CELBIOLOGIE HOOFDSTUK 1
VRAAG 1
Vraag 1 – Waarom fixeren, inbedden en kleuren?
Jouw antwoord klopt: het is om de cellen en weefsels zichtbaar te maken.
Extra uitleg:
• Fixeren → stopt biologische processen, doodt cellen en bewaart de structuur (eiwitten denatureren,
enzymen inactief).
• Inbedden en snijden → maakt het mogelijk om dunne coupes te maken (anders is het te dik en komt
er geen licht/elektronen door).
• Kleuren/contrasteren → biologische membranen hebben weinig contrast → kleurstoffen of zware
metalen geven contrast.
VRAAG 2
Vraag 2 – Verschil 2D en 3D celculturen
Jouw antwoord klopt grotendeels!
Extra uitleg:
• 2D monolaagcultuur: cellen groeien plat in één laag op een substraat. Bij confluente groei (alles is
bedekt) → splitsen met trypsine/EDTA. Dit model is handig, maar minder realistisch.
• 3D cultuur: cellen groeien in clusters of weefsels (bijv. spheroïden of organoïden). Dit bootst de in
vivo omgeving beter na, omdat cellen elkaar en de ECM in alle richtingen voelen.
Belangrijk verschil: tumorcellen verliezen vaak contactinhibitie en kunnen dus in 3D hoopjes (foci) blijven
doorgroeien, terwijl normale cellen netjes in 2D stoppen.
VRAAG 3
Vraag 3 – Celdensiteits-afhankelijke inhibitie
Normale cellen:
• In cultuur delen ze tot een confluente monolaag.
• Dan stopt de celdeling door contactinhibitie (ze voelen buren → minder ruimte, minder mitogenen).
• Als je vers medium toevoegt, gaan ze nog een beetje verder, maar stoppen opnieuw.
• Splitsen in dochterculturen is nodig om ze verder te laten leven.
Tumorcellen:
• Verliezen het vermogen tot contactinhibitie.
• Ze groeien gewoon over elkaar heen in dichte hoopjes (foci, 3D clusters).
• Dit weerspiegelt hun gedrag in vivo → tumorcellen groeien ongecontroleerd.
, VRAAG 4
Vraag 4 – Waarom trypsine + EDTA bij celsplitsen?
Trypsine
• Is een protease (afkomstig uit de maag/darm).
• Het knipt oppervlakte-eiwitten die zorgen voor cel-cel en cel-substraat-binding.
• Gevolg: cellen laten los van elkaar en van de bodem.
EDTA
• Is een chelator = het bindt calcium (Ca²⁺) en magnesium (Mg²⁺).
• Ca²⁺ en Mg²⁺ zijn nodig voor adhesiemoleculen (zoals cadherines en integrines) om te werken.
• Door die ionen weg te halen, verzwakt de celadhesie → cellen laten makkelijker los.
Samenwerking:
• EDTA verstoort de ionen → adhesie wordt zwakker.
• Trypsine knipt de eiwitten → cellen komen volledig vrij.
VRAAG 5
Vraag 5 – Totipotent, pluripotent en multipotent stamcellen
Totipotente stamcellen
• Eerste uren/dagen na bevruchting (zygote → eerste klievingscellen).
• Kunnen zich ontwikkelen tot alle cellen van het embryo + placenta → dus een volledig nieuw
organisme.
• Voorbeeld: 2-cellig stadium → beide cellen zijn nog totipotent.
Pluripotente stamcellen
• Binnenste celmassa van de blastocyst (na ± 4-5 dagen).
• Kunnen zich ontwikkelen tot alle celtypen van het embryo zelf, maar niet meer de placenta.
• Voorbeeld: embryonale stamcellen uit een blastocyst.
Multipotente stamcellen
• Latere ontwikkeling, meer gespecialiseerd.
• Kunnen zich nog maar ontwikkelen tot een beperkt aantal celtypen binnen één weefsel of orgaan.
• Voorbeeld: hematopoëtische stamcellen → maken alle soorten bloedcellen, maar geen spier- of
zenuwcellen.
VRAAG 1
Vraag 1 – Waarom fixeren, inbedden en kleuren?
Jouw antwoord klopt: het is om de cellen en weefsels zichtbaar te maken.
Extra uitleg:
• Fixeren → stopt biologische processen, doodt cellen en bewaart de structuur (eiwitten denatureren,
enzymen inactief).
• Inbedden en snijden → maakt het mogelijk om dunne coupes te maken (anders is het te dik en komt
er geen licht/elektronen door).
• Kleuren/contrasteren → biologische membranen hebben weinig contrast → kleurstoffen of zware
metalen geven contrast.
VRAAG 2
Vraag 2 – Verschil 2D en 3D celculturen
Jouw antwoord klopt grotendeels!
Extra uitleg:
• 2D monolaagcultuur: cellen groeien plat in één laag op een substraat. Bij confluente groei (alles is
bedekt) → splitsen met trypsine/EDTA. Dit model is handig, maar minder realistisch.
• 3D cultuur: cellen groeien in clusters of weefsels (bijv. spheroïden of organoïden). Dit bootst de in
vivo omgeving beter na, omdat cellen elkaar en de ECM in alle richtingen voelen.
Belangrijk verschil: tumorcellen verliezen vaak contactinhibitie en kunnen dus in 3D hoopjes (foci) blijven
doorgroeien, terwijl normale cellen netjes in 2D stoppen.
VRAAG 3
Vraag 3 – Celdensiteits-afhankelijke inhibitie
Normale cellen:
• In cultuur delen ze tot een confluente monolaag.
• Dan stopt de celdeling door contactinhibitie (ze voelen buren → minder ruimte, minder mitogenen).
• Als je vers medium toevoegt, gaan ze nog een beetje verder, maar stoppen opnieuw.
• Splitsen in dochterculturen is nodig om ze verder te laten leven.
Tumorcellen:
• Verliezen het vermogen tot contactinhibitie.
• Ze groeien gewoon over elkaar heen in dichte hoopjes (foci, 3D clusters).
• Dit weerspiegelt hun gedrag in vivo → tumorcellen groeien ongecontroleerd.
, VRAAG 4
Vraag 4 – Waarom trypsine + EDTA bij celsplitsen?
Trypsine
• Is een protease (afkomstig uit de maag/darm).
• Het knipt oppervlakte-eiwitten die zorgen voor cel-cel en cel-substraat-binding.
• Gevolg: cellen laten los van elkaar en van de bodem.
EDTA
• Is een chelator = het bindt calcium (Ca²⁺) en magnesium (Mg²⁺).
• Ca²⁺ en Mg²⁺ zijn nodig voor adhesiemoleculen (zoals cadherines en integrines) om te werken.
• Door die ionen weg te halen, verzwakt de celadhesie → cellen laten makkelijker los.
Samenwerking:
• EDTA verstoort de ionen → adhesie wordt zwakker.
• Trypsine knipt de eiwitten → cellen komen volledig vrij.
VRAAG 5
Vraag 5 – Totipotent, pluripotent en multipotent stamcellen
Totipotente stamcellen
• Eerste uren/dagen na bevruchting (zygote → eerste klievingscellen).
• Kunnen zich ontwikkelen tot alle cellen van het embryo + placenta → dus een volledig nieuw
organisme.
• Voorbeeld: 2-cellig stadium → beide cellen zijn nog totipotent.
Pluripotente stamcellen
• Binnenste celmassa van de blastocyst (na ± 4-5 dagen).
• Kunnen zich ontwikkelen tot alle celtypen van het embryo zelf, maar niet meer de placenta.
• Voorbeeld: embryonale stamcellen uit een blastocyst.
Multipotente stamcellen
• Latere ontwikkeling, meer gespecialiseerd.
• Kunnen zich nog maar ontwikkelen tot een beperkt aantal celtypen binnen één weefsel of orgaan.
• Voorbeeld: hematopoëtische stamcellen → maken alle soorten bloedcellen, maar geen spier- of
zenuwcellen.