1. Altruism and Natural Selection: An Evolutionary
Perspective on Human Nature
1.1 Natural Selection and Behavior
De evolutionaire psychologie onderzoekt hoe gedrag is ontstaan via natuurlijke
selectie en hoe dit onze huidige psychologische mechanismen beïnvloedt. In zijn
werk The Origin of Species (1859) introduceerde Charles Darwin het principe
van natuurlijke selectie: organismen die beter aangepast zijn aan hun omgeving
hebben een grotere kans om te overleven en zich voort te planten. Dit leidt
tot survival of the fittest, waarbij better fitness verwijst naar het vermogen om
genen door te geven aan de volgende generatie. Waar Darwin zich richtte op fysieke
kenmerken, focussen moderne Darwinisten op de evolutie van gedrag.
Gedragingen die bijdragen aan overleving en voortplanting, zoals altruïsme, kunnen
zich verspreiden en universeel worden (universal characteristics). Voorbeelden van
zulke universele kenmerken zijn bipedalisme (rechtop lopen) en psychologische
eigenschappen die adaptief zijn.
1.2 Altruistic Behavior
Altruïstisch gedrag betekent anderen helpen, zelfs als dit nadelig is voor je eigen
fitness. Dit lijkt in strijd met natuurlijke selectie, die gebaseerd is op eigenbelang.
Toch is altruïsme wijdverspreid. Een verklaring ligt in de universele behoefte tot
erbij horen. Volgens Baumeister & Tice (1990) is sociale angst (social
anxiety) een adaptatie die uitsluiting voorkomt. Mensen zijn eerder geneigd
om genetische verwanten te helpen, vooral in situaties met hoge kosten of
risico’s, zoals operaties of levensbedreigende omstandigheden.
DEMO: who would you help? More people would risk surgery for family then for student -
> helping genetic relatives
1.3 Inclusive Fitness and Kinship
Het concept van inclusieve fitness (Hamilton) stelt dat het evolutionair voordelig is
om niet alleen het eigen reproductieve succes te maximaliseren, maar ook dat
van genetisch verwanten. De mate van genetische verwantschap bepaalt in
welke mate men bereid is om anderen te helpen. Zo is de verwantschap 100% bij
een identieke tweeling, 50% bij ouders en kinderen of broers en zussen, en 25% bij
ooms/tantes en neven/nichten.
Onderzoek van Daly & Wilson (1988) toont aan dat stiefouders minder zorg
dragen dan biologische ouders, en dat stiefvaders vaker betrokken zijn (100x) bij
kindermishandeling.
,Burnstein et al. (1994) vonden dat mensen meer hulp bieden aan genetische
verwanten, vooral in levensbedreigende situaties. Jongeren krijgen vaker hulp
dan ouderen, omdat zij nog een reproductieve toekomst hebben. Dit alles
ondersteunt de inclusive fitness theory.
De theorie van inclusive fitness: we helpen anderen niet zomaar, maar vooral
wanneer het onze genetische overleving ten goede komt — bijvoorbeeld eerder een
10-jarige neef dan een onbekende baby.
1.4 Reciprocal Altruism (Trivers, 1971)
Wederkerig altruïsme verklaart waarom mensen ook niet-verwanten helpen.
Volgens Trivers (1971) is dit gebaseerd op het principe: “ik help jou, als jij mij later
helpt”. Dit systeem werkt alleen als individuen elkaar kunnen herkennen
en bedriegers (cheaters) kunnen worden uitgesloten. Het komt vooral voor
bij intelligente soorten zoals primaten en mensen, en in kleine, hechte
groepen waar sociale controle mogelijk is. Door wederkerige hulp verhoogt men
indirect de eigen overlevingskansen, wat het gedrag evolutionair voordelig maakt.
2
,Conclusie: Wie we helpen en in welke situaties is grotendeels voorspelbaar vanuit
een evolutionair perspectief. Zowel inclusieve fitness als wederkerig
altruïsme bieden sterke verklaringen voor altruïstisch gedrag.
2. Sexual Selection and Sex Differences in Behavior: An
Evolutionary Perspective on Sex Differences
2.1 Sexual Selection and Parental Investment
Seksuele selectie verwijst naar het proces waarbij individuen verschillen in
toegang tot seksuele partners. Dit gebeurt via intrasexuele competitie
en intersexuele selectie .
Intrasexuele competitie verwijst naar de strijd tussen leden van hetzelfde
geslacht (meestal mannen) om toegang tot partners, bijvoorbeeld via dominantie of
status.
Intersexuele selectie betekent dat het ene geslacht (meestal vrouwen) kieskeurig
is in partnerkeuze, vaak op basis van kenmerken zoals gezondheid, middelen of
aantrekkelijkheid.
Volgens de Parental Investment Theory (Trivers, 1972) investeren vrouwen meer
in het grootbrengen van nakomelingen (zwangerschap, borstvoeding, bescherming),
wat leidt tot grotere selectiviteit bij partnerkeuze. Mannen, die minder investeren,
streven naar meer seksuele partners. Onderzoek van Buss & Schmitt
(1993) toont aan dat mannen gemiddeld meer seksuele partners wensen dan
vrouwen, wat wijst op een aanzienlijk sekseverschil in seksuele strategieën. Ook zijn
mannen minder selectief, wat bevestigd wordt door studies zoals die van Clark &
Hatfield (1989).
Demo: What do you think men and women find most important in a potential partner?
Financial resources (F)/Younger versus older+Physical attractiveness (M)
2.2 Mating Preferences
Mannen zoeken vooral naar fysieke aantrekkelijkheid en jeugd (indicatoren van
vruchtbaarheid), terwijl vrouwen meer belang hechten aan financiële
zekerheid en ambitie (indicatoren van hulpbronnen). Deze voorkeuren zijn
universeel aangetoond in 37 culturen (Buss, 1989) en bevestigd in een replicatie
met 45 landen (Walter et al., 2020).
De structurele machteloosheidshypothese (Eagly & Wood, 1999) stelt dat
vrouwen financiële zekerheid zoeken omdat ze historisch economisch afhankelijk zijn
van mannen. Dit gaat in tegen onderzoek van Buss et al., (1989) die stellen dat
wanneer vrouwen een hogere SES hebben ze financiele zekerheid nog belagrijker
vinden bij mannen.
Beide geslachten geven de voorkeur aan tekenen van gezondheid en
vruchtbaarheid, zoals een gunstige taille-heupverhouding en symmetrie, wat
3
, wijst op “goede genen”. Vrouwen gaven de voorkeur aan mannen met een brede
schouders–smalle taille (inverted triangle), wat wijst op hoge testosteronwaarden en
fysieke kracht (Singh, 1995).
Brooks stelde dat eenvoudige maten zoals WHR of BMI niet alles verklaren. In plaats
daarvan zijn tailleomtrek en algemene slankheid belangrijker voor
aantrekkelijkheid. Er zijn dus meerdere manieren waarop een lichaam als
aantrekkelijk kan worden ervaren.
2.3 Young Men: Risk, Violence and Honor
Jonge mannen vertonen vaker risicovol en agressief gedrag, wat evolutionair
verklaard wordt door seksuele competitie. Mannen moeten concurreren om
toegang tot vrouwen, wat leidt tot meer fysieke agressie (Hyde, 1984).
Meta-analyses (Archer, 2004) tonen aan dat mannen hoger scoren op directe
agressie (d = .80), terwijl vrouwen iets hoger scoren op indirecte agressie, vooral
in de adolescentie. De piek in agressie bij mannen ligt tussen de 20 en 30 jaar, wat
samenvalt met de periode van maximale reproductieve competitie.
2.4 Cuckoldry and Jealousy
Mannen ervaren fundamentele onzekerheid over vaderschap, terwijl vrouwen
zeker zijn van hun moederschap. Dit leidt tot sekseverschillen in jaloezie: mannen
zijn gevoeliger voor seksuele ontrouw, vrouwen voor emotionele ontrouw. Deze
verschillen zijn bevestigd in verschillende culturen en met fysiologische
metingen (Buss et al., 1992). Mannen vermijden het risico op cuckoldry (het
opvoeden van andermans kind), terwijl vrouwen het verlies van hulpbronnen willen
voorkomen.
4