Inhoudsopgave
Week 1.......................................................................................................... 2
Opzet.............................................................................................................................. 2
Strafuitsluitingsgronden.................................................................................................. 5
Ontoerekeningsvatbaarheid art 39 Sr..........................................................................5
Avas (afwezigheid van alle schuld)..............................................................................6
Week 2.......................................................................................................... 6
Strafuitsluitingsgronden.................................................................................................. 6
Noodweer.................................................................................................................... 6
Noodweerexces........................................................................................................... 8
Week 3.......................................................................................................... 9
De poging....................................................................................................................... 9
De voorbereiding.......................................................................................................... 10
Vrijwillige terugtred...................................................................................................... 11
Week 4: Daderschap.....................................................................................12
Functioneel daderschap natuurlijk persoon..................................................................12
Functioneel daderschap bij rechtspersonen..................................................................13
Week 5: Deelneming 1..................................................................................15
Inleiding deelneming.................................................................................................... 15
Doen plegen................................................................................................................. 15
Uitlokking...................................................................................................................... 16
Medeplichtigheid.......................................................................................................... 18
Week 6: Deelneming 2..................................................................................21
Medeplegen.................................................................................................................. 21
Poging tot uitlokking..................................................................................................... 25
Vrijwillige terugtreden poging tot uitlokking.................................................................25
1
,Week 1
Beslissingsmodel ex art. 350 Sv
1. Is het ten laste gelegde feit bewezen?
Kan het gekoppeld worden aan de menselijke gedraging? Heeft
verdachte het feit begaan?
o Nee? Verdachte vrijgesproken (art. 352 lid 1 Sv)
2. Is het bewezenverklaarde feit een strafbaar feit? =
kwalificatiebeslissing
Is aan alle bestanddelen voldaan?
o Nee? Ontslagen van alle rechtsgevolgen (art. 352 lid 2
Sv).
3. Is de dader strafbaar? = geen strafuitsluitingsgrond?
Rechtvaardigingsgrond?: wederrechtelijkheid ontbreekt
Schulduitsluitingsgrond?: schuld/verwijtbaarheid ontbreekt
4. Wat is de sanctie? = bestraffing (art. 351 Sv)
Opzet
Opzet kent drie kernvragen:
1. Schuldverband= waarop moet opzet op gericht zijn?
bestanddeel waar opzet niet op gericht hoeft te zijn =
geobjectiveerd bestanddeel.
2. Betekenis van opzet?
3. Hoe is opzet te bewijzen?
1. Schuldverband: waar moet opzet op gericht zijn?
Hoofdregel = opzet heeft betrekking op de bestanddelen in
delictsomschrijving die na het opzet worden genoemd. Bestanddelen die
voor het begrip opzet zijn opgenomen, zijn aan het opzet onttrokken.
Geobjectiveerde bestanddelen = bestanddelen waarop het subjectieve
bestanddeel (opzet, culpa) niet op gericht hoeft te zijn.
2. Betekenis van opzet?
Opzet = het willen en weten van iets (gevolg, andere omstandigheid)
Niet: had kunnen weten, had moeten weten, had behoren te weten.
Culpa/schuld als bestanddeel
- Niet willen, wel weten bewuste schuld
- Niet willen en niet weten maar wel behoren te weten onbewuste
schuld
Opzet doet zich voor in verschillende gradaties. Deze vormen van opzet
worden allen gedekt door de term ‘opzettelijk’. Het maakt niet uit welke
vorm van opzet de verdachte heeft gehandeld, als 1 van de vormen van
opzet vaststaat is dat voldoende om strafbaarheid aan te nemen:
1. Opzet als bedoeling willens en wetens handelen. Wel domineert
hier vooral het willen. Als iemand een pistool pakt en deze op het
hoofd van een ander zet en vervolgens schiet, is het duidelijk dat er
sprake is van opzet als bedoeling.
2
, 2. Opzet als zekerheids- of noodzakelijkheidsbewustzijn
hierbij weet de verdachte dat het gevolg zal intreden, maar is zijn wil
niet zozeer gericht op dat gevolg. Hierbij staat het weten op de
voorgrond.
3. Opzet als waarschijnlijkheidsbewustzijn de gevolgen liggen
op het moment van handeling in de toekomst, maar de dader beseft
dat het gevolg hoogstwaarschijnlijk zal intreden. Combinatie tussen
willen en weten.
4. Voorwaardelijk opzet hierbij kan de dader het intreden van het
gevolg als meer of minder waarschijnlijk hebben gezien.
Cumulatieve vereisten:
Bestaan van aanmerkelijke kans de aanmerkelijke kans
moet naar algemene ervaringsregels aannemelijk zijn.
De verdachte moet wetenschap hebben gehad van de kans
wat zou een normaal mens hebben geweten dat er zou kunnen
gebeuren.
De verdachte heeft deze aanmerkelijke kans bewust aanvaard
de dader moet die kans op de koop toe hebben genomen,
dat bewust hebben aanvaard dat het gevolg kan intreden.
als er ‘geweten’ in een wetsartikel staat kunnen de bovenstaande
vereisten gebruikt worden.
Culpa gradaties:
- Bewuste schuld = mogelijkheidsbewustzijn zonder aanvaarden
(wel weten maar niet willen).
- Onbewuste schuld = zelfs geen mogelijkheidsbewustzijn (niet
weten, laat staan willen, maar wel behoren te weten).
Voor culpa 4 vereisten:
1. Onvoorzichtig gedrag sprake van een gevaarlijke gedraging?
kon de verdachte het onwenselijke gevolg van zijn gedraging
voorzien? = Garantenstellung
Was er een plicht om gedraging achterwege te laten? = concreet
voorschrift?
2. Aanmerkelijke mate = voldoende gewicht om aanmerkelijk
genoemd te worden?
Afhankelijk van geheel van gedragingen, de aard en ernst daarvan
en overige omstandigheden.
3. Verwijtbaarheid = kon van verdachte worden gevergd dat hij
anders handelde? Was het gedrag vermijdbaar?
Nee, als sprake is van een schulduitsluitingsgrond
4. Causaal verband = tussen de gedraging en het gevolg
3. Hoe is het opzet te bewijzen? = (bewijs van weten): bewustheid van
aanmerkelijke kans dat
- Het is een feit van algemene bekendheid, daarvan moet ook
verdachte op de hoogte zijn geweest.
- Uitgaande van algemene ervaringsregel
- Verklaringen van verdachte en/of getuigenverklaring
- De feitelijke omstandigheden van het geval
3