Klinische Chemie en Pathofysiologie
Inhoudsopgave
1. Klinisch chemische testen in diagnostiek, behandeling, follow-up en prognose (22-
9-2025, Kootstra) ................................................................................................................. 1
2. Nieren (23-9-2025, Dijck-Brouwer) ................................................................................. 8
3. Endocrinologie (24-9-2025, Muller Kobold) ................................................................. 19
4. Farmacogenetica in de klinische praktijk (24-9-2025, Lanting).................................. 30
5. Homeostase: zuur-base regulatie en bloedgassen (25-9-2025, Kootstra)................. 32
6. Homeostase: water en zouthuishouding (25-9-2025, Dijck-Brouwer)........................ 37
7. Lever (26-9-2025, Dijck-Brouwer) ................................................................................. 43
8. Hematologie (29-9-2025, Meijer) ................................................................................... 50
9. Atherosclerose en lipiden (1-10-2025, Dijck-Brouwer) ............................................... 59
10. Pancreas en diabetes (2-10-2025 en 3-10-2025, Dijck-Brouwer) .............................. 66
11. Bonus college: IGF-1 (2-10-2025, Vos)....................................................................... 74
12. Tumormarkers (3-10-2025, Kema) .............................................................................. 76
,1. Klinisch chemische testen in diagnostiek, behandeling, follow-up en prognose (22-
9-2025, Kootstra)
Klinische chemie = lichaamseigen stoffen in lichaamseigen vloeistoffen (vb. bloed, urine,
etc)
Plasma vs. Serum:
Serum is het eindproduct na het
stollen en centrifugeren van
plasma. Serum bevat dus geen
stollingseiwitten (vb fibrinogeen).
Plasma wordt afgenomen met
een anticoagulans.
Er komen vaak niet-plasma specifieke biomarkers in het bloedplasma voor, want alles ‘lekt’;
eiwitten uit weefsels en cellen kunnen dus ook in de bloedbaan terechtkomen waardoor zij in
het plasma worden gedetecteerd. Deze eiwitten kunnen ook uit het plasma worden
verwijderd door opname in weefsels (voor verdere katabolisme) of uitscheiding door de
nieren. Hierdoor is er dus sprake van een halfwaardetijd, welke eiwit specifiek is.
Verhoogde concentraties van deze niet-plasma specifieke biomarkers in het plasma duidt op
problematiek, welke veroorzaakt kan worden door:
1. Verhoogde permeabiliteit van celmembranen (door bv schade/necrose)
2. Blokkade van secretie routes
3. Inductie/overproductie van eiwitten.
Er zijn verschillende markers voor orgaanschade:
Sensitiviteit = afhankelijk van de biomarker concentratie in het specifieke orgaan,
vergeleken met normaal plasma
Specificiteit = hangt af van de biomarker concentratie in andere organen.
1
,De mate van het ‘lekken’ wordt bepaald door de intracellulaire locatie van cellulaire
enzymen:
Plasma membraan → AF, GGT
Mitochondria → ASAT*, CK*
Cytoplasma → ALAT, LDH, ASAT, CK
*Extra ‘boost’ van deze waarden wanneer de cel dood gaat door de locatie
Plasmamembraan enzymen zullen sneller lekken (en dus sneller gedetecteerd worden).
Omdat ASAT zowel in het cytoplasma als de mitochondriën zit, is het lastig om te bepalen
hoe groot de schade precies is. Wanneer markers van de mitochondria verhoogd zijn, is de
schade vaak al erg groot.
Het vrijkomen in de circulatie wordt door verschillende factoren bepaald:
1. Afstand cel-capillair bloedvat
2. Dikte van het basale membraan (permeabiliteit)
3. Molecuulgewicht
vb: De lever en milt zijn zeer
permeabel en bevinden zich
dicht bij het capillair. Schade
aan deze organen is dus
sneller te detecteren dan
wanneer het orgaan is
omgeven met een dik
membraan en ver van de
capillairen af ligt, zoals bij
skeletspieren het geval is.
Het combineren van bepalingen kan aanvullende informatie leveren:
1. Biomarker patroon is afhankelijk van aanbod en eliminatie
2. Het betrokken orgaan kan afgeleid worden uit de relatie tussen:
- biomarkers die in alle weefsels voorkomen
- orgaan-specifieke biomarkers
3. De ernst van de schade kan worden afgeleid uit:
- Biomarkers die makkelijk het plasma bereiken
- Biomarkers die sterk gebonden zijn aan de cellen (bv. in mitochondria)
4. De acute fase kan worden afgeleid uit patronen:
- Late diagnostiek → biomarkers met lange t1/2
- Vroege diagnostiek → biomarkers met korte t1/2
van aanvraag tot uitslag: pre-analytische fase → analytische fase → post-analytische fase.
Gedurende dit proces kunnen er fouten voorkomen, vb:
1. Pre-analytische fase (68%): patiënt voorbereidingsfout ((niet) nuchter), fouten bij
bloedafname, fouten tijdens transport, verkeerd verwerken van de buisjes, verkeerde
patiënt, verkeerde analyse aangevraagd, etc.
2
, 2. Analytische fase (13%): analyse fouten in apparatuur door verontreiniging, analyse
fouten van de mens, interferenties, monster kwijt of verwisseld
3. Post-analytische fase (19%): uitval van apparatuur/IT, overschrijffouten, foutieve
interpretaties.
De analytische fouten zijn vaak voordehandliggend en makkelijk identificeerbaar (topje van
de ijsberg), de pre- and post-analytische fouten zijn lastiger te ontdekken. In 25% van de
gevallen hebben fouten gevolgen, waarvan 6% leidt tot foutieve therapie.
Hemolyse: Kapotgaan van rode bloedcellen, dus: LDH, K, ASAT, Foliumzuur (5-FU) ⭡
Hemolyse leidt tot vrijkomen van verschillende eiwitten, wat effect kan hebben op
enzymatische reacties. Verder zorgt de afbraak van RBC-en voor donkerrood serum i.p.v.
gelig. Hierdoor is de kleuromslag van rood naar blauw, die vaak wordt gebruikt in de
diagnostiek, niet meer goed zichtbaar.
Medicatie kan ook leiden tot interferentie:
1. Fysiologisch:
- antistolling → stollingstijd (APPT) ⭡
2. Analytisch:
- Biotine (B-vitamine) → biotine/streptavidine-immuno-assays kunnen worden
beïnvloed omdat de target substance dan niet meer bindt omdat het exogene
biotine de plek overneemt. (De mens maakt zelf geen biotine aan)
- Ethyleenglycol → metaboliet verhoogt lactaat in specifieke assays
3. Fysiologisch + analytisch:
- NAPQI effect op kreatinine: Analytisch ⭣, Fysiologisch ⭡
Referentiewaarden:
Zijn geen “normaal waarden”, maar meestal vastgesteld in goed-gedefinieerde ogenschijnlijk
gezonde personen. Ze bevatten zowel analytische als biologische (inter-individuele) variatie
en kunnen voor een bepaalde groep tellen. Geeft het 95% CI weer, niet het volledige bereik.
Hart - Hartinfarct (MI)
Een bloedpropje blokkeert de doorbloeding van (een gedeelte van) het hart, hierdoor
ontstaat er een zuurstoftekort..Het is een van de weinige aandoeningen met een specifieke
biomarker!
Criteria voor MI: detectie van troponine (cTn) waarden hoger dan de bovenste grens van de
referentiewaarden. De aandoening is acuut wanneer er een stijging en/of daling is van cTn
waarden.
Troponine: Speelt een rol bij
spiercontractie/relaxatie en bevindt zich in
skelet en hartspierweefsel, niet in gladde
spieren. Troponine bestaat uit 3 subunits: C,
I en T. Bij beschadiging van de hartspier
komt troponine vrij
3
Inhoudsopgave
1. Klinisch chemische testen in diagnostiek, behandeling, follow-up en prognose (22-
9-2025, Kootstra) ................................................................................................................. 1
2. Nieren (23-9-2025, Dijck-Brouwer) ................................................................................. 8
3. Endocrinologie (24-9-2025, Muller Kobold) ................................................................. 19
4. Farmacogenetica in de klinische praktijk (24-9-2025, Lanting).................................. 30
5. Homeostase: zuur-base regulatie en bloedgassen (25-9-2025, Kootstra)................. 32
6. Homeostase: water en zouthuishouding (25-9-2025, Dijck-Brouwer)........................ 37
7. Lever (26-9-2025, Dijck-Brouwer) ................................................................................. 43
8. Hematologie (29-9-2025, Meijer) ................................................................................... 50
9. Atherosclerose en lipiden (1-10-2025, Dijck-Brouwer) ............................................... 59
10. Pancreas en diabetes (2-10-2025 en 3-10-2025, Dijck-Brouwer) .............................. 66
11. Bonus college: IGF-1 (2-10-2025, Vos)....................................................................... 74
12. Tumormarkers (3-10-2025, Kema) .............................................................................. 76
,1. Klinisch chemische testen in diagnostiek, behandeling, follow-up en prognose (22-
9-2025, Kootstra)
Klinische chemie = lichaamseigen stoffen in lichaamseigen vloeistoffen (vb. bloed, urine,
etc)
Plasma vs. Serum:
Serum is het eindproduct na het
stollen en centrifugeren van
plasma. Serum bevat dus geen
stollingseiwitten (vb fibrinogeen).
Plasma wordt afgenomen met
een anticoagulans.
Er komen vaak niet-plasma specifieke biomarkers in het bloedplasma voor, want alles ‘lekt’;
eiwitten uit weefsels en cellen kunnen dus ook in de bloedbaan terechtkomen waardoor zij in
het plasma worden gedetecteerd. Deze eiwitten kunnen ook uit het plasma worden
verwijderd door opname in weefsels (voor verdere katabolisme) of uitscheiding door de
nieren. Hierdoor is er dus sprake van een halfwaardetijd, welke eiwit specifiek is.
Verhoogde concentraties van deze niet-plasma specifieke biomarkers in het plasma duidt op
problematiek, welke veroorzaakt kan worden door:
1. Verhoogde permeabiliteit van celmembranen (door bv schade/necrose)
2. Blokkade van secretie routes
3. Inductie/overproductie van eiwitten.
Er zijn verschillende markers voor orgaanschade:
Sensitiviteit = afhankelijk van de biomarker concentratie in het specifieke orgaan,
vergeleken met normaal plasma
Specificiteit = hangt af van de biomarker concentratie in andere organen.
1
,De mate van het ‘lekken’ wordt bepaald door de intracellulaire locatie van cellulaire
enzymen:
Plasma membraan → AF, GGT
Mitochondria → ASAT*, CK*
Cytoplasma → ALAT, LDH, ASAT, CK
*Extra ‘boost’ van deze waarden wanneer de cel dood gaat door de locatie
Plasmamembraan enzymen zullen sneller lekken (en dus sneller gedetecteerd worden).
Omdat ASAT zowel in het cytoplasma als de mitochondriën zit, is het lastig om te bepalen
hoe groot de schade precies is. Wanneer markers van de mitochondria verhoogd zijn, is de
schade vaak al erg groot.
Het vrijkomen in de circulatie wordt door verschillende factoren bepaald:
1. Afstand cel-capillair bloedvat
2. Dikte van het basale membraan (permeabiliteit)
3. Molecuulgewicht
vb: De lever en milt zijn zeer
permeabel en bevinden zich
dicht bij het capillair. Schade
aan deze organen is dus
sneller te detecteren dan
wanneer het orgaan is
omgeven met een dik
membraan en ver van de
capillairen af ligt, zoals bij
skeletspieren het geval is.
Het combineren van bepalingen kan aanvullende informatie leveren:
1. Biomarker patroon is afhankelijk van aanbod en eliminatie
2. Het betrokken orgaan kan afgeleid worden uit de relatie tussen:
- biomarkers die in alle weefsels voorkomen
- orgaan-specifieke biomarkers
3. De ernst van de schade kan worden afgeleid uit:
- Biomarkers die makkelijk het plasma bereiken
- Biomarkers die sterk gebonden zijn aan de cellen (bv. in mitochondria)
4. De acute fase kan worden afgeleid uit patronen:
- Late diagnostiek → biomarkers met lange t1/2
- Vroege diagnostiek → biomarkers met korte t1/2
van aanvraag tot uitslag: pre-analytische fase → analytische fase → post-analytische fase.
Gedurende dit proces kunnen er fouten voorkomen, vb:
1. Pre-analytische fase (68%): patiënt voorbereidingsfout ((niet) nuchter), fouten bij
bloedafname, fouten tijdens transport, verkeerd verwerken van de buisjes, verkeerde
patiënt, verkeerde analyse aangevraagd, etc.
2
, 2. Analytische fase (13%): analyse fouten in apparatuur door verontreiniging, analyse
fouten van de mens, interferenties, monster kwijt of verwisseld
3. Post-analytische fase (19%): uitval van apparatuur/IT, overschrijffouten, foutieve
interpretaties.
De analytische fouten zijn vaak voordehandliggend en makkelijk identificeerbaar (topje van
de ijsberg), de pre- and post-analytische fouten zijn lastiger te ontdekken. In 25% van de
gevallen hebben fouten gevolgen, waarvan 6% leidt tot foutieve therapie.
Hemolyse: Kapotgaan van rode bloedcellen, dus: LDH, K, ASAT, Foliumzuur (5-FU) ⭡
Hemolyse leidt tot vrijkomen van verschillende eiwitten, wat effect kan hebben op
enzymatische reacties. Verder zorgt de afbraak van RBC-en voor donkerrood serum i.p.v.
gelig. Hierdoor is de kleuromslag van rood naar blauw, die vaak wordt gebruikt in de
diagnostiek, niet meer goed zichtbaar.
Medicatie kan ook leiden tot interferentie:
1. Fysiologisch:
- antistolling → stollingstijd (APPT) ⭡
2. Analytisch:
- Biotine (B-vitamine) → biotine/streptavidine-immuno-assays kunnen worden
beïnvloed omdat de target substance dan niet meer bindt omdat het exogene
biotine de plek overneemt. (De mens maakt zelf geen biotine aan)
- Ethyleenglycol → metaboliet verhoogt lactaat in specifieke assays
3. Fysiologisch + analytisch:
- NAPQI effect op kreatinine: Analytisch ⭣, Fysiologisch ⭡
Referentiewaarden:
Zijn geen “normaal waarden”, maar meestal vastgesteld in goed-gedefinieerde ogenschijnlijk
gezonde personen. Ze bevatten zowel analytische als biologische (inter-individuele) variatie
en kunnen voor een bepaalde groep tellen. Geeft het 95% CI weer, niet het volledige bereik.
Hart - Hartinfarct (MI)
Een bloedpropje blokkeert de doorbloeding van (een gedeelte van) het hart, hierdoor
ontstaat er een zuurstoftekort..Het is een van de weinige aandoeningen met een specifieke
biomarker!
Criteria voor MI: detectie van troponine (cTn) waarden hoger dan de bovenste grens van de
referentiewaarden. De aandoening is acuut wanneer er een stijging en/of daling is van cTn
waarden.
Troponine: Speelt een rol bij
spiercontractie/relaxatie en bevindt zich in
skelet en hartspierweefsel, niet in gladde
spieren. Troponine bestaat uit 3 subunits: C,
I en T. Bij beschadiging van de hartspier
komt troponine vrij
3