Hoofdstuk 6 Opzet
6.2 Opzet en delictsomschrijving
6.2.1 Opzet op bestanddelen
Schuldverband = opzet moet gericht zijn op de in de delictsomschrijving
voorkomende objectieve bestanddelen. Daders moet zich door hun kennis
van de feiten niet hebben laten weerhouden.
Geobjectiveerd = bestanddelen die vooraf zijn gegaan aan de opzet.
Bestanddeel waar opzet niet op gericht hoeft te zijn.
6.2.2 Kleurloos opzet
Kleurloos opzet = als op een of andere manier wordt uitgedrukt dat opzet
op een of meer bestanddelen van het delict vereist is. Het opzet behoeft
niet op het wederrechtelijk van de handeling gericht te zijn.
6.2.3 Opzettelijk (en) wederrechtelijk
Wederrechtelijk = in strijd met het recht handelen.
6.2.4 Opzet en causaal verband
Causaliteitsvraag = er is causaal verband omdat er opzet op het
uiteindelijke gevolg was. Als de opzet doden was, maakt het niet uit hoe
het is gebeurd.
6.3 Het bestanddeel ‘opzettelijk’
6.3.1 Vier opzetvormen
Die vier opzetvormen hebben gemeenschappelijk dat het altijd gaat over
willen en wetens handelen. Soms ligt het accent op het willen, soms op het
weten.
1. Opzet al bedoeling
Het willen domineert. De dader weet wat hij wil, hij heeft het door
hem beoogde gevolg tenminste als mogelijk voorzien. Het is niet
vereist dat de dader zeker weet dat het gevolg zal intreden.
2. Opzet als zekerheids- of noodzakelijkheidsbewustzijn
Het weten domineert. De dader beoogt het dodelijk gevolg niet,
maar weet hij zeker dat de dood van het slachtoffer een noodzakelijk
gevolg van zijn handelen zal zijn. Iemand rijdt een ander dood,
omdat hij uit de handen van de politie wil blijven.
3. Opzet als waarschijnlijkheidsbewustzijn
Gevolgen liggen op het moment van handelen in de toekomst. De
dader beseft dat het gevolg hoogst waarschijnlijk zal intreden. Wie
zich niet laat afschrikken door de waarschijnlijkheid van het gevolg,
aanvaardt dat gevolg weer als consequentie van zijn daad.
4. Opzet als mogelijkheidsbewustzijn; voorwaardelijke opzet
, De dader aanvaardt de gevolgen van zijn handelen niet. Wel moet
hij van de mogelijkheid bewust zijn geweest en deze hebben
aanvaard.
Als er een combinatie is van willen en weten dan is er sprake van
voorwaardelijke opzet.
6.3.2 Het voorwaardelijk opzet in de jurisprudentie
Voorwaardelijke opzet wordt tegenwoordig in de jurisprudentie uitgelegd
als: ‘zich willens en wetens blootstellen aan de aanmerkelijke kans dat’. De
dader laat zich niet weerhouden door de grote risico’s waarvan hij zich
bewust is.
Daarbij is wel een kanttekening Porsche-arrest.
- De verdachte had alcohol gedronken en was met hoge snelheid gaan
rijden. Bij een inhaalmanoeuvre is hij frontaal op een andere auto
geklapt, waarbij vijf personen om zijn gekomen. Vooraf aan de
inhaalmanoeuvre had hij meerdere mislukte pogingen gehad. Bij de
laatste poging dacht de verdacht dat het goed zou aflopen. Dan is
sprake van bewuste schuld (culpa), niet van opzet.
Verplichte jurisprudentie: Vrijspraak voormalige neuroloog
De voormalige neuroloog is vrijgesproken van het opzettelijk in een
hulpeloze toestand brengen of laten van patiënten en van het opzettelijk
schaden van hun gezondheid door verkeerde diagnoses te stellen en
daaraan vast te houden. Volgens het hof was er geen bewijs dat de arts
zich bewust was van de aanzienlijke kans op letsel of gezondheidsschade
en die kans ook heeft aanvaard. Daarom is het opzet niet bewezen. De
vrijspraak is goed gemotiveerd en begrijpelijk, en het feit dat hij arts was,
verandert dat niet.
6.3.3 Nadere uitwerking: de objectieve kansgrootte
Nog een belangrijke eis: er moet daadwerkelijk sprake zijn geweest van
een aanmerkelijke kans. Als de verdachte zelf dacht dat de kans op een
gevolg groot was (subjectief) maar objectief was de kan niet groot, dan is
dat niet voldoende. Het bewustzijn moet corresponderen met de feitelijke
situatie
6.3.5 Voorwaardelijk opzet en bewijs
Voorwaardelijke opzet komt vaak voort uit bewijsnood.
Sommige gedragingen kunnen naar hun uiterlijke verschijningsvorm
worden aangemerkt als zozeer gericht op een bepaald gevolg dat het niet
anders kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op het
desbetreffende gevolg heeft aanvaard.
, Als een verdachte zegt zelf niet te weten wat hem bezielde komt de
redenering ‘wat ieder weet, moet ook de verdachte hebben geweten’.
Wel moet er rekening worden gehouden met contra-inidcaties. Contra-
indicaties zijn omstandigheden of factoren die ervoor kunnen zorgen dat
een bepaalde stap of beslissing in het strafproces niet doorgaat of niet
rechtsgeldig is. Dit geldt echter niet bij een geestelijke stoornis.
Onvoorzichtigheid wordt praktisch gezegd gelijkgesteld aan opzet; de
verdachte heeft opzet als blijkt dat hij onvoorzichtig is geweest.
6.4 Wetende dat
In sommige artikelen staat dat de dader het geweten moest hebben:
‘wetende dat zij vervalst zijn en die vervalsing verzwijgende’. Ook wordt er
gesproken van ‘ernstige reden hebben om te vermoeden’ of
‘redelijkerwijze moeten vermoeden’.
Pro parte doleus, pro parte culpoos delict = een gedeelte heeft een culpse
vorm (bijv. indien hij weet of ernstige reden heeft te vermoeden) en een
gedeelte opzettelijk gedeelte.
6.5 Oogmerk
Er moet opzet zijn op het gevolg, maar dat nagestreefde gevolg behoeft
niet te zijn gerealiseerd.
Het begrip oogmerk is identiek aan het begrip opzet. De ontwerpwetgever
duidde het begrip oogmerk aan als ‘naaste doel’ van de dader. De indruk
is dat het gaat om de bedoeling van de dader.
Het oogmerk is de directe opzet waarmee iemand een strafbaar feit
pleegt. Het is wat de dader bewust wil bereiken met zijn handeling. Het
motief is waarom iemand iets doet, zijn achterliggende reden of
persoonlijke doel.
Hoofdstuk 8 Strafuitsluitingsgronden
8.1 Inleiding
Strafuitsluitingsgronden = er wordt vastgesteld dat de verdachte een
strafbaar feit heeft gepleegd, maar de verdachte wordt ontslagen van de
rechtsvervolging wegens de niet-strafbaarheid van de dader. Denk
bijvoorbeeld aan noodweer(exces).
In de wet staan bijvoorbeeld de volgende strafuitsluitingsgronden:
ontoerekeningsvatbaarheid (art. 39 Sr)
overmacht (art. 40 Sr)
noodweer(exces) (art. 41 Sr)
wettelijk voorschrift (art. 42 Sr)
bevoegd en onbevoegd ambtelijk bevel (art. 43 Sr)
6.2 Opzet en delictsomschrijving
6.2.1 Opzet op bestanddelen
Schuldverband = opzet moet gericht zijn op de in de delictsomschrijving
voorkomende objectieve bestanddelen. Daders moet zich door hun kennis
van de feiten niet hebben laten weerhouden.
Geobjectiveerd = bestanddelen die vooraf zijn gegaan aan de opzet.
Bestanddeel waar opzet niet op gericht hoeft te zijn.
6.2.2 Kleurloos opzet
Kleurloos opzet = als op een of andere manier wordt uitgedrukt dat opzet
op een of meer bestanddelen van het delict vereist is. Het opzet behoeft
niet op het wederrechtelijk van de handeling gericht te zijn.
6.2.3 Opzettelijk (en) wederrechtelijk
Wederrechtelijk = in strijd met het recht handelen.
6.2.4 Opzet en causaal verband
Causaliteitsvraag = er is causaal verband omdat er opzet op het
uiteindelijke gevolg was. Als de opzet doden was, maakt het niet uit hoe
het is gebeurd.
6.3 Het bestanddeel ‘opzettelijk’
6.3.1 Vier opzetvormen
Die vier opzetvormen hebben gemeenschappelijk dat het altijd gaat over
willen en wetens handelen. Soms ligt het accent op het willen, soms op het
weten.
1. Opzet al bedoeling
Het willen domineert. De dader weet wat hij wil, hij heeft het door
hem beoogde gevolg tenminste als mogelijk voorzien. Het is niet
vereist dat de dader zeker weet dat het gevolg zal intreden.
2. Opzet als zekerheids- of noodzakelijkheidsbewustzijn
Het weten domineert. De dader beoogt het dodelijk gevolg niet,
maar weet hij zeker dat de dood van het slachtoffer een noodzakelijk
gevolg van zijn handelen zal zijn. Iemand rijdt een ander dood,
omdat hij uit de handen van de politie wil blijven.
3. Opzet als waarschijnlijkheidsbewustzijn
Gevolgen liggen op het moment van handelen in de toekomst. De
dader beseft dat het gevolg hoogst waarschijnlijk zal intreden. Wie
zich niet laat afschrikken door de waarschijnlijkheid van het gevolg,
aanvaardt dat gevolg weer als consequentie van zijn daad.
4. Opzet als mogelijkheidsbewustzijn; voorwaardelijke opzet
, De dader aanvaardt de gevolgen van zijn handelen niet. Wel moet
hij van de mogelijkheid bewust zijn geweest en deze hebben
aanvaard.
Als er een combinatie is van willen en weten dan is er sprake van
voorwaardelijke opzet.
6.3.2 Het voorwaardelijk opzet in de jurisprudentie
Voorwaardelijke opzet wordt tegenwoordig in de jurisprudentie uitgelegd
als: ‘zich willens en wetens blootstellen aan de aanmerkelijke kans dat’. De
dader laat zich niet weerhouden door de grote risico’s waarvan hij zich
bewust is.
Daarbij is wel een kanttekening Porsche-arrest.
- De verdachte had alcohol gedronken en was met hoge snelheid gaan
rijden. Bij een inhaalmanoeuvre is hij frontaal op een andere auto
geklapt, waarbij vijf personen om zijn gekomen. Vooraf aan de
inhaalmanoeuvre had hij meerdere mislukte pogingen gehad. Bij de
laatste poging dacht de verdacht dat het goed zou aflopen. Dan is
sprake van bewuste schuld (culpa), niet van opzet.
Verplichte jurisprudentie: Vrijspraak voormalige neuroloog
De voormalige neuroloog is vrijgesproken van het opzettelijk in een
hulpeloze toestand brengen of laten van patiënten en van het opzettelijk
schaden van hun gezondheid door verkeerde diagnoses te stellen en
daaraan vast te houden. Volgens het hof was er geen bewijs dat de arts
zich bewust was van de aanzienlijke kans op letsel of gezondheidsschade
en die kans ook heeft aanvaard. Daarom is het opzet niet bewezen. De
vrijspraak is goed gemotiveerd en begrijpelijk, en het feit dat hij arts was,
verandert dat niet.
6.3.3 Nadere uitwerking: de objectieve kansgrootte
Nog een belangrijke eis: er moet daadwerkelijk sprake zijn geweest van
een aanmerkelijke kans. Als de verdachte zelf dacht dat de kans op een
gevolg groot was (subjectief) maar objectief was de kan niet groot, dan is
dat niet voldoende. Het bewustzijn moet corresponderen met de feitelijke
situatie
6.3.5 Voorwaardelijk opzet en bewijs
Voorwaardelijke opzet komt vaak voort uit bewijsnood.
Sommige gedragingen kunnen naar hun uiterlijke verschijningsvorm
worden aangemerkt als zozeer gericht op een bepaald gevolg dat het niet
anders kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op het
desbetreffende gevolg heeft aanvaard.
, Als een verdachte zegt zelf niet te weten wat hem bezielde komt de
redenering ‘wat ieder weet, moet ook de verdachte hebben geweten’.
Wel moet er rekening worden gehouden met contra-inidcaties. Contra-
indicaties zijn omstandigheden of factoren die ervoor kunnen zorgen dat
een bepaalde stap of beslissing in het strafproces niet doorgaat of niet
rechtsgeldig is. Dit geldt echter niet bij een geestelijke stoornis.
Onvoorzichtigheid wordt praktisch gezegd gelijkgesteld aan opzet; de
verdachte heeft opzet als blijkt dat hij onvoorzichtig is geweest.
6.4 Wetende dat
In sommige artikelen staat dat de dader het geweten moest hebben:
‘wetende dat zij vervalst zijn en die vervalsing verzwijgende’. Ook wordt er
gesproken van ‘ernstige reden hebben om te vermoeden’ of
‘redelijkerwijze moeten vermoeden’.
Pro parte doleus, pro parte culpoos delict = een gedeelte heeft een culpse
vorm (bijv. indien hij weet of ernstige reden heeft te vermoeden) en een
gedeelte opzettelijk gedeelte.
6.5 Oogmerk
Er moet opzet zijn op het gevolg, maar dat nagestreefde gevolg behoeft
niet te zijn gerealiseerd.
Het begrip oogmerk is identiek aan het begrip opzet. De ontwerpwetgever
duidde het begrip oogmerk aan als ‘naaste doel’ van de dader. De indruk
is dat het gaat om de bedoeling van de dader.
Het oogmerk is de directe opzet waarmee iemand een strafbaar feit
pleegt. Het is wat de dader bewust wil bereiken met zijn handeling. Het
motief is waarom iemand iets doet, zijn achterliggende reden of
persoonlijke doel.
Hoofdstuk 8 Strafuitsluitingsgronden
8.1 Inleiding
Strafuitsluitingsgronden = er wordt vastgesteld dat de verdachte een
strafbaar feit heeft gepleegd, maar de verdachte wordt ontslagen van de
rechtsvervolging wegens de niet-strafbaarheid van de dader. Denk
bijvoorbeeld aan noodweer(exces).
In de wet staan bijvoorbeeld de volgende strafuitsluitingsgronden:
ontoerekeningsvatbaarheid (art. 39 Sr)
overmacht (art. 40 Sr)
noodweer(exces) (art. 41 Sr)
wettelijk voorschrift (art. 42 Sr)
bevoegd en onbevoegd ambtelijk bevel (art. 43 Sr)