Hoofdstuk 1 – Persoonlijkheid: een introductie
1.1 – Wat is persoonlijkheid? Pagina 15 t/m 20
Ieder mens is uniek.
Individuele verschillen: hetgeen wat mensen van elkaar onderscheidt. Sommige
individuele verschillen blijven hetzelfde, zoals oogkleur, impulsiviteit en intelligentie.
Andere verschillen veranderen met de tijd. Sommigen zijn ook psychologisch van
aard, zoals perfectionisme, spontaniteit en zelfverzekerdheid. Deze eigenschappen
hebben te maken met gedrag, emoties en gedachten.
Persoonlijkheid: heeft betrekking op de kenmerkende individuele verschillen tussen
mensen in hoe ze zich gedragen, hoe ze zich voelen en hoe ze denken. Deze
individuele verschillen zijn vrij stabiel, deels genetisch/erfelijk en tonen zich in
verschillende situaties. Achter deze gedragingen, gevoelens en gedachten gaan
bepaalde psychologische mechanismen schuil. Deze mechanismen helpen mensen
om zich aan te passen aan hun omgeving. 2 termen die persoonlijkheid lijken, maar
net iets anders betekenen, deelverzameling:
- Temperament: verwijst naar basale persoonlijkheidseigenschappen die al
in de kinderjaren aanwezig zijn en die observeerbaar zijn. Hoe wordt er
gereageerd op prikkels? 3 temperamenten:
o Het moeilijke kind
o Het gemakkelijke kind Zie verdieping 1.2 - p.20
o De langzame starter
- Karakter: heeft voornamelijk betrekking op het kenmerkende of typerende
van een persoon. Karakterbeschrijvingen lijken vaak op stereotype
beschrijvingen, zoals ‘nerd’.
1.2 – Stabiliteit van persoonlijkheid P. 20 t/m 22
Stabiliteit van persoonlijkheid: als je kind vroeger graag alleen speelde, is de kans
groot dat die het prettig vindt later om alleen te zijn. Maar
persoonlijkheidseigenschappen staan niet 100% vast. Een introvert kind kan in de
loop van de tijd iets extraverter worden. In de volwassenheid is persoonlijkheid nog
stabieler (daalt vanaf 60, behalve zorgvuldigheid).
2 belangrijke vormen van stabiliteit:
1. Rangordestabiliteit: de positie die iemand inneemt in een groep in de loop van
de tijd. Zijn kinderen die verlegen zijn i.v.m. leeftijdsgenoten dat na een tijdje
nog steeds?
2. Mean-levelstabiliteit: de mate waarin scores van groepen personen naarmate
ze ouder worden hetzelfde blijven. Zijn kinderen van 15 jaar meer of minder
opstandig dan kinderen van 10 jaar?
1
,1.3 – Erfelijkheid van persoonlijkheid P. 23 t/m 28
Erfelijkheid: verwijst naar de mate waarin genen overeenkomen en verschillen tussen
mensen kunnen verklaren. Het wordt vaak uitgedrukt in een percentage.
Eigenschappen zijn 50% erfelijk, de andere 50% is het gevolg van de omgeving
waarin iemand is opgegroeid (niet-gedeelde omgeving).
Als het gaat om de ontwikkeling van persoonlijkheid, lijkt de opvoeding er, onder
normale omstandigheden, niet zoveel toe te doen.
Het sociaaleconomisch milieu waarin kinderen opgroeien, heeft ook een kleine
invloed op de persoonlijkheid die kinderen ontwikkelen. Hoe hoger
sociaaleconomisch milieu hoger scoren op eigenschap Openstaan voor
Ervaringen. Hoger sociaaleconomisch milieu hoe intelligenter het kind.
Onzichtbare deel van de persoonlijkheid: mensen ontwikkelen gedurende hun jeugd
door ervaringen allerlei overtuigingen die te maken hebben met het vervullen van
behoeften. 2 categorieën:
1. Overtuigingen over anderen die te maken hebben met ‘slecht’ en ‘goed’ : zijn
andere mensen wel te vertrouwen als het gaat om mijn behoeften? Zullen ze
me kwetsen, verraden en in de steek laten? – hechtingsstijlen.
2. Overtuigingen over controle: hoeveel grip heb ik op het leven? In hoeverre
heb je het idee dat je in staat bent om te doen wat nodig is om je behoeften te
vervullen? – growth mindset en locus of control.
Deze overtuigingen gaan gepaard met emoties en de neiging om bepaald gedrag te
vertonen (BEAT’s: beliefs, emotions en action tendencies).
Zichtbare deel van de persoonlijkheid: wat mensen doen om hun behoeften te
bevredigen. De doelen die ze stellen en het gedrag waarmee ze aan deze doelen
werken.
1.4 – Zelf en identiteit P. 29 t/m 32
Onderdeel van de persoonlijkheid is hoe mensen denken dat ze zijn, percepties over
zichzelf. Ook wel ‘zelfconcept’ of ‘zelfbeeld’ genoemd. Subjectief. De mate waarin je
tevreden bent over je zelfconcept is terug te zien in je zelfwaardering.
Sociale identiteit
Hoe je jezelf presenteert naar anderen toe. Je kan je ook anders voordoen dan dat je
eigenlijk bent. Het gaat om de zaken die observeerbaar zijn voor andere mensen.
Zelfconcept ontwikkeld al vanaf jonge leeftijd. Personen met een hoge
zelfwaardering kunnen beter met kritiek en tegenslagen omgaan. Ze hebben namelijk
ook nog oog voor de dingen die wel goed gaan.
Identiteitscrisissen ervaren mensen vaak tijdens de adolescentie. Midlifecrisis:
ontevreden over bepaalde aspecten van je identiteit. 2 soorten identiteitscrisissen:
- Identiteitstekort: wanneer iemand nog geen (nieuwe) identiteit heeft gevormd.
Vaak moeite met het maken van een beslissing, omdat er nog geen sterke
identiteit is. Gebeurt vaak tijdens nieuwe gebeurtenissen.
2
, - Identiteitsconflict: wanneer enkele aspecten van de identiteit moeilijk of niet
met elkaar verenigbaar zijn. Vaak willen mensen deze wel behouden, maar is
het gewoon moeilijk te combineren.
1.5 P. 33 t/m 34
Persoonlijkheidspsychologie: houdt zich bezig met het bestuderen van deze
psychologische individuele verschillen/persoonlijkheid. Met als doel om mensen te
helpen zichzelf beter te begrijpen en te helpen hun leven vorm te geven.
Hoofdstuk 2 – klassieke modellen van persoonlijkheid
Persoonlijkheidstrekken: ‘Traits’ zijn algemene kenmerken die ieder individu in een
bepaalde mate heeft en die binnen dat individu niet of nauwelijks veranderen.
2.1 – Sigmund Freud en de psychoanalyse P. 42 t/m 53
Psychische motivatie en het bewustzijn van die psychische motivatie vallen
samen. Je doet iets omdat je het wilt en je weet ook dat je het wilt.
Volgens de psychoanalyse is dit niet zo vanzelfsprekend. Volgens deze
persoonlijkheidstheorie ben je je lang niet bewust van al je wensen, voorstellingen
en bedoelingen, onbewust actief. Soms kan je iets doen of zeggen wat je je had
voorgenomen om niet te doen, maar deze doe je dan toch plots. Dit is voor de
psychoanalyse een reden om aan te nemen dat er iets anders is dat ‘jouw’ gedrag
aanstuurt, waar jij geen weet van hebt. Hierom stelt Freud, de bedenker van
psychoanalyse, dat jij geen baas in eigen huis bent.
Een psychoanalyticus helpt met het tot stand brengen van de gewenste
persoonlijkheidsverandering door de ware motieven achter je boosheid te
verhelderen.
2.1.1 – Hysterie
Patiënten vertonen symptomen, zoals tics, spastische aanvallen en zitten in een
vreemde houding. De patiënten weten niet waarom ze dit doen en kunnen het niet
controleren. Medisch-lichamelijk mankeert er niks. Hypnose hielp wel bij de
behandeling van mentale stoornissen. Dus als een psychische behandeling met
woorden ervoor kan zorgen dat een lichamelijk symptoom verdwijnt, moet de
oorzaak van dat lichamelijke symptoom psychisch zijn. Praten hielp bij het
verlichten of verdwijnen van de symptomen.
2.1.2 – Verklaring van de psyche in drievoud
Symboliek: dat de ene betekenis vervangen kan worden door een ander symbool,
geeft aan dat psyche dynamisch is: uitdrukkingen kunnen ‘bewegen’ en dit vindt
onbewust plaats. Maar tussen welke plaatsen bewegen psychische uitdrukkingen?
Het topische aspect (plek/plaats) heeft hier betrekking op. Wanneer topische en
dynamische aspecten samen een verklaring geven voor psychische factoren, dan
is er nog de vraag naar de beweeglijkheid van wensen en de intensiteit van
symptomen. Deze vraag richt zich op de kwantitatieve kant van het psychische
gebeuren economische kant.
3