen
Portugal heeft absoluut voordeel, het kan éénzelfde hoeveelheid wijn als
textiel produceren met minder uren van Engeland (stel Engeland kon
textiel maken in 80u dan had hij daarin een absoluut voordeel en Portugal
in wijn)
stel beide 360 000u beschikbaar dan ziet de productiemogelijkhedencurve
er zo uit:
TIP: als je de opportuniteitskost zoekt
van het x, zet je het x vanonder op de
breuk bv. opportuniteitskost van
textiel Engeland is 3000/3600 = 5/6
OF via uren dan is x de bovenste
breuk
comparatief voordeel (met opportuniteitskost) = laagste
opportuniteitskost
bv. Engeland heeft het comparatief voordeel in textiel en Portugal in wijn
helling curve PMC = opportuniteitskost y-as van wie moet bij
produceren (bv. België moet mee … maken, helling = opp. kost van …
van België)
specialisatie = gaat elk land zich toeleggen op de productie van het
goed waarin het een comparatief voordeel heeft (productie = consumptie
waar het land in specialiseert)
handelgedreven met een ruilvoet van 1:1, wat betekent:
1 eenheid textiel wordt geruild voor 1 eenheid wijn.
of omgekeerd: 1 eenheid wijn wordt geruild voor 1 eenheid textiel.
, hoeveel wijn kan Engeland dan maximaal consumeren? 3600
eenheden (dit is wanneer ze al hun textiel inruilen voor wijn)
hoeveel textiel kan Engeland dan maximaal consumeren? 3600, dit is
als ze alles consumeren wat ze zelf produceren.
consumptiemogelijkhedencurve (CMC),
helling is gelijk aan de ruilvoet (hier -1) = x-as
ruilvoet/y-as ruilvoet
CMC ligt buiten de PMC!! (kan meer consumeren dan produceren)
knik in CMC?
ruilvoet bepalen? tussen de opportuniteitskosten van de goederen
= alle beschikbare
middelen zijn gekocht,
WERKCOLLEGE 2: VRAAG EN AANBOD land gaat zijn overige
middelen ‘opofferen’
vraag
consumentensurplus = totale bereidheid tot
betalen (oppervlakte onder vraagcurve) –
totale uitgaven consument (p.q)
marginale bereidheid tot betalen =
bereidheid tot betalen van het laatste x =
inverse vraagfunctie
vraagoverschot? prijs stijgt en vraag daalt
aanbod
producentensurplus = totale opbrengsten (p.q) – totale kosten van
producent (oppervlakte onder aanbodscurve)
marginale kost = extra kost voor de laatste x = inverse aanbodsfunctie
aanbodsoverschot? prijs daalt en vraag stijgt tot nieuw evenwicht
prijsvorming
domein bepalen? trek lijnen vanuit y-as
marktevenwicht?
1. maak een tekening
2. bepaal domein (grens domein = knik in grafiek!)
3. vraag = aanbod (in het juiste domein)
verschuivingen/bewegingen
dominante strategie = strategie die de speler het beste resultaat levert, ongeacht
de keuze van de andere speler [kijkt naar wat andere speler doet en als wij hetzelfde doen
bij beide strategieën van andere speler, dan is het dominant]
dominant evenwicht = combinatie waar alle spelers hun dominante
strategie spelen
nash evenwicht = een combinatie van strategieën waarbij geen enkele speler de intentie
heeft zijn strategie te wijzigen, gegeven de strategie van de andere speler
bv. (15,10) bij 15 is er boven/onder geen hogere pay-off en bij 10 is er links/recht niks hoger
dominant evenwicht is altijd een (enig) nash
evenwicht maar niet omgekeerd
productiemogelijkhedencurve (PMC) = toont de
verschillende mogelijke combinaties van 2 goederen die
geproduceerd kunnen worden wanneer alle productiemiddelen
efficiënt worden ingezet.
punten op de grafiek = optimaal
punten op de grafiek en beneden de curve = productiemogelijkhedenverzameling
schaarste = beperking van beschikbare middelen, deze zorgen ervoor dat een punt
buiten de curve niet gerealiseerd kan worden
opportuniteitskost = wat je moet opgeven om iets anders te verkrijgen.
In deze context: als je meer taart wilt produceren, moet je een
bepaalde hoeveelheid brood opofferen bv. van D naar E moet je 32
broden opofferen om een extra taart te produceren
vorm van productiemogelijkhedencurve toont aan hoe de opportuniteitskosten veranderen
als we meer van een goed hebben
concaaf: opportuniteitskost neemt toe als het
goed toeneemt
, lineair: opportuniteitskost is constant als het
goed toeneemt
convex: opportuniteitskost is dalend
absoluut voordeel = kan meer van een
goed of dienst kan produceren dan
een ander, met dezelfde hoeveelheid
middelen
Portugal heeft absoluut voordeel, het kan éénzelfde hoeveelheid wijn als
textiel produceren met minder uren van Engeland (stel Engeland kon
textiel maken in 80u dan had hij daarin een absoluut voordeel en Portugal
in wijn)
stel beide 360 000u beschikbaar dan ziet de productiemogelijkhedencurve
er zo uit:
TIP: als je de opportuniteitskost zoekt
van het x, zet je het x vanonder op de
breuk bv. opportuniteitskost van
textiel Engeland is 3000/3600 = 5/6
OF via uren dan is x de bovenste
breuk
comparatief voordeel (met opportuniteitskost) = laagste
opportuniteitskost
bv. Engeland heeft het comparatief voordeel in textiel en Portugal in wijn
helling curve PMC = opportuniteitskost y-as van wie moet bij
produceren (bv. België moet mee … maken, helling = opp. kost van …
van België)
specialisatie = gaat elk land zich toeleggen op de productie van het
goed waarin het een comparatief voordeel heeft (productie = consumptie
waar het land in specialiseert)
handelgedreven met een ruilvoet van 1:1, wat betekent:
1 eenheid textiel wordt geruild voor 1 eenheid wijn.
of omgekeerd: 1 eenheid wijn wordt geruild voor 1 eenheid textiel.
, hoeveel wijn kan Engeland dan maximaal consumeren? 3600
eenheden (dit is wanneer ze al hun textiel inruilen voor wijn)
hoeveel textiel kan Engeland dan maximaal consumeren? 3600, dit is
als ze alles consumeren wat ze zelf produceren.
consumptiemogelijkhedencurve (CMC),
helling is gelijk aan de ruilvoet (hier -1) = x-as
ruilvoet/y-as ruilvoet
CMC ligt buiten de PMC!! (kan meer consumeren dan produceren)
knik in CMC?
ruilvoet bepalen? tussen de opportuniteitskosten van de goederen
= alle beschikbare
middelen zijn gekocht,
WERKCOLLEGE 2: VRAAG EN AANBOD land gaat zijn overige
middelen ‘opofferen’
vraag
consumentensurplus = totale bereidheid tot
betalen (oppervlakte onder vraagcurve) –
totale uitgaven consument (p.q)
marginale bereidheid tot betalen =
bereidheid tot betalen van het laatste x =
inverse vraagfunctie
vraagoverschot? prijs stijgt en vraag daalt
aanbod
producentensurplus = totale opbrengsten (p.q) – totale kosten van
producent (oppervlakte onder aanbodscurve)
marginale kost = extra kost voor de laatste x = inverse aanbodsfunctie
aanbodsoverschot? prijs daalt en vraag stijgt tot nieuw evenwicht
prijsvorming
domein bepalen? trek lijnen vanuit y-as
marktevenwicht?
1. maak een tekening
2. bepaal domein (grens domein = knik in grafiek!)
3. vraag = aanbod (in het juiste domein)
verschuivingen/bewegingen