ZIEKTEMECHANISMEN
BERT BAMMENS: HOMEOSTASEMECHANISMEN EN RENALE
PATHOFYSIOLOGIE
,Inhoudsopgave
deel II: stoornissen van homeostasemechanismen.......................3
Volume en osmolaliteit.....................................................................3
fysiologische aspecten.................................................................................................3
Na+ balans (homeostase).......................................................................................... 12
pathologie van volume- en osmose homeostase........................................................16
Zuur-base homeostase....................................................................34
Fysiologische aspecten............................................................................................... 34
Zuur-base-pathologie................................................................................................. 39
kalium............................................................................................53
Fysiologische aspecten............................................................................................... 53
Fysiopathologie.......................................................................................................... 56
deel III: capita selecta uit orgaan- en systeem-fysiopathologie...65
renale fysiopathologie....................................................................65
Proteïnurie en nefrotisch syndroom............................................................................65
Acute nierinsufficiëntie............................................................................................... 68
Chronische nierinsufficiëntie.......................................................................................71
casussen................................................................................. 74
Casus 1..........................................................................................74
Casus 2..........................................................................................74
Casus 3..........................................................................................74
Casus 4..........................................................................................75
Casus 5..........................................................................................76
Casus 6..........................................................................................77
Casus 7..........................................................................................78
Casus 8..........................................................................................78
Casus 9..........................................................................................79
,DEEL II: STOORNISSEN VAN HOMEOSTASEMECHANISMEN
Homeostasemechanisme
In evenwicht houden ondanks uitwendige schommelingen
Altijd set-point = normale situatie
Sensormechanisme: voelen afwijking en de welke
Effectormechanisme: afwijking terug naar set-point
Pathologie van homeostase
Hoe? Stoornis van…
Set-point: bepaalde temperatuur
Sensoren: thermometer stuk, je voelt het niet
Effectoren: warmtepomp stuk
Overschrijding van regelbereik (extern milieu)
Klimaat-probleem
Te trage reactie van effectormechanisme
Enorme fluctuaties rondom set-point
Gevolg? Verstoring van…
Primair: betreffend homeostase
Secundair: andere homeostase
VOLUME EN OSMOLALITEIT
FYSIOLOGISCHE ASPECTEN
DISTRIBUTIE VAN LICHAAMSWATER
Intracellulair: 60%
Extracellulair: 40%
intravasculair (in bloedbaan) 7%,
extravasculair (buiten bloedbaan) 33%
31% in interstitium
2% transcellulair (= water in ruimtes die door cellaag wordt
omgeven)
CSV, vocht in pleuraholte, pericard, peritoneum, oogbol,
synoviae van gewrichten)
Belangrijk in pathologie
Vetweefsel: 13% water
Verschillen in vetgehalte = belangrijkste factor voor verschillen in watergehalte
tss versch organen, geslachten en individuen ifv ouderdom
SAMENSTELLING VAN LICHAAMSWATER
Osmolaliteit
Osmolaliteit (mOsm/kg) of Osmolariteit (mOsm/L)
= concentratie opgeloste stoffen in vloeistof
Verschillen tussen ECF en ICF door…
Verschillen in permeabiliteit voor eiwitten
Transporters en actieve pompen
Intra: PO4, Mg2+: gebonden aan cellulaire eiwitten en diffunderen
niet vrij, K+; ATP, creatinefosfaat en fosfolipiden zijn overheersend
, Extra: Na+, Cl-, HCO3- overheersend
In principe gelijke osmolaliteit intra- en extracellulair door
osmose van water tussen de compartimenten
indien NIET: osmotische drukgradiënt die water aantrekt aan kant
met HOOGSTE osmolaliteit
Normaal: osmolaliteit in en uit de cel is GELIJK, maar samenstelling is
VERSCHILLEND ECF en ICF
Effectieve osmolaliteit = toniciteit
= dat deel van totale osmolaliteit dat effectief in staat is om
waterverplaatsing te veroorzaken over het celmembraan
Effectieve osmolen
= stoffen die ± beperkt zijn tot ECF of ICF, bepalen de
toniciteit
= stoffen die echt het vermogen hebben de osmotische
beweging van water tussen compartimenten te beïnvloeden
Vb’en
o Natrium (buiten de cel hoog, bepalend voor ECF)
o Mannitol (niet van lichaam, in kliniek gebruikt om
water uit cellen te trekken)
o Kalium
Niet-effectieve osmolaliteit
Ineffectieve osmolen
= stoffen die (relatief) vrij diffunderen tussen ECF of ICF
= stoffen die weinig invloed hebben op de osmotische
beweging van water tussen compartimenten
Vb’en
o Ureum (blijft binnen en buiten de cel gelijk, dus geen
osmotische gradiënt),
o Glucose
o Ethanol
!! kunnen soms effectief worden (gradiënt ontstaat toch)
disequilibrium syndroom
o Vb: Ureum: dialysis disequilibrium
Bij mensen die voor het eerst dialyse
ondergaan
Lichaam kan zich niet aanpassen aan snelle
veranderingen in hvlh afvalstoffen en dialysaat
BERT BAMMENS: HOMEOSTASEMECHANISMEN EN RENALE
PATHOFYSIOLOGIE
,Inhoudsopgave
deel II: stoornissen van homeostasemechanismen.......................3
Volume en osmolaliteit.....................................................................3
fysiologische aspecten.................................................................................................3
Na+ balans (homeostase).......................................................................................... 12
pathologie van volume- en osmose homeostase........................................................16
Zuur-base homeostase....................................................................34
Fysiologische aspecten............................................................................................... 34
Zuur-base-pathologie................................................................................................. 39
kalium............................................................................................53
Fysiologische aspecten............................................................................................... 53
Fysiopathologie.......................................................................................................... 56
deel III: capita selecta uit orgaan- en systeem-fysiopathologie...65
renale fysiopathologie....................................................................65
Proteïnurie en nefrotisch syndroom............................................................................65
Acute nierinsufficiëntie............................................................................................... 68
Chronische nierinsufficiëntie.......................................................................................71
casussen................................................................................. 74
Casus 1..........................................................................................74
Casus 2..........................................................................................74
Casus 3..........................................................................................74
Casus 4..........................................................................................75
Casus 5..........................................................................................76
Casus 6..........................................................................................77
Casus 7..........................................................................................78
Casus 8..........................................................................................78
Casus 9..........................................................................................79
,DEEL II: STOORNISSEN VAN HOMEOSTASEMECHANISMEN
Homeostasemechanisme
In evenwicht houden ondanks uitwendige schommelingen
Altijd set-point = normale situatie
Sensormechanisme: voelen afwijking en de welke
Effectormechanisme: afwijking terug naar set-point
Pathologie van homeostase
Hoe? Stoornis van…
Set-point: bepaalde temperatuur
Sensoren: thermometer stuk, je voelt het niet
Effectoren: warmtepomp stuk
Overschrijding van regelbereik (extern milieu)
Klimaat-probleem
Te trage reactie van effectormechanisme
Enorme fluctuaties rondom set-point
Gevolg? Verstoring van…
Primair: betreffend homeostase
Secundair: andere homeostase
VOLUME EN OSMOLALITEIT
FYSIOLOGISCHE ASPECTEN
DISTRIBUTIE VAN LICHAAMSWATER
Intracellulair: 60%
Extracellulair: 40%
intravasculair (in bloedbaan) 7%,
extravasculair (buiten bloedbaan) 33%
31% in interstitium
2% transcellulair (= water in ruimtes die door cellaag wordt
omgeven)
CSV, vocht in pleuraholte, pericard, peritoneum, oogbol,
synoviae van gewrichten)
Belangrijk in pathologie
Vetweefsel: 13% water
Verschillen in vetgehalte = belangrijkste factor voor verschillen in watergehalte
tss versch organen, geslachten en individuen ifv ouderdom
SAMENSTELLING VAN LICHAAMSWATER
Osmolaliteit
Osmolaliteit (mOsm/kg) of Osmolariteit (mOsm/L)
= concentratie opgeloste stoffen in vloeistof
Verschillen tussen ECF en ICF door…
Verschillen in permeabiliteit voor eiwitten
Transporters en actieve pompen
Intra: PO4, Mg2+: gebonden aan cellulaire eiwitten en diffunderen
niet vrij, K+; ATP, creatinefosfaat en fosfolipiden zijn overheersend
, Extra: Na+, Cl-, HCO3- overheersend
In principe gelijke osmolaliteit intra- en extracellulair door
osmose van water tussen de compartimenten
indien NIET: osmotische drukgradiënt die water aantrekt aan kant
met HOOGSTE osmolaliteit
Normaal: osmolaliteit in en uit de cel is GELIJK, maar samenstelling is
VERSCHILLEND ECF en ICF
Effectieve osmolaliteit = toniciteit
= dat deel van totale osmolaliteit dat effectief in staat is om
waterverplaatsing te veroorzaken over het celmembraan
Effectieve osmolen
= stoffen die ± beperkt zijn tot ECF of ICF, bepalen de
toniciteit
= stoffen die echt het vermogen hebben de osmotische
beweging van water tussen compartimenten te beïnvloeden
Vb’en
o Natrium (buiten de cel hoog, bepalend voor ECF)
o Mannitol (niet van lichaam, in kliniek gebruikt om
water uit cellen te trekken)
o Kalium
Niet-effectieve osmolaliteit
Ineffectieve osmolen
= stoffen die (relatief) vrij diffunderen tussen ECF of ICF
= stoffen die weinig invloed hebben op de osmotische
beweging van water tussen compartimenten
Vb’en
o Ureum (blijft binnen en buiten de cel gelijk, dus geen
osmotische gradiënt),
o Glucose
o Ethanol
!! kunnen soms effectief worden (gradiënt ontstaat toch)
disequilibrium syndroom
o Vb: Ureum: dialysis disequilibrium
Bij mensen die voor het eerst dialyse
ondergaan
Lichaam kan zich niet aanpassen aan snelle
veranderingen in hvlh afvalstoffen en dialysaat