Keuzevak: verdieping in de acute pediatrie
Inhoud
1. (ab)normaal eetgedrag en ARFID..................................................................................1
2. Excessief huilen bij baby’s en hun ouders....................................................................10
3. APLS............................................................................................................................ 15
4. Casus Gastro enteritis..................................................................................................24
5. Koortsconvulsies.......................................................................................................... 31
6. Casus Respiratoir........................................................................................................ 37
7. Zelfstudiemodule.......................................................................................................... 42
8. Kinderpathologie.......................................................................................................... 47
9. Casussen Kinderpathologie.........................................................................................54
1. (ab)normaal eetgedrag en ARFID
1. Eetstoornissen als groeivragen
1.1 Groeien gebeurt in alle hoekjes
Groeien betekent het doorlopen van psychologische ontwikkelingstaken die passen bij elke leeftijdsfase.
Enkele belangrijke groeithema’s:
● Lichamelijke veranderingen: Tijdens de puberteit treden fysieke veranderingen op zoals groeispurt,
ontwikkeling van geslachtskenmerken, start van de menstruatie, hormonale veranderingen, enz
● Sociaal uitbreken: Jongeren nemen afstand van hun ouders en investeren in hechte vriendschappen.
Vriendengroepen worden een veilige omgeving om te experimenteren.
● Autonomie vergroten: Ze leren zelfstandig denken, omgaan met groepsdruk, zelfvertrouwen
opbouwen en sociale vaardigheden ontwikkelen (bv. initiatief nemen, communiceren, meningen
respecteren).
● Identiteitsontwikkeling: Jongeren zoeken naar hun eigen waarden, normen en identiteit. Ze leren ook
hun veranderende lichaam accepteren.
● Leren omgaan met emoties: Kinderen en jongeren moeten negatieve gevoelens leren herkennen,
verdragen en hanteren. Ouders spelen hierin een ondersteunende rol.
○ Als baby, kleuter, lagere school kind moeten we gradueel meer leren om met minder leuke
gevoelens om te gaan en om ze ook te leren verdragen.
■ We moeten leren dat minder leuke gevoelens deel uitmaken van het leven en dat
het oké is om ze te hebben, ook al vinden we het niet leuk om deze te ervaren. .
○ Puberteit en hersenontwikkeling:
■ Tijdens de puberteit is het brein volop in ontwikkeling, een proces dat doorgaat tot
ongeveer 25 jaar.
■ De hersengebieden voor emoties (lagere gebieden) ontwikkelen zich eerst.
■ De gebieden die instaan voor rationeel denken en zelfcontrole (hogere
hersengebieden) volgen later.
■ Hierdoor ontstaat tijdelijk een onbalans, waarbij emoties vaak sterker doorwegen
dan het verstand.
■ Erg gevoelig voor een onmiddellijke beloning of bekrachtiging wat betekent dat ze
gevoelig zijn voor alles wat belonend aanvoelt. (vb. schouderklopje)
■ Maar ook wel/niet eten kan helpend aanvoelen wanneer emoties (te) intens zijn.
○ Tieners ervaren emoties vaak heel intens en tegelijk voelen ze zich onzeker over hoe ze deze
emoties kunnen opvangen, verdragen of onder controle houden.
■ Hun intern controlemechanisme is dus nog niet goed ontwikkeld.
■ Het beloningsgebied in de hersenen is op dat moment wel al heel actief.
○ Door hulp van anderen, zoals ouders, kunnen we leren hoe we hiermee kunnen omgaan.
1.2 Spannende groeithema’s ivm eetgedrag
● Lichaamsbeeld
○ Kinderen leren dat hun lichaam meer is dan alleen het uiterlijk:
ook wat het lichaam allemaal kan en doet telt mee.
1
, ○ Elk lichaam is anders, en dat is oké.
○ Tijdens de adolescentie komt het slankheidsideaal sterk op via sociale media.
○ Jongeren moeten leren omgaan met deze beelden en kritisch leren denken over online
content.
● Emotieregulatie
○ In de kindertijd leren kinderen emoties te reguleren met hulp van anderen (bv. ouders,
leerkrachten).
○ In de puberteit wordt van hen verwacht dit zelfstandig te kunnen, terwijl hun
hersenontwikkeling dit nog bemoeilijkt.
○ Emoties worden in deze fase intenser ervaren, met weinig innerlijke controle als
tegengewicht.
● De regulatie van eetgedrag en gewicht.
○ Eetgedrag moet meebewegen met de groeifases: meer eten bij groeispurt, minder als de
groei afneemt.
○ In de kindertijd leren kinderen:
■ Honger herkennen en reguleren.
■ Omgaan met neofobie (angst voor nieuw voedsel), typisch rond 2,5 jaar
■ Verleidingen weerstaan: na 6 jaar neemt biologische regulatie af, en worden
kinderen vatbaarder voor externe eetprikkels.
○ In de puberteit:
■ Pubers hebben meer voeding nodig door groeispurt.
■ Nadien moeten ze leren opnieuw minder te eten wanneer de groei vertraagt.
■ Het draait om luisteren naar het lichaam en het opbouwen van een gezonde
leefstijl.
1.3 Haperend eetgedrag begrijpen
Vragen rond eetgedrag = groei vragen
Hoe kunnen we haperend eetgedrag begrijpen?
● Net zoals iedereen moet leren slapen, moet leren concentreren, moet leren om te leren, moet leren
om met emoties om te gaan, moet iedereen ook leren eten. En leren eten is niet zo gemakkelijk. Als
het eetgedrag hapert, moeten we hier een kapstok voor zoeken. We nodigen jullie uit om vragen rond
eetgedrag te zien als groeivragen.
● Eten is dus vaak 1 van de antwoorden, maar moeten we zien in een bredere groei.
Eten als ontwikkelingsgroep
● Eten of niet eten als emotieregulator: Emoties die aan het ontwikkelen zijn, die aan het wakker
worden zijn, vertalen zich vaak eerst in het eten, bv. veel eten, niet of weinig eten, of misschien net
controle verliezen in het eten.
● Eten als impulsregulatie: in die zin dat eten die impulsiviteit in het eten toont (vb. controle hebben,
afgrenzen of controle verliezen)
● Eten als verbinding: Je hoort wel eens dat kinderen thuis niet eten maar wel in de scouts of op school;
of omgekeerd dat ze wel thuis eten maar niet op school. Eten is een soort verbinding, en geeft soms
problemen aan in die verbinding.
1.4 Invoegen in het leren eten
- Groeiwijzer
1.5 Gezonde leefstijl: ALLES
Een gezonde leefstijl bestaat uit meer dan enkel en alleen afwisselend eten & bewegen. Wanneer we spreken
over een gezonde levensstijl dienen we 5 zaken in rekening te brengen:
● Afwisselend eten , gaat over de eetcompetenties (komen zo dadelijk aan bod)
● Leuk bewegen: bewegen is er om te zorgen voor je lichaam, om plezier te hebben, om te bewegen
omdat het gezond is. Dit kan sport zijn, maar staat er niet gelijk aan. Bewegen dient losgekoppeld te
worden van KCAL verbranden
● Lief zijn voor jezelf: gaat over een positief zelfbeeld en lichaamsbeeld opbouwen, waarbij stilgestaan
wordt rond je eigen kwaliteiten, waarden en normen alsook bij wat je minder ok vindt aan jezelf maar
dit kunnen accepteren. Bij lichaamsbeeld gaat het dan vooral over lichaamsbeeld verbreden dan
enkel uiterlijk, het gaat ook over functionialiteit, gezondheid, symbolische aspecten,…
● Emoties hanteren gaat uiteraard over het versterken van de emotieregulatie
● Slapen is ook een heel belangrijke factor binnen een gezonde leefstijl, dus ook dit is een belangrijke
competentie die aangeleerd dient te worden.
2
, 1.6 Eetcompetentie: de 4G’s Evenwichtig eetgedrag is meer dan alleen de voeding die men eet.
= een manier waarop naar voeding wordt gekeken, als een manier waarop tegenover voeding wordt gestaan.
Vergt een zeker mate van controle, tegelijkertijd mag de controle niet overheersen en interfereren met het
genot dat voeding kan geven: eten moet blijven gebeuren in een ontspannen sfeer.
● Genieten:
○ Eten is leuk, voeding mag lekker zijn en genieten van eten en van de gegeten hoeveelheid
mag. Eten mag ontspannen zijn.
● Gevarieerd:
○ Nieuw voedsel schrikt niet af, men durft proeven en leert iets lekker te vinden.
○ Durven variëren →voedingsdriehoek is hierin een handig hulpmiddel.
■ Zegt ons wat we allemaal nodig hebben in een gezonde variatie. Het is een
hulpmiddel, geen verbodslijst: alles mag, met de juiste balans.
● Genoeg:
○ Luisteren naar ons lichaam als we eten: hebben we genoeg of nog honger?
○ Het gaat over eten naargelang onze honger en verzadiging.
○ Het gaat over eten in functie van onze groeibehoeften.
● Geregeld:
○ Plannen van maaltijden, tussendoortjes en wat er gegeten wordt.
○ We moeten leren om te eten op vaste tijdstippen, om tijd te maken voor te eten, maar dat er
ook momenten dienen te zijn waarop onze maag kan rusten en leeg gemaakt kan worden.
2. Hoe verloopt de eetontwikkeling normaal?
2.1 Eetproblemen en eetstroonissen: een continuum
Normaal eetgedrag → haperend eetgedrag → eetprobleem → eetstoornis
● Een normaal eetgedrag uitbouwen dient gezien te worden als een van de groeitaken binnen de
ontwikkeling. Per leeftijdsfase komen ook rond het domein voeding en eten specifieke
ontwikkelingstaken op ons af.
○ Kleuters: neofobie, ontwikkeling van een breed smaakpallet, gewoon worden aan
verschillende densiteit en bereidingswijzengenoeg is
○ Tieners: snackgedrag, ontwikkeling van de regulatie mbt hoeveel
● Veel kinderen en jongeren maken tijdelijke haperingen door in de ontwikkeling van hun eetgedrag.
○ Te plaatsen binnen een normaal ontwikkelingstraject.
○ Ook fluctuaties in de voedselinname zijn eigen aan de ontwikkeling van het kind en vallen
niet onder de noemer ‘eetproblemen’ of ‘eetstoornissen’.
○ Deze haperingen in het eetgedrag kunnen aangemeld worden binnen een behandeltraject bij
de B-ELP.
● Een ‘eetprobleem’ is een verstoring in het gezonde eetgedrag, waardoor het eetgedrag niet meer
ontspannen en natuurlijk verloopt. Voorbeelden zijn te veel eten, lijngedrag, maaltijden overslaan en
eetbuien. Een eetprobleem kan op zichzelf staan maar ook kaderen binnen een eetstoornis.
● Een ‘eetstoornis’ bevat verschillende componenten. Hierbij is er niet alleen sprake van een verstoring
in het eetgedrag aan tafel (een eetprobleem), maar het eetprobleem heeft ook impact op andere
groeithema’s; bv. het zorgt ook voor problemen in sociale omgang, in gedachten en gevoelens (bijv.
een laag zelfbeeld), fysieke problemen (zoals een te laag of te hoog lichaamsgewicht) en een negatief
zelf- en lichaamsbeeld.
2.2 Ontwikkeling eetgedrag zuigeling, peuter, kleuter en lagere schoolkind
Zuigeling Lagere schoolkind
● Voorkeur zoete, romige smaken => hogere calorische ● Eetgedrag kan wisselend zijn (moe door school, groeiperiodes)
waarde => vanuit evolutionair perspectief te ● Leren omgaan met onevenwichtige snacks
verkiezen ● Voorkeur voor rauwe groenten en fruit boven gekookte (invloed
● Op vroege leeftijd in contact komen met bereiding die kind gewoon is)
verschillende smaken belangrijk voor ontwikkeling ● Verschil in gevoeligheid voor bittere smaak
smaakvoorkeuren ● Appreciatie groenten en fruit stijgt bij toevoeging van topping,
● Fasen smaakstof of kruiden
○ eerste: fijne, gepureerde voeding ● Herhaalde blootstelling blijft belangrijkste mechanisme in
3
, ○ tweede: zachte brokjes (6-9 maanden) smaakappreciatie
○ derde: vaste voeding (9-12 maanden) ● Variatie verhoogt consumptie => aanbieden van keuze bevordert
● Indien na 10 maanden pas brokjes in de voeding: proeven
meer afwijzing van complexere texturen en minder ● Neofobie nog niet verdwenen, maar wel minder sterk
gevarieerd eetpatroon ● Betrekken bij maaltijdbereiding bevordert proeven
● Baby-led weaning (Rapley methode): nut van ● Hapklare groenten en fruit bevordert consumptie
graduele overgang van vloeibaar naar vast => ● Rol voorbeeldfunctie ouders en andere zorgfiguren,
schrappen van overgangsfasen is echter niet leeftijdsgenoten
wetenschappelijk bewezen
Kleuter Peuter
● Baar school => vaak moe, eten minder ● Energiebehoefte daalt na 1ste levensjaar: komen nog ongeveer 1 à
● Bezorgdheid ouders => ongezonde voeding om kind 2kg per jaar bij
toch maar te doen eten => vertrouwen op ● Indruk dat peuter onvoldoende eet, kan onterecht zijn (had
zelfregulatie kind voordien grotere energiebehoefte en at dus meer)
● Eten op vaste tijdstippen, aan tafel, zonder afleiding ● Koppigheidsfase => strijd aan tafel
● Kinderen eten meer bij grotere porties ● Tot 18 à 24 maanden: nieuwe smaken na 2-3 proefbeurten
○ zowel kcal rijke voeding als groenten en (‘gevoelige periode’)
fruit (maar niet als tegelijkertijd ook meer ● Variatie in voeding op peuterleeftijd = voorspeller gevarieerd
geprefereerde voedingsmiddelen voedingspatroon op latere leeftijd
beschikbaar zijn) ● Voedselneofobie: ¾ van de 2-jarigen (vermindert geleidelijk tot
○ tip: groenten als voorgerecht, kleinere ongeveer 5-6 jaar, maar kan ook nog bij lagere schoolkinderen
porties calorierijke voeding voorkomen)
● Kinderen proeven makkelijker bij keuze tussen ○ voorkeur voor duidelijk herkenbaar voedsel, niet
verschillende soorten groenten en fruit gemengd of bedekt met saus
● Herhaalde blootstelling = belangrijkste mechanisme ○ peuter vergelijkt elk voedingsmiddel met prototypisch
● Bereidheid tot proeven creëren vb. door dipsaus toe voorbeeld (focus op details die verschillend zijn)
te voegen ○ prikkelgevoelige peuters => kieskeuriger eetpatroon
● Verbieden van ongezonde voeding heeft averechts ● Omgaan met neofobie →3 fasen:
effect ○ ontdekken: zien, aanraken, ruiken, …
● Openlijke controle (verbieden) ßà verborgen ○ proeven (10 à 15 proefbeurten nodig)
controle (vermijden van blootstelling) ○ voedingsmiddel wordt opgenomen in voedingspatroon
○ snoep en chips uit het zicht (niet verbieden, ● Neofobe kind: 15-tal blootstellingen nodig om te durven proeven
maar ook niet constant ter beschikking) ● Ouders bieden doorgaans niet vaker dan 5x een voedingsmiddel
aan dat kind niet wil eten
● Sfeer aan tafel: ongedwongen en gezellig (druk = weigering)
3. Wanneer is er sprake van ARFID?
3.1 Wat is ARFID
● Vermijdende/restrictieve voedselinnamestoornis
● Personen met ARFID eten te weinig (volume, bv. minder vaak eten dan anderen of te snel stoppen
met eten), te eenzijdig (ze beperken de soorten voedsel) of beide
3.2 DSM 5
4
Inhoud
1. (ab)normaal eetgedrag en ARFID..................................................................................1
2. Excessief huilen bij baby’s en hun ouders....................................................................10
3. APLS............................................................................................................................ 15
4. Casus Gastro enteritis..................................................................................................24
5. Koortsconvulsies.......................................................................................................... 31
6. Casus Respiratoir........................................................................................................ 37
7. Zelfstudiemodule.......................................................................................................... 42
8. Kinderpathologie.......................................................................................................... 47
9. Casussen Kinderpathologie.........................................................................................54
1. (ab)normaal eetgedrag en ARFID
1. Eetstoornissen als groeivragen
1.1 Groeien gebeurt in alle hoekjes
Groeien betekent het doorlopen van psychologische ontwikkelingstaken die passen bij elke leeftijdsfase.
Enkele belangrijke groeithema’s:
● Lichamelijke veranderingen: Tijdens de puberteit treden fysieke veranderingen op zoals groeispurt,
ontwikkeling van geslachtskenmerken, start van de menstruatie, hormonale veranderingen, enz
● Sociaal uitbreken: Jongeren nemen afstand van hun ouders en investeren in hechte vriendschappen.
Vriendengroepen worden een veilige omgeving om te experimenteren.
● Autonomie vergroten: Ze leren zelfstandig denken, omgaan met groepsdruk, zelfvertrouwen
opbouwen en sociale vaardigheden ontwikkelen (bv. initiatief nemen, communiceren, meningen
respecteren).
● Identiteitsontwikkeling: Jongeren zoeken naar hun eigen waarden, normen en identiteit. Ze leren ook
hun veranderende lichaam accepteren.
● Leren omgaan met emoties: Kinderen en jongeren moeten negatieve gevoelens leren herkennen,
verdragen en hanteren. Ouders spelen hierin een ondersteunende rol.
○ Als baby, kleuter, lagere school kind moeten we gradueel meer leren om met minder leuke
gevoelens om te gaan en om ze ook te leren verdragen.
■ We moeten leren dat minder leuke gevoelens deel uitmaken van het leven en dat
het oké is om ze te hebben, ook al vinden we het niet leuk om deze te ervaren. .
○ Puberteit en hersenontwikkeling:
■ Tijdens de puberteit is het brein volop in ontwikkeling, een proces dat doorgaat tot
ongeveer 25 jaar.
■ De hersengebieden voor emoties (lagere gebieden) ontwikkelen zich eerst.
■ De gebieden die instaan voor rationeel denken en zelfcontrole (hogere
hersengebieden) volgen later.
■ Hierdoor ontstaat tijdelijk een onbalans, waarbij emoties vaak sterker doorwegen
dan het verstand.
■ Erg gevoelig voor een onmiddellijke beloning of bekrachtiging wat betekent dat ze
gevoelig zijn voor alles wat belonend aanvoelt. (vb. schouderklopje)
■ Maar ook wel/niet eten kan helpend aanvoelen wanneer emoties (te) intens zijn.
○ Tieners ervaren emoties vaak heel intens en tegelijk voelen ze zich onzeker over hoe ze deze
emoties kunnen opvangen, verdragen of onder controle houden.
■ Hun intern controlemechanisme is dus nog niet goed ontwikkeld.
■ Het beloningsgebied in de hersenen is op dat moment wel al heel actief.
○ Door hulp van anderen, zoals ouders, kunnen we leren hoe we hiermee kunnen omgaan.
1.2 Spannende groeithema’s ivm eetgedrag
● Lichaamsbeeld
○ Kinderen leren dat hun lichaam meer is dan alleen het uiterlijk:
ook wat het lichaam allemaal kan en doet telt mee.
1
, ○ Elk lichaam is anders, en dat is oké.
○ Tijdens de adolescentie komt het slankheidsideaal sterk op via sociale media.
○ Jongeren moeten leren omgaan met deze beelden en kritisch leren denken over online
content.
● Emotieregulatie
○ In de kindertijd leren kinderen emoties te reguleren met hulp van anderen (bv. ouders,
leerkrachten).
○ In de puberteit wordt van hen verwacht dit zelfstandig te kunnen, terwijl hun
hersenontwikkeling dit nog bemoeilijkt.
○ Emoties worden in deze fase intenser ervaren, met weinig innerlijke controle als
tegengewicht.
● De regulatie van eetgedrag en gewicht.
○ Eetgedrag moet meebewegen met de groeifases: meer eten bij groeispurt, minder als de
groei afneemt.
○ In de kindertijd leren kinderen:
■ Honger herkennen en reguleren.
■ Omgaan met neofobie (angst voor nieuw voedsel), typisch rond 2,5 jaar
■ Verleidingen weerstaan: na 6 jaar neemt biologische regulatie af, en worden
kinderen vatbaarder voor externe eetprikkels.
○ In de puberteit:
■ Pubers hebben meer voeding nodig door groeispurt.
■ Nadien moeten ze leren opnieuw minder te eten wanneer de groei vertraagt.
■ Het draait om luisteren naar het lichaam en het opbouwen van een gezonde
leefstijl.
1.3 Haperend eetgedrag begrijpen
Vragen rond eetgedrag = groei vragen
Hoe kunnen we haperend eetgedrag begrijpen?
● Net zoals iedereen moet leren slapen, moet leren concentreren, moet leren om te leren, moet leren
om met emoties om te gaan, moet iedereen ook leren eten. En leren eten is niet zo gemakkelijk. Als
het eetgedrag hapert, moeten we hier een kapstok voor zoeken. We nodigen jullie uit om vragen rond
eetgedrag te zien als groeivragen.
● Eten is dus vaak 1 van de antwoorden, maar moeten we zien in een bredere groei.
Eten als ontwikkelingsgroep
● Eten of niet eten als emotieregulator: Emoties die aan het ontwikkelen zijn, die aan het wakker
worden zijn, vertalen zich vaak eerst in het eten, bv. veel eten, niet of weinig eten, of misschien net
controle verliezen in het eten.
● Eten als impulsregulatie: in die zin dat eten die impulsiviteit in het eten toont (vb. controle hebben,
afgrenzen of controle verliezen)
● Eten als verbinding: Je hoort wel eens dat kinderen thuis niet eten maar wel in de scouts of op school;
of omgekeerd dat ze wel thuis eten maar niet op school. Eten is een soort verbinding, en geeft soms
problemen aan in die verbinding.
1.4 Invoegen in het leren eten
- Groeiwijzer
1.5 Gezonde leefstijl: ALLES
Een gezonde leefstijl bestaat uit meer dan enkel en alleen afwisselend eten & bewegen. Wanneer we spreken
over een gezonde levensstijl dienen we 5 zaken in rekening te brengen:
● Afwisselend eten , gaat over de eetcompetenties (komen zo dadelijk aan bod)
● Leuk bewegen: bewegen is er om te zorgen voor je lichaam, om plezier te hebben, om te bewegen
omdat het gezond is. Dit kan sport zijn, maar staat er niet gelijk aan. Bewegen dient losgekoppeld te
worden van KCAL verbranden
● Lief zijn voor jezelf: gaat over een positief zelfbeeld en lichaamsbeeld opbouwen, waarbij stilgestaan
wordt rond je eigen kwaliteiten, waarden en normen alsook bij wat je minder ok vindt aan jezelf maar
dit kunnen accepteren. Bij lichaamsbeeld gaat het dan vooral over lichaamsbeeld verbreden dan
enkel uiterlijk, het gaat ook over functionialiteit, gezondheid, symbolische aspecten,…
● Emoties hanteren gaat uiteraard over het versterken van de emotieregulatie
● Slapen is ook een heel belangrijke factor binnen een gezonde leefstijl, dus ook dit is een belangrijke
competentie die aangeleerd dient te worden.
2
, 1.6 Eetcompetentie: de 4G’s Evenwichtig eetgedrag is meer dan alleen de voeding die men eet.
= een manier waarop naar voeding wordt gekeken, als een manier waarop tegenover voeding wordt gestaan.
Vergt een zeker mate van controle, tegelijkertijd mag de controle niet overheersen en interfereren met het
genot dat voeding kan geven: eten moet blijven gebeuren in een ontspannen sfeer.
● Genieten:
○ Eten is leuk, voeding mag lekker zijn en genieten van eten en van de gegeten hoeveelheid
mag. Eten mag ontspannen zijn.
● Gevarieerd:
○ Nieuw voedsel schrikt niet af, men durft proeven en leert iets lekker te vinden.
○ Durven variëren →voedingsdriehoek is hierin een handig hulpmiddel.
■ Zegt ons wat we allemaal nodig hebben in een gezonde variatie. Het is een
hulpmiddel, geen verbodslijst: alles mag, met de juiste balans.
● Genoeg:
○ Luisteren naar ons lichaam als we eten: hebben we genoeg of nog honger?
○ Het gaat over eten naargelang onze honger en verzadiging.
○ Het gaat over eten in functie van onze groeibehoeften.
● Geregeld:
○ Plannen van maaltijden, tussendoortjes en wat er gegeten wordt.
○ We moeten leren om te eten op vaste tijdstippen, om tijd te maken voor te eten, maar dat er
ook momenten dienen te zijn waarop onze maag kan rusten en leeg gemaakt kan worden.
2. Hoe verloopt de eetontwikkeling normaal?
2.1 Eetproblemen en eetstroonissen: een continuum
Normaal eetgedrag → haperend eetgedrag → eetprobleem → eetstoornis
● Een normaal eetgedrag uitbouwen dient gezien te worden als een van de groeitaken binnen de
ontwikkeling. Per leeftijdsfase komen ook rond het domein voeding en eten specifieke
ontwikkelingstaken op ons af.
○ Kleuters: neofobie, ontwikkeling van een breed smaakpallet, gewoon worden aan
verschillende densiteit en bereidingswijzengenoeg is
○ Tieners: snackgedrag, ontwikkeling van de regulatie mbt hoeveel
● Veel kinderen en jongeren maken tijdelijke haperingen door in de ontwikkeling van hun eetgedrag.
○ Te plaatsen binnen een normaal ontwikkelingstraject.
○ Ook fluctuaties in de voedselinname zijn eigen aan de ontwikkeling van het kind en vallen
niet onder de noemer ‘eetproblemen’ of ‘eetstoornissen’.
○ Deze haperingen in het eetgedrag kunnen aangemeld worden binnen een behandeltraject bij
de B-ELP.
● Een ‘eetprobleem’ is een verstoring in het gezonde eetgedrag, waardoor het eetgedrag niet meer
ontspannen en natuurlijk verloopt. Voorbeelden zijn te veel eten, lijngedrag, maaltijden overslaan en
eetbuien. Een eetprobleem kan op zichzelf staan maar ook kaderen binnen een eetstoornis.
● Een ‘eetstoornis’ bevat verschillende componenten. Hierbij is er niet alleen sprake van een verstoring
in het eetgedrag aan tafel (een eetprobleem), maar het eetprobleem heeft ook impact op andere
groeithema’s; bv. het zorgt ook voor problemen in sociale omgang, in gedachten en gevoelens (bijv.
een laag zelfbeeld), fysieke problemen (zoals een te laag of te hoog lichaamsgewicht) en een negatief
zelf- en lichaamsbeeld.
2.2 Ontwikkeling eetgedrag zuigeling, peuter, kleuter en lagere schoolkind
Zuigeling Lagere schoolkind
● Voorkeur zoete, romige smaken => hogere calorische ● Eetgedrag kan wisselend zijn (moe door school, groeiperiodes)
waarde => vanuit evolutionair perspectief te ● Leren omgaan met onevenwichtige snacks
verkiezen ● Voorkeur voor rauwe groenten en fruit boven gekookte (invloed
● Op vroege leeftijd in contact komen met bereiding die kind gewoon is)
verschillende smaken belangrijk voor ontwikkeling ● Verschil in gevoeligheid voor bittere smaak
smaakvoorkeuren ● Appreciatie groenten en fruit stijgt bij toevoeging van topping,
● Fasen smaakstof of kruiden
○ eerste: fijne, gepureerde voeding ● Herhaalde blootstelling blijft belangrijkste mechanisme in
3
, ○ tweede: zachte brokjes (6-9 maanden) smaakappreciatie
○ derde: vaste voeding (9-12 maanden) ● Variatie verhoogt consumptie => aanbieden van keuze bevordert
● Indien na 10 maanden pas brokjes in de voeding: proeven
meer afwijzing van complexere texturen en minder ● Neofobie nog niet verdwenen, maar wel minder sterk
gevarieerd eetpatroon ● Betrekken bij maaltijdbereiding bevordert proeven
● Baby-led weaning (Rapley methode): nut van ● Hapklare groenten en fruit bevordert consumptie
graduele overgang van vloeibaar naar vast => ● Rol voorbeeldfunctie ouders en andere zorgfiguren,
schrappen van overgangsfasen is echter niet leeftijdsgenoten
wetenschappelijk bewezen
Kleuter Peuter
● Baar school => vaak moe, eten minder ● Energiebehoefte daalt na 1ste levensjaar: komen nog ongeveer 1 à
● Bezorgdheid ouders => ongezonde voeding om kind 2kg per jaar bij
toch maar te doen eten => vertrouwen op ● Indruk dat peuter onvoldoende eet, kan onterecht zijn (had
zelfregulatie kind voordien grotere energiebehoefte en at dus meer)
● Eten op vaste tijdstippen, aan tafel, zonder afleiding ● Koppigheidsfase => strijd aan tafel
● Kinderen eten meer bij grotere porties ● Tot 18 à 24 maanden: nieuwe smaken na 2-3 proefbeurten
○ zowel kcal rijke voeding als groenten en (‘gevoelige periode’)
fruit (maar niet als tegelijkertijd ook meer ● Variatie in voeding op peuterleeftijd = voorspeller gevarieerd
geprefereerde voedingsmiddelen voedingspatroon op latere leeftijd
beschikbaar zijn) ● Voedselneofobie: ¾ van de 2-jarigen (vermindert geleidelijk tot
○ tip: groenten als voorgerecht, kleinere ongeveer 5-6 jaar, maar kan ook nog bij lagere schoolkinderen
porties calorierijke voeding voorkomen)
● Kinderen proeven makkelijker bij keuze tussen ○ voorkeur voor duidelijk herkenbaar voedsel, niet
verschillende soorten groenten en fruit gemengd of bedekt met saus
● Herhaalde blootstelling = belangrijkste mechanisme ○ peuter vergelijkt elk voedingsmiddel met prototypisch
● Bereidheid tot proeven creëren vb. door dipsaus toe voorbeeld (focus op details die verschillend zijn)
te voegen ○ prikkelgevoelige peuters => kieskeuriger eetpatroon
● Verbieden van ongezonde voeding heeft averechts ● Omgaan met neofobie →3 fasen:
effect ○ ontdekken: zien, aanraken, ruiken, …
● Openlijke controle (verbieden) ßà verborgen ○ proeven (10 à 15 proefbeurten nodig)
controle (vermijden van blootstelling) ○ voedingsmiddel wordt opgenomen in voedingspatroon
○ snoep en chips uit het zicht (niet verbieden, ● Neofobe kind: 15-tal blootstellingen nodig om te durven proeven
maar ook niet constant ter beschikking) ● Ouders bieden doorgaans niet vaker dan 5x een voedingsmiddel
aan dat kind niet wil eten
● Sfeer aan tafel: ongedwongen en gezellig (druk = weigering)
3. Wanneer is er sprake van ARFID?
3.1 Wat is ARFID
● Vermijdende/restrictieve voedselinnamestoornis
● Personen met ARFID eten te weinig (volume, bv. minder vaak eten dan anderen of te snel stoppen
met eten), te eenzijdig (ze beperken de soorten voedsel) of beide
3.2 DSM 5
4