Oefententamen Forensische Gezinspedagogiek
College 1
1. Welke eigenschap onderscheidt diagnostiek fundamenteel van classificatie?
A. Diagnostiek richt zich op groepsnormen; classificatie op individuen
B. Diagnostiek integreert contextuele factoren; classificatie niet
C. Diagnostiek is gestandaardiseerd; classificatie is exploratief
D. Diagnostiek gebruikt enkel kwantitatieve methoden
2. Wat is het belangrijkste kritiekpunt vanuit de orthopedagogiek op de DSM-5?
A. De DSM-5 is te sterk gebaseerd op biologische etiologie
B. De DSM-5 bevat onvoldoende differentiaaldiagnostische richtlijnen
C. De DSM-5 negeert opvoedingsdynamiek en positieve factoren
D. De DSM-5 maakt onvoldoende gebruik van empirisch gevalideerde meetinstrumenten
3. Wat impliceert een lage base rate voor het gebruik van afbreekscores in
psychodiagnostiek?
A. Een grotere kans op fout-negatieve uitslagen
B. Een hogere voorspellende validiteit
C. Een kleinere kans op classificatiefouten
D. Een vertekende betrouwbaarheidscoëfficiënt
4. Wat is het voornaamste voordeel van semi-gestructureerde interviews boven
ongestructureerde interviews?
A. Hogere ecologische validiteit
B. Grotere interbeoordelaarsbetrouwbaarheid met ruimte voor verdieping
C. Minder confirmation bias door volledig gestandaardiseerde vragen
D. Kortere afnameduur
5. Wat onderscheidt projectieve methoden van zelfrapportages?
A. Ze meten impliciete processen zonder vaste antwoorden
B. Ze zijn volledig gestandaardiseerd en betrouwbaar
C. Ze richten zich op actuele gedragsproblemen
D. Ze kunnen niet worden gebruikt bij kinderen
, 6. Wanneer is de predictieve validiteit van een test het hoogst?
A. Bij lage specificiteit en hoge sensitiviteit
B. Wanneer het criteriumgedrag stabiel en observeerbaar is
C. Wanneer beoordelaars onafhankelijk zijn van het testresultaat
D. Wanneer het instrument een lage interne consistentie heeft
7. Wat is een centrale valkuil in de verklaringsanalyse binnen diagnostiek?
A. Overschatting van de correlatie tussen hypothesen
B. Verwarren van oorzaken met instandhoudende factoren
C. Te veel gebruik van kwantitatieve data
D. Onvoldoende aandacht voor classificatie
8. Wat betekent equifinaliteit in orthopedagogische diagnostiek?
A. Verschillende oorzaken leiden tot dezelfde uitkomst
B. Eén oorzaak leidt tot meerdere uitkomsten
C. Meerdere factoren beïnvloeden een enkel symptoom
D. Één factor beïnvloedt meerdere domeinen
9. Welke combinatie beschrijft de kern van betrouwbaarheid versus validiteit?
A. Betrouwbaarheid: consistentie – Validiteit: relevantie
B. Betrouwbaarheid: normering – Validiteit: sensitiviteit
C. Betrouwbaarheid: meetfrequentie – Validiteit: nauwkeurigheid
D. Betrouwbaarheid: spreiding – Validiteit: stabiliteit
10. Wat is het belangrijkste argument om verschillende meetmethoden (interview,
observatie, test) te combineren?
A. Vergroten van ecologische validiteit
B. Vermijden van methodologische bias via triangulatie
C. Verhogen van statistische significantie
D. Minimaliseren van subjectieve interpretatie
College 1
1. Welke eigenschap onderscheidt diagnostiek fundamenteel van classificatie?
A. Diagnostiek richt zich op groepsnormen; classificatie op individuen
B. Diagnostiek integreert contextuele factoren; classificatie niet
C. Diagnostiek is gestandaardiseerd; classificatie is exploratief
D. Diagnostiek gebruikt enkel kwantitatieve methoden
2. Wat is het belangrijkste kritiekpunt vanuit de orthopedagogiek op de DSM-5?
A. De DSM-5 is te sterk gebaseerd op biologische etiologie
B. De DSM-5 bevat onvoldoende differentiaaldiagnostische richtlijnen
C. De DSM-5 negeert opvoedingsdynamiek en positieve factoren
D. De DSM-5 maakt onvoldoende gebruik van empirisch gevalideerde meetinstrumenten
3. Wat impliceert een lage base rate voor het gebruik van afbreekscores in
psychodiagnostiek?
A. Een grotere kans op fout-negatieve uitslagen
B. Een hogere voorspellende validiteit
C. Een kleinere kans op classificatiefouten
D. Een vertekende betrouwbaarheidscoëfficiënt
4. Wat is het voornaamste voordeel van semi-gestructureerde interviews boven
ongestructureerde interviews?
A. Hogere ecologische validiteit
B. Grotere interbeoordelaarsbetrouwbaarheid met ruimte voor verdieping
C. Minder confirmation bias door volledig gestandaardiseerde vragen
D. Kortere afnameduur
5. Wat onderscheidt projectieve methoden van zelfrapportages?
A. Ze meten impliciete processen zonder vaste antwoorden
B. Ze zijn volledig gestandaardiseerd en betrouwbaar
C. Ze richten zich op actuele gedragsproblemen
D. Ze kunnen niet worden gebruikt bij kinderen
, 6. Wanneer is de predictieve validiteit van een test het hoogst?
A. Bij lage specificiteit en hoge sensitiviteit
B. Wanneer het criteriumgedrag stabiel en observeerbaar is
C. Wanneer beoordelaars onafhankelijk zijn van het testresultaat
D. Wanneer het instrument een lage interne consistentie heeft
7. Wat is een centrale valkuil in de verklaringsanalyse binnen diagnostiek?
A. Overschatting van de correlatie tussen hypothesen
B. Verwarren van oorzaken met instandhoudende factoren
C. Te veel gebruik van kwantitatieve data
D. Onvoldoende aandacht voor classificatie
8. Wat betekent equifinaliteit in orthopedagogische diagnostiek?
A. Verschillende oorzaken leiden tot dezelfde uitkomst
B. Eén oorzaak leidt tot meerdere uitkomsten
C. Meerdere factoren beïnvloeden een enkel symptoom
D. Één factor beïnvloedt meerdere domeinen
9. Welke combinatie beschrijft de kern van betrouwbaarheid versus validiteit?
A. Betrouwbaarheid: consistentie – Validiteit: relevantie
B. Betrouwbaarheid: normering – Validiteit: sensitiviteit
C. Betrouwbaarheid: meetfrequentie – Validiteit: nauwkeurigheid
D. Betrouwbaarheid: spreiding – Validiteit: stabiliteit
10. Wat is het belangrijkste argument om verschillende meetmethoden (interview,
observatie, test) te combineren?
A. Vergroten van ecologische validiteit
B. Vermijden van methodologische bias via triangulatie
C. Verhogen van statistische significantie
D. Minimaliseren van subjectieve interpretatie