🥷
13 T-cel immuniteit
Fase 5 Ontmoeten Ag
APC: dendritische cellen
Infectie stimuleert migratie en maturatie van DC (->>T cel activatie) → migratie nr secundaire
lymfoïde organen
Lokale macrofagen (->>effector functie) blijven ter plaatse → immuun respons en wondherstel
Uitzondering op de hematopoietische
stamcel:
Monocytmacrofaag: weefselcellen (bv Kupffer
cellen, langerhans-cellen en microglia) via
deze precursor en vernieuwen zichzelf
lokaal, zonder inflow van BMcellen
→ na stamceltransplantatie blijven deze van
ontvanger origine
Zowel de weefsel-macrofagen van HSC-
DE gewone monocyten gevormd uit HSC kunnen nr
als monocytmacrofaag origine zijn niet- de weefsels migreren en dr differenciËren tot
migrerende cellen en immuunsupressief macrofagen
(IL10)
monocyten migreren uit de bloedbaan en differentiëren tot:
weefselherstel bevorderende macrofagen (M2) (productie IL-10, TGFβ, VEGF) (!)
> IL4, IL10, steroïden (bij verdwijnen IF stimuli)
inflammatoire monocyten (M1) (productie IL1/IL6/TNF)
> IFNγ (IF via D/PAMPs)
Dendritische cellen:
13 T-cel immuniteit 1
, → immatuur in de weefsels: opname antigeen:
MHC moleculen worden in fagolysosoom
beladen met peptides.
→ activatie via PAMP/DAMP: migratie via
lymfevaten
→ matuur in lymfoïde weefsels: antigeen
presentatie (T-cel regio van lymfeklier): MHC
op oppervlak
→ presentatie aan zowel CD4 als CD8 T
cellen (klassiek vie HLA II aan de CD4 T
cellen, via crosspresentation mgls ook via
HLA I aan CD8) dankzij hun verschillende
presenterende pathways
cDC (conventionele dendritische cellen) = dé
APC bij uitstek, maar kortlevend (groen = MHC klasse II; rood = lysosomaal proteïne;
geel = overlap)
Macrofagen:
aanwezig in cortex en medulla, nemen op en presenteren pathogenen ter plaatse, ruimen
apoptotische lymfocyten op.
T cel activatie
In LN hebben T cellen nauw contact met DCs
en macrofagen:
(groene cellen) screening voor zelf-
peptide/zelf-MHC
→ overlevingssignalen
→ recirculatie naar bloed/LN/bloed
(blauwe cellen) screening voor vreemd-
peptide/zelf-MHC (1/104-106)
> vreemd peptide + zelf MHC
> costimulatorisch signaal op antigeen-
presenterende cellen (APC)
→ activatie = proliferatie + differentiatie
→ migratie via bloed naar plaats van
infectie
13 T-cel immuniteit 2
13 T-cel immuniteit
Fase 5 Ontmoeten Ag
APC: dendritische cellen
Infectie stimuleert migratie en maturatie van DC (->>T cel activatie) → migratie nr secundaire
lymfoïde organen
Lokale macrofagen (->>effector functie) blijven ter plaatse → immuun respons en wondherstel
Uitzondering op de hematopoietische
stamcel:
Monocytmacrofaag: weefselcellen (bv Kupffer
cellen, langerhans-cellen en microglia) via
deze precursor en vernieuwen zichzelf
lokaal, zonder inflow van BMcellen
→ na stamceltransplantatie blijven deze van
ontvanger origine
Zowel de weefsel-macrofagen van HSC-
DE gewone monocyten gevormd uit HSC kunnen nr
als monocytmacrofaag origine zijn niet- de weefsels migreren en dr differenciËren tot
migrerende cellen en immuunsupressief macrofagen
(IL10)
monocyten migreren uit de bloedbaan en differentiëren tot:
weefselherstel bevorderende macrofagen (M2) (productie IL-10, TGFβ, VEGF) (!)
> IL4, IL10, steroïden (bij verdwijnen IF stimuli)
inflammatoire monocyten (M1) (productie IL1/IL6/TNF)
> IFNγ (IF via D/PAMPs)
Dendritische cellen:
13 T-cel immuniteit 1
, → immatuur in de weefsels: opname antigeen:
MHC moleculen worden in fagolysosoom
beladen met peptides.
→ activatie via PAMP/DAMP: migratie via
lymfevaten
→ matuur in lymfoïde weefsels: antigeen
presentatie (T-cel regio van lymfeklier): MHC
op oppervlak
→ presentatie aan zowel CD4 als CD8 T
cellen (klassiek vie HLA II aan de CD4 T
cellen, via crosspresentation mgls ook via
HLA I aan CD8) dankzij hun verschillende
presenterende pathways
cDC (conventionele dendritische cellen) = dé
APC bij uitstek, maar kortlevend (groen = MHC klasse II; rood = lysosomaal proteïne;
geel = overlap)
Macrofagen:
aanwezig in cortex en medulla, nemen op en presenteren pathogenen ter plaatse, ruimen
apoptotische lymfocyten op.
T cel activatie
In LN hebben T cellen nauw contact met DCs
en macrofagen:
(groene cellen) screening voor zelf-
peptide/zelf-MHC
→ overlevingssignalen
→ recirculatie naar bloed/LN/bloed
(blauwe cellen) screening voor vreemd-
peptide/zelf-MHC (1/104-106)
> vreemd peptide + zelf MHC
> costimulatorisch signaal op antigeen-
presenterende cellen (APC)
→ activatie = proliferatie + differentiatie
→ migratie via bloed naar plaats van
infectie
13 T-cel immuniteit 2