1. Inleiding en perifeer zenuwstelsel
We hebben het somatisch zenuwstelsel dat de dwars gestreepte skeletspieren zal
aansturen. We hebben ook een visceraal/autonoom zenuwstelsel, onwillekeurig ZS.
Hiertoe behoort de sympaticus die instaat voor het fight of flight mechanisme. Maar ook
parasympaticus, die instaat voor live en let live ( processen die niet te maken hebben
met een stress situatie, sympaticus heeft te maken met een stress situatie).para en
sympaticus zijn een soort tegenhangers van elkaar.
Het enterische ZS gaan we niet echt bespreken omdat er hier weinig GM voor zijn.
Sympaticus:
- we hebben lang pre ganglionaire neuronen die
schakkelen van de truncus sympaticus. Daarna
hebben we korte postganglionaire neuronen die naar
het doelwit orgaan zullen vertrekken.
- Bijniermerg: omvat preganglionaire neuronen
van de medulla spinalis en produceren adrenaline.
- Bloedvaten zijn sympatisch geinnerveerd.
Zorgt dus voor vasoconstrictie en verhooge
bloeddruk.
- Bronchodilatatie en zal de secretie van mucus
inhiberen.
Parasympaticus : meest craniale deel RG
- 12 kopzenuwen: aangezicht, mimiek maar belangrijkste is nervus vagus. Dez gaat de
abdominale stukken beinvloeden.
- Voor sacrale en kopzenuwen hebben we een lang preganglionair ganglion en een kort
post ganglionaire neuronen.
- Corpus cavernosum van de penis en neusmucosa zijn parasympatisch geenerveerd.
- Bronchoconstrictie en mucus productie van klieren.
Cholinerge en adrenerge transmissie
Cholinerge transmissie is acetylcholine als neurotransmittor. Adrenerge transmissie heeft te
maken met noradrenaline en adrenaline.
- In het somatische zenuwstelsels hebben we bv een neuron die naar een skeletspier gaat,
hier is acetylcholine de neurotransmittor en zal zich vestigen op de nicotine receptor.
- Het autonoom zenuwstelsel, hebben we een lang preganglionair neuron dat schakelt op
een kort post ganglionair en dan naar het doelwitweefsel. Hier hebben we eerst
acetylcholine die bind op de nicotine receptor, dit zorgt voor membraan potentiaal
1
, activatie in
postganglionair neuron.
Acetylcholine zal
doorgeleiden naar een
MUSCARINE receptor.
- Bij de sympaticus hebben
we een kort pre
ganglionair neuron en een
lang post ganglionair
neuron, hier hebben we
weer als eerste
acetylcholine op een
nicotinereceptor en dan
zal de lange post
ganglionaire adrenaline of
noradrenaline op een beta
of alfa receptor op het
doelwitweefsel
doorgeven.
- Esterase laag = ACMP , nicotine receptor stijgen in aantal en kan zorgen voor cotnractie.
Muscarine agonisten =parasympaticomimetica : stimulatie van uw parasympaticus. Amanita
muscaria ( soort zwam die hiervoor kan zorgen). Bradycardy en hypotensie ( of bloeddrukdaling).
Muscarine agonisten kunnen ook ingezet worden bij glaucoom behandeling voornamelijk bij de
hond. We hebben ook muscarine antagonisten of anticholinergica/ parasympaticolytica.
Atropine → voor pupil van de atropaplant en dan hebben de scopolamine van de datura plant.
De effecten van de antagonisten hebben een omgekeerd effect van de agonisten. Het zal de
nervus vagus inhiberen, milde tachycardie. Weining effect op de bloedvaten, klieren zullen
geinhibeerd worden voor secretie. We kunnen hier wel een oogonderzoek uitvoeren. Druppels
toedienen voor mydriasis uit te lokken.
- Vaak premedicatie voor gas anestesie
- Voor lichte koliek geschikt. Bij KHD → reisziekte, braakcentrum inhibitie
2
,Neuromusculaire blokkers
Zitten ter hoogte van het zenuwstelsel met een axon en actiepotentiaal word gegenereerd door
een stimulus. Op het einde van het axon hebben we een calcium influx → vesikels acetylcholine
versmelt en ze worden vrijgesteld in de synaps; ze gaan binden aan de receptoren thv
neuromusculaire eindplaat. We gaan het hebben over nicotine receptoren. Ze zullen zorgen voor
spiercontractie.
Neuromusculaire blokkers gaan binden aan de nicotine receptor dat zorgt dat er geen
spiercontractie optreed. Niet voor anestesie of analgesie. We hebben twee soorten blokkers.
- Niet depolariserende : rocuronium. Geeft antagonistische werking
- dePolariserende : suxamethonium en succinylcholine. Preparaten die lijken op de
structuur van acetylcholine. Ze gaan binden aan de nicotine receptor en zorgt ervoor dat
er een natrium influx is en spiercontractie krijgt. In fase 1 krijgen we dus spiercontractie
omdat ze hetzelfde doen als acetylcholine, synergistische werking. In fase 2 is er een
trage en onvolledige repolarisatie → slappe paralyse, antagonistische werking.
Aminoglycosiden = AB, gaan in competitie met calcium voor influx, zodanig dat het effect van uw
neuromusculaire blokker versterkt word. Calcium influx vermindert daardoor → acterylcholine
vrijstelling vermindert hierdoor ook.
Gebruiken voor inhalatie en lokale anesthetica= membraanstabilisatie.
Noradrenerge transmissie
Perifeer zenuwstelsel is vooral noradrenaline van belang. Thv neuron noradrenaine aangemaakt
en als er een prikkel toekomt gaat het vrijgesteld worden ( zelfde verhaal als heirboven). Ze
kunnen binden aan alfa receptoren, een reversiebele binding. Ze kunnen ook reabsorbeerd
worden en afgebroken worden door:
- Mono amine oxidase
- Catechol-o-methyl transferase.
Als het bind ter hoogte van een alfa of beta receptor, zal er een activatie of inhibitie komen als
gevolg. Bij inhibitie zal er een verminderde vrijstelling komen in noradrenaine; gebeuren in het
centraal zenuwstelsel → veel alfa 2 receptoren ( inhibitie).
Noradrenaline bind op neuron alfa 2 → auto inhibitoir . Thv de cellen hebben we beta en alfa
receptoren: + zie schema dia (rode en gele kadertjes)
- Alfa 1: bloeddruk naar omhoog
- Alfa 2: activatie, bloeddruk hier ook naar omhoog
- Beta 1: hartritme stijgt, slagvolume stijgt, krijgt een verhoogde cardiac output.
- Beta 2: relaxatie gladde spiercellen en dus een bronchodilatatie.
3
, - Beta 3: lipolyse → vetafbraak en meer spieropbouw
Niet selectieve A en b agonisten (cursus)
Uterus
- Zal zorgen voor een contractie van de alfa receptoren en een relaxatie bij de beta
2 receptoren.
Bronchiolen
ZIE HOOFDSTUK 1 CURSUS
4
We hebben het somatisch zenuwstelsel dat de dwars gestreepte skeletspieren zal
aansturen. We hebben ook een visceraal/autonoom zenuwstelsel, onwillekeurig ZS.
Hiertoe behoort de sympaticus die instaat voor het fight of flight mechanisme. Maar ook
parasympaticus, die instaat voor live en let live ( processen die niet te maken hebben
met een stress situatie, sympaticus heeft te maken met een stress situatie).para en
sympaticus zijn een soort tegenhangers van elkaar.
Het enterische ZS gaan we niet echt bespreken omdat er hier weinig GM voor zijn.
Sympaticus:
- we hebben lang pre ganglionaire neuronen die
schakkelen van de truncus sympaticus. Daarna
hebben we korte postganglionaire neuronen die naar
het doelwit orgaan zullen vertrekken.
- Bijniermerg: omvat preganglionaire neuronen
van de medulla spinalis en produceren adrenaline.
- Bloedvaten zijn sympatisch geinnerveerd.
Zorgt dus voor vasoconstrictie en verhooge
bloeddruk.
- Bronchodilatatie en zal de secretie van mucus
inhiberen.
Parasympaticus : meest craniale deel RG
- 12 kopzenuwen: aangezicht, mimiek maar belangrijkste is nervus vagus. Dez gaat de
abdominale stukken beinvloeden.
- Voor sacrale en kopzenuwen hebben we een lang preganglionair ganglion en een kort
post ganglionaire neuronen.
- Corpus cavernosum van de penis en neusmucosa zijn parasympatisch geenerveerd.
- Bronchoconstrictie en mucus productie van klieren.
Cholinerge en adrenerge transmissie
Cholinerge transmissie is acetylcholine als neurotransmittor. Adrenerge transmissie heeft te
maken met noradrenaline en adrenaline.
- In het somatische zenuwstelsels hebben we bv een neuron die naar een skeletspier gaat,
hier is acetylcholine de neurotransmittor en zal zich vestigen op de nicotine receptor.
- Het autonoom zenuwstelsel, hebben we een lang preganglionair neuron dat schakelt op
een kort post ganglionair en dan naar het doelwitweefsel. Hier hebben we eerst
acetylcholine die bind op de nicotine receptor, dit zorgt voor membraan potentiaal
1
, activatie in
postganglionair neuron.
Acetylcholine zal
doorgeleiden naar een
MUSCARINE receptor.
- Bij de sympaticus hebben
we een kort pre
ganglionair neuron en een
lang post ganglionair
neuron, hier hebben we
weer als eerste
acetylcholine op een
nicotinereceptor en dan
zal de lange post
ganglionaire adrenaline of
noradrenaline op een beta
of alfa receptor op het
doelwitweefsel
doorgeven.
- Esterase laag = ACMP , nicotine receptor stijgen in aantal en kan zorgen voor cotnractie.
Muscarine agonisten =parasympaticomimetica : stimulatie van uw parasympaticus. Amanita
muscaria ( soort zwam die hiervoor kan zorgen). Bradycardy en hypotensie ( of bloeddrukdaling).
Muscarine agonisten kunnen ook ingezet worden bij glaucoom behandeling voornamelijk bij de
hond. We hebben ook muscarine antagonisten of anticholinergica/ parasympaticolytica.
Atropine → voor pupil van de atropaplant en dan hebben de scopolamine van de datura plant.
De effecten van de antagonisten hebben een omgekeerd effect van de agonisten. Het zal de
nervus vagus inhiberen, milde tachycardie. Weining effect op de bloedvaten, klieren zullen
geinhibeerd worden voor secretie. We kunnen hier wel een oogonderzoek uitvoeren. Druppels
toedienen voor mydriasis uit te lokken.
- Vaak premedicatie voor gas anestesie
- Voor lichte koliek geschikt. Bij KHD → reisziekte, braakcentrum inhibitie
2
,Neuromusculaire blokkers
Zitten ter hoogte van het zenuwstelsel met een axon en actiepotentiaal word gegenereerd door
een stimulus. Op het einde van het axon hebben we een calcium influx → vesikels acetylcholine
versmelt en ze worden vrijgesteld in de synaps; ze gaan binden aan de receptoren thv
neuromusculaire eindplaat. We gaan het hebben over nicotine receptoren. Ze zullen zorgen voor
spiercontractie.
Neuromusculaire blokkers gaan binden aan de nicotine receptor dat zorgt dat er geen
spiercontractie optreed. Niet voor anestesie of analgesie. We hebben twee soorten blokkers.
- Niet depolariserende : rocuronium. Geeft antagonistische werking
- dePolariserende : suxamethonium en succinylcholine. Preparaten die lijken op de
structuur van acetylcholine. Ze gaan binden aan de nicotine receptor en zorgt ervoor dat
er een natrium influx is en spiercontractie krijgt. In fase 1 krijgen we dus spiercontractie
omdat ze hetzelfde doen als acetylcholine, synergistische werking. In fase 2 is er een
trage en onvolledige repolarisatie → slappe paralyse, antagonistische werking.
Aminoglycosiden = AB, gaan in competitie met calcium voor influx, zodanig dat het effect van uw
neuromusculaire blokker versterkt word. Calcium influx vermindert daardoor → acterylcholine
vrijstelling vermindert hierdoor ook.
Gebruiken voor inhalatie en lokale anesthetica= membraanstabilisatie.
Noradrenerge transmissie
Perifeer zenuwstelsel is vooral noradrenaline van belang. Thv neuron noradrenaine aangemaakt
en als er een prikkel toekomt gaat het vrijgesteld worden ( zelfde verhaal als heirboven). Ze
kunnen binden aan alfa receptoren, een reversiebele binding. Ze kunnen ook reabsorbeerd
worden en afgebroken worden door:
- Mono amine oxidase
- Catechol-o-methyl transferase.
Als het bind ter hoogte van een alfa of beta receptor, zal er een activatie of inhibitie komen als
gevolg. Bij inhibitie zal er een verminderde vrijstelling komen in noradrenaine; gebeuren in het
centraal zenuwstelsel → veel alfa 2 receptoren ( inhibitie).
Noradrenaline bind op neuron alfa 2 → auto inhibitoir . Thv de cellen hebben we beta en alfa
receptoren: + zie schema dia (rode en gele kadertjes)
- Alfa 1: bloeddruk naar omhoog
- Alfa 2: activatie, bloeddruk hier ook naar omhoog
- Beta 1: hartritme stijgt, slagvolume stijgt, krijgt een verhoogde cardiac output.
- Beta 2: relaxatie gladde spiercellen en dus een bronchodilatatie.
3
, - Beta 3: lipolyse → vetafbraak en meer spieropbouw
Niet selectieve A en b agonisten (cursus)
Uterus
- Zal zorgen voor een contractie van de alfa receptoren en een relaxatie bij de beta
2 receptoren.
Bronchiolen
ZIE HOOFDSTUK 1 CURSUS
4