Wiskunde examenvragen semester 1 2020-2021
Reeks 1
Vraag 1
1
f(x) = ( 2 x +3 ) ∙ ln ( 2 x +3 ) −2 x
2
a) Bepaal het domein van deze functie
b) Bepaal het extremum van deze functie en zeg ook welke soort
c) Geef weer voor welk interval deze functie een convexe kromming heeft
Vraag 2
Los volgende exponentiële vergelijking op
22 x−√ 2 x−3−15=4
Vraag 3
Economische toepassing met 2 merken (vraag en aanbodfunctie van beide gegeven)
a) Subsidie ten voordele van producent: totale opbrengsten berekenen
b) Subsidie ten voordele van consument: bepalen hoe groot deze moet zijn zodat totale
opbrengsten gelijk zijn aan 110
Vraag 4
Gegeven is de functie f(x) = 27-3 √ x met 0 < x < 81. Bepaal de omtrek van de rechthoek ABCD
zodat deze zo minimaal mogelijk is. De coördinaat van B is (x;0).
D C
A B
Vraag 5
Bepaal de oppervlakte tussen
f(x) = 3 x 3+ x 2 +3 x−2
en
g(x) = x 3+ 3 x 2 +8 x−8
Reeks 1
Vraag 1
1
f(x) = ( 2 x +3 ) ∙ ln ( 2 x +3 ) −2 x
2
a) Bepaal het domein van deze functie
b) Bepaal het extremum van deze functie en zeg ook welke soort
c) Geef weer voor welk interval deze functie een convexe kromming heeft
Vraag 2
Los volgende exponentiële vergelijking op
22 x−√ 2 x−3−15=4
Vraag 3
Economische toepassing met 2 merken (vraag en aanbodfunctie van beide gegeven)
a) Subsidie ten voordele van producent: totale opbrengsten berekenen
b) Subsidie ten voordele van consument: bepalen hoe groot deze moet zijn zodat totale
opbrengsten gelijk zijn aan 110
Vraag 4
Gegeven is de functie f(x) = 27-3 √ x met 0 < x < 81. Bepaal de omtrek van de rechthoek ABCD
zodat deze zo minimaal mogelijk is. De coördinaat van B is (x;0).
D C
A B
Vraag 5
Bepaal de oppervlakte tussen
f(x) = 3 x 3+ x 2 +3 x−2
en
g(x) = x 3+ 3 x 2 +8 x−8