Ontwikkelingspsychologie = proces van groei en verandering -> bepaald door de
interactie tussen erfelijkheid en omgeving.
Ontwikkeling duurt je hele leven -> meeste aandacht naar kindertijd en
adolescentie.
Ontwikkeling is niet altijd een goed iets.
Psychologie = wetenschap van mentale processen en gedrag.
Ontwikkelingspsychologie = bestudeert de psychologische veranderingen bij
toenemende leeftijd.
Pedagogiek = de wetenschap van het opvoeden (het proces waarin een kind wordt
gevormd naar de normen en waarden van de opvoeders en de samenleving)
Wanneer kleine kinderen zich verzetten om bijvoorbeeld at te. krijgen, is dat gezond
gedrag, dat hoort bij de leeftijd
-> op deze manier aan je ouders geruststellen die niet zoveel weten van opvoeding.
Psychosociaal functioneren = hoe functioneer je in relatie tot anderen? Welke rol
neem je in binnen het gezin school of werk?
Psyche = geest - ons denken, voelen en gedrag
Sociaal = onze interactie met andere mensen
Opgroeien en over worden betekent je steeds opnieuw aanpassen aan
veranderende vermogens en verwachtingen van anderen.
Psychologische ontwikkeling volgens Erikson (1963)
• mensen doorlopen 8 levensfasen, van babytijd tot ouderdom
• iedere fase wordt afgesloten met een crisis, een ontwikkelingstaak die typisch is
voor die fase
• als die taak onopgelost blijft of negatief is afgesloten loopt de ontwikkeling vast
(gestagneerd/stagnatie)
-> volgens Erikson kan je niet in 2 fases tegelijk zitten.
8 fasen:
Fase 1: babytijd (0-1,5 jaar)
Vertrouwen vs. wantrouwen
• veiligheid + geborgenheid vinden
• verzorgen
• troosten
• leiding nemen
• spiegelen (emoties valideren/erkennen)
Fase 2: peutertijd (1,5-3 jaar)
Autonomie vs. schaamte en twijfel
• positieve ontwikkeling: ontwikkeling van zelfstandigheid, de wereld verkennen,
dingen ‘zelf doen’ -> autonomie
• negatieve ontwikkeling: te veel kritiek of beschermen leidt tot twijfel aan zichzelf.
,Fase 3: kleutertijd (3-6 jaar)
Initiatief vs. schuldgevoel
• positieve ontwikkeling: ontwikkeling van geweten, eigen initiatieven ontplooien,
zelf dingen in gang zetten
• negatieve ontwikkeling: te hoge eisen en/of correcties -> schuldgevoel
Fase 4: schoolkindtijd (6 jaar tot puberteit)
Vlijt vs. minderwaardigheid
• positieve ontwikkeling: gevoelens van competentie en zelfvertrouwen (vlijt)
-> door successen en aanmoediging van anderen
• negatieve ontwikkeling: laag zelfbeeld, minderwaardig voelen
-> door mislukkelingen, te veel kritiek of hoge eisen.
Fase 5: adolescentie (puberteit tot …)
Identiteit vs. rolverwarring
• antwoord op de vraag “Wie ben ik?”
• identiteit = een doorleefd ik-gevoel dat eenheid aanbrengt in als belevingen
Daarnaast kan je nog een taak hebben zoals het uitvinden van je seksuele
geaardheid.
Fase 6: jongvolwassenheid
Intimiteit vs. isolement
• positieve ontwikkeling: aangaan van een intieme relatie
-> trouwen/samenwonen, of een hechte vriendschap
-> jezelf openstellen voor anderen, kwetsbaar durven zijn
• negatieve ontwikkeling: eenzaamheid, isolement
Fase 7: middelbare leeftijd
Generativiteit vs. egocentrisme
• positieve ontwikkeling: zorg dragen aan anderen, bijdragen aan de maatschappij -
> generativiteit:
-> gezin stichten
-> carrière maken, nieuwe ideeën voortbrengen
-> vrijwilligerswerk
• negatieve ontwikkeling: verveling, gebrek aan een toekomstvisie en frustratie ->
stagnatie/egocentrisme
Fase 8: ouderdom
(Ik-)integriteit vs. wanhoop
• positieve ontwikkeling: terugkijken op het leven met tevredenheid -> ik-integriteit
• negatieve ontwikkeling: spijt, opnieuw willen beginnen, niet tevreden zijn met het
leven die je hebt geleefd -> wanhoop.
Drie krachten van ontwikkeling:
1. nature = factoren die aangeboren zijn (door aanleg/genen)
2. nurture = factoren die aangeleerd zijn (door sociale omgeving, opvoeding)
3. rijping = veranderingen die voor een groot deel genetisch geregeld worden en
waarop omgevingsinvloeden een kleine invloed hebben.
, Continue verandering = geleidelijke ontwikkeling waarbij prestaties op een
bepaald niveau voortvloeien uit die van vorige niveaus -> kwantitatief
Discontinue verandering = ontwikkeling in aparte stappen of stadia. Elk stadium
levert gedrag op dat kwalitatief anders is dan gedrag in eerdere stadia.
Rites de passage -> volwassen worden in andere culturen -> in sommige culturen
ben je eerder/later volwassen:
• pre puberteit: 9-12 jaar (het voorbereiden op de puberteit)
• puberteit: 12-16 jaar (lichamelijk volwassen worden, hormonen, etc.)
• adolescentie: 12-21 jaar (sociaal emotioneel veranderingen)
Puberteit (biologische veranderingen):
• hormonale turbulentie
• groeispurt, lichamelijke processen die leiden tot vruchtbaarheid
• uiterlijk als bron van onzekerheid
• omgaan met seksuele verlangens en verliefdheid
Hersenen:
• executieve functies = emoties reguleren, plannen, time management leren,
reflecteren
• sypnaptic pruning = hersenprocessen
• cognitieve ontwikkeling = beter kunnen inleven, abstracter kunnen denken
• amygdala = je ervaart meer angst
Identificatie en experimenteren tijdens adolescentie.
-> je kijkt welke mensen bij je passen, wat je kledingstijl is. Je experimenteert met
van alles.
Met identificatie bewonder je mensen waarmee je je wilt identificeren (je herkent
dingen in iemand anders vanuit jezelf) -> Tijdens adolescentie wil je ook meer
autonomie.
Seksuele ontwikkeling:
Seksuele ontwikkeling 0-6 jaar:
• kinderen vanaf 15 maanden kunnen al seksuele responsen vertonen
• kinderen vanaf 4 jaar; verliefde gevoelens omschrijven
• ontdekken van het lichaam, en dus ook geslachtsdelen, spelenderwijs is normaal
• tonen of stimulatie geslachtsdelen, ook in bijzijn van anderen is normaal
• atypisch gender gedrag, experimenteren met verschillende genderrollen is
normaal
Seksuele ontwikkeling 6-12 jaar:
• verlegenheid, schaamte over blootheid neemt toe
• ontdekken lekkere spannende plekjes
• masturberen komt soms voor
• afname tonen, aanraken en onderzoeken geslachtsdelen ander kind
• toename kijken op internet seksueel getinte plaatjes
• experimenteren met genderidentiteit is normaal
• gender dysforie en seksuele oriëntatie worden duidelijker bij intrede puberteit