Onderdeel 1: Persoonlijke aansprakelijkheid op grond van 6:162 BW
Voor een succesvolle aansprakelijkheids vestiging op grond van 6:162 BW moet aan vijf
vereisten worden voldaan, namelijk: (1) Onrechtmatigheid, (2) Toerekening, (3)
Relativiteit (6:163 BW), (4) Causaliteit en (5) Schade
Stap 1: Onrechtmatigheid
Er zijn drie varianten om onrechtmatig gedrag vast te stellen, namelijk:
1. Er is sprake van een inbreuk op een recht
Omvat subjectieve rechten (een bijzonder door het recht aan iemand toegekende
bevoegdheid die hem wordt verleend om zijn belang te dienen).
a. Absolute vermogensrechten (eigendomsrecht, merkenrecht)
b. Persoonlijkheidsrechten (lichamelijke integriteit, eer en goede naam)
Er is sprake van een inbreuk op een recht als de rechthebbende in de uitoefening van zijn
recht wordt belemmerd (bijv. onterecht conservatoir beslag of gijzeling) of zijn exclusieve
bevoegdheid om dat recht uit te oefenen door de gedraging wordt weggenomen (bijv.
diefstal).
2. Er is gedaan of nagelaten in strijd met een wettelijke plicht
Betreft een schending van een algemeen verbindende regeling uitgaande van een
bevoegd gezag. Bijv. hinderwetvergunning, strafrechtelijke bepalingen of de
wegenverkeerswet 1994.
Een dader hoeft niet bedacht te zijn of de geschonden norm wel de belangen van de
benadeelde beschermt.
3. Er is gedaan of nagelaten in strijd met hetgeen in ongeschreven recht in
maatschappelijk verkeer betaamt
Betreft de schending van de zorgvuldigheidsnorm. Hierbinnen zijn twee varianten te
herkennen
a. Binnen gevaarzetting (deelnorm: gevaarzetting)
Om te beoordelen of sprake is van een onrechtmatige handeling binnen gevaarzetting
moeten de kelderluikcriteria worden toegepast op de casus.
i. De waarschijnlijkheid waarmee de niet-inachtneming van de vereiste
oplettendheid en voorzichtigheid kan worden verwacht
ii. De hoegrootheid van de kans dat daaruit ongevallen ontstaan
iii. De ernst die de gevolgen daarvan kunnen hebben (schade)
iv. De mate van bezwaarlijkheid (en gebruikelijkheid) van te nemen
veiligheidsmaatregelen
v. Aard van de gedraging (Bildtpollen/Miedema Aanwas B.V.)
vi. Hoedanigheid van partijen (profit/non-profit) (Skeelerongeval)
Bijzondere omstandigheden binnen gevaarzetting
(1) Sport- en spelsituatie (‘aard van de gedraging’)
Wanneer sprake is van een sport- en spelsituatie moeten misslagen van een
tegenstander worden verwacht (Tennisbal-arrest). Hierdoor wordt een bal in het oog
van de ander door een misslag niet automatisch onzorgvuldig en onrechtmatig.
, Wel is vereist dat beide aan hetzelfde spel deelnemen, maar niet per se tegen
elkaar. Wel geldt dat als het spel afloopt, de verhoudingen tussen de deelnemers
niet direct hoeft te veranderen (niet direct einde situatie) (Bottefeart).
- Schenden spelregels levert geen directe onrechtmatigheid op
(2) Ongelukkige samenloop van omstandigheden (OSVO)
a. Er is slechts sprake van een onrechtmatige OSVO als de mate van
waarschijnlijkheid van een ongeval als gevolg van het gedrag zo groot
is, dan de dader zich van dat gedrag had moeten onthouden (Zwiepende
tak-arrest). (Voorzienbaarheid van letsel had ander moeten weerhouden)
i. Let hierbij wel op de hoedanigheid van de partijen (Verhuizende
zusjes).
(3) Terreinbeheer
a. Terreinbeheerder ook zorgplicht voor naastliggende terreinen als gevaar zich
uitstrekt:
i. Moet waarschuwen voor gevaar (waarschuwingsplicht)
ii. Waarschuwing moet effectief zijn (doorslaggevend in nalaten
gevaarlijke gedraging) (Jetblast)
(4) Zuiver nalaten
a. Niet zelf actief betrokken bij creëren gevaar -> niet verplicht tot ondernemen
van actie, tenzij:
(i) bijzondere relatie tot zaak of persoon
(ii) Gevaarsbewustzijn (gevaar is doorgedrongen) + reële verhouding
tussen moeite en kosten ingrijpen (Broodbezorger-arrest)
(5) Chemische producten
a. Als in de casus blijkt wordt gegeven van chemische producten/stoffen kunnen
er twee situaties een doorslaggevende rol spelen:
i. (Taxusstruik-arrest): In geval dat iemand niet weet maar wel behoort
te weten welke gevolgen het gebruiken van chemische stoffen heeft
(i.c. planten), maar dit wel dodelijk blijkt dan is iemand alsnog
aansprakelijk o.g.v 6:162 BW
ii. (Natronloog-arrest): Het hebben van chemicalien op een plek waar dat
ongebruikelijk is, is onzorgvuldig. Chemicalien vergen een hogere
mate van oplettendheid en eisen meer voorzorgsmaatregelen.
b. Buiten gevaarzetting
(1) Hinder: Mogelijkheid tot vermogensschade en immateriële schade (6:106 sub b
BW). Er moet worden gekeken naar de duur, ernst en aard van de hinder en de
bezwaarlijkheid om maatregelen te treffen ter voorkoming of beperken van hinder.
Schending vergunningsvoorwaarde van hinderactiviteit = onrechtmatigheid.
(2) Profiteren van wanprestatie: Derde (A) aansprakelijk jegens C indien hij (A)
profiteert van wanprestatie van B jegens C.
In beginsel niet onrechtmatig (contract alleen bindend voor B en C) want er moet
sprake zijn van bijkomende omstandigheden. A moet ernstig nadeel lijden, B/C
moet zich bewust zijn en er moet sprake zijn van meer (bijv. een vertrouwensrelatie)
(Pos/Van den Bosch).
Voor een succesvolle aansprakelijkheids vestiging op grond van 6:162 BW moet aan vijf
vereisten worden voldaan, namelijk: (1) Onrechtmatigheid, (2) Toerekening, (3)
Relativiteit (6:163 BW), (4) Causaliteit en (5) Schade
Stap 1: Onrechtmatigheid
Er zijn drie varianten om onrechtmatig gedrag vast te stellen, namelijk:
1. Er is sprake van een inbreuk op een recht
Omvat subjectieve rechten (een bijzonder door het recht aan iemand toegekende
bevoegdheid die hem wordt verleend om zijn belang te dienen).
a. Absolute vermogensrechten (eigendomsrecht, merkenrecht)
b. Persoonlijkheidsrechten (lichamelijke integriteit, eer en goede naam)
Er is sprake van een inbreuk op een recht als de rechthebbende in de uitoefening van zijn
recht wordt belemmerd (bijv. onterecht conservatoir beslag of gijzeling) of zijn exclusieve
bevoegdheid om dat recht uit te oefenen door de gedraging wordt weggenomen (bijv.
diefstal).
2. Er is gedaan of nagelaten in strijd met een wettelijke plicht
Betreft een schending van een algemeen verbindende regeling uitgaande van een
bevoegd gezag. Bijv. hinderwetvergunning, strafrechtelijke bepalingen of de
wegenverkeerswet 1994.
Een dader hoeft niet bedacht te zijn of de geschonden norm wel de belangen van de
benadeelde beschermt.
3. Er is gedaan of nagelaten in strijd met hetgeen in ongeschreven recht in
maatschappelijk verkeer betaamt
Betreft de schending van de zorgvuldigheidsnorm. Hierbinnen zijn twee varianten te
herkennen
a. Binnen gevaarzetting (deelnorm: gevaarzetting)
Om te beoordelen of sprake is van een onrechtmatige handeling binnen gevaarzetting
moeten de kelderluikcriteria worden toegepast op de casus.
i. De waarschijnlijkheid waarmee de niet-inachtneming van de vereiste
oplettendheid en voorzichtigheid kan worden verwacht
ii. De hoegrootheid van de kans dat daaruit ongevallen ontstaan
iii. De ernst die de gevolgen daarvan kunnen hebben (schade)
iv. De mate van bezwaarlijkheid (en gebruikelijkheid) van te nemen
veiligheidsmaatregelen
v. Aard van de gedraging (Bildtpollen/Miedema Aanwas B.V.)
vi. Hoedanigheid van partijen (profit/non-profit) (Skeelerongeval)
Bijzondere omstandigheden binnen gevaarzetting
(1) Sport- en spelsituatie (‘aard van de gedraging’)
Wanneer sprake is van een sport- en spelsituatie moeten misslagen van een
tegenstander worden verwacht (Tennisbal-arrest). Hierdoor wordt een bal in het oog
van de ander door een misslag niet automatisch onzorgvuldig en onrechtmatig.
, Wel is vereist dat beide aan hetzelfde spel deelnemen, maar niet per se tegen
elkaar. Wel geldt dat als het spel afloopt, de verhoudingen tussen de deelnemers
niet direct hoeft te veranderen (niet direct einde situatie) (Bottefeart).
- Schenden spelregels levert geen directe onrechtmatigheid op
(2) Ongelukkige samenloop van omstandigheden (OSVO)
a. Er is slechts sprake van een onrechtmatige OSVO als de mate van
waarschijnlijkheid van een ongeval als gevolg van het gedrag zo groot
is, dan de dader zich van dat gedrag had moeten onthouden (Zwiepende
tak-arrest). (Voorzienbaarheid van letsel had ander moeten weerhouden)
i. Let hierbij wel op de hoedanigheid van de partijen (Verhuizende
zusjes).
(3) Terreinbeheer
a. Terreinbeheerder ook zorgplicht voor naastliggende terreinen als gevaar zich
uitstrekt:
i. Moet waarschuwen voor gevaar (waarschuwingsplicht)
ii. Waarschuwing moet effectief zijn (doorslaggevend in nalaten
gevaarlijke gedraging) (Jetblast)
(4) Zuiver nalaten
a. Niet zelf actief betrokken bij creëren gevaar -> niet verplicht tot ondernemen
van actie, tenzij:
(i) bijzondere relatie tot zaak of persoon
(ii) Gevaarsbewustzijn (gevaar is doorgedrongen) + reële verhouding
tussen moeite en kosten ingrijpen (Broodbezorger-arrest)
(5) Chemische producten
a. Als in de casus blijkt wordt gegeven van chemische producten/stoffen kunnen
er twee situaties een doorslaggevende rol spelen:
i. (Taxusstruik-arrest): In geval dat iemand niet weet maar wel behoort
te weten welke gevolgen het gebruiken van chemische stoffen heeft
(i.c. planten), maar dit wel dodelijk blijkt dan is iemand alsnog
aansprakelijk o.g.v 6:162 BW
ii. (Natronloog-arrest): Het hebben van chemicalien op een plek waar dat
ongebruikelijk is, is onzorgvuldig. Chemicalien vergen een hogere
mate van oplettendheid en eisen meer voorzorgsmaatregelen.
b. Buiten gevaarzetting
(1) Hinder: Mogelijkheid tot vermogensschade en immateriële schade (6:106 sub b
BW). Er moet worden gekeken naar de duur, ernst en aard van de hinder en de
bezwaarlijkheid om maatregelen te treffen ter voorkoming of beperken van hinder.
Schending vergunningsvoorwaarde van hinderactiviteit = onrechtmatigheid.
(2) Profiteren van wanprestatie: Derde (A) aansprakelijk jegens C indien hij (A)
profiteert van wanprestatie van B jegens C.
In beginsel niet onrechtmatig (contract alleen bindend voor B en C) want er moet
sprake zijn van bijkomende omstandigheden. A moet ernstig nadeel lijden, B/C
moet zich bewust zijn en er moet sprake zijn van meer (bijv. een vertrouwensrelatie)
(Pos/Van den Bosch).