DEEL I – Handel
1. Handelstheorie
Centrale vragen Handelstheorie
Wie exporteert naar/van wie en waarom?
Wat exporteert/importeert men en waarom?
Wat zijn de welvaartseffecten van deze handelspatronen?
Twee traditionele handelsmodellen die toonaangevend zijn geweest
Ricardiaans handelsmodel: focus op verschillen in productiviteit
Heckscher-Ohin (-Samuelson) handelsmodel: focus op verschillen in beschikbare productiefactoren
Gemeenschappelijke kenmerken
o Denken in termen van landen en sectoren
o Denken in relatieve termen en niet absolute termen
1.1 Ricardiaans Handelsmodel
1.1.1 Achtergrond
Centrale vaststelling: “ landen met een hogere productiviteit in een bepaald product, exporteren vaak dat product”.
Productiviteit hier arbeidsproductiviteit: hoeveel kan één arbeider produceren?
Ricardiaans handelsmodel wordt gelinkt met technologie dit verklaart de hogere productiviteit per arbeider
Verschil met Adam Smith
Adam Smith: diegene die het beste is in een bepaalde activiteit, moet die activiteit uitvoeren
Ricardo: diegene die voor een bepaalde activiteit relatief het beste is, moet die activiteit uitvoeren.
Conclusie Ricardo: zelfs als een land overal het beste in is, is specialisatie volgens comparatief voordeel toch
voordelig. Die specialisatie leidt tot een wederzijds voordeel.
Opportuniteitskost= wat je misloopt door een andere keuze te maken. Wat geef je op door arbeiders in de ene
sector te plaatsen i.p.v. de andere.
Een land heeft een comparatief voordeel in een goed als het dat goed kan produceren aan een lagere
opportuniteitskost dan het andere land.
Als een land zich specialiseert in het goed waarin het een comparatief voordeel heeft op basis van
opportuniteitskosten:
1) Ontstaat er specialisatie in de productie van dat goed
2) Worden middelen efficiënter ingezet
3) Stijgt de wereldoutput
4) Ontstaat er welvaartswinst voor beide landen, op voorwaarde van een eerlijke ruilvoet
Ruilvoet = de verhouding waarin goederen internationaal verhandeld worden. zolang die gunstig is voor beide
partijen, profiteert iedereen van handel
Volgens het model zorgt vrijhandel gebaseerd op comparatieve voordelen voor een maximalisatie van
wereldwijde welvaart.
,Voorbeeld comparatief voordeel en opportuniteitskosten
textiel Wijn
Vereiste arbeidseenheden per eenheid output
Engeland 15 30
Portugal 10 15
Opportuniteitskosten:
Van wijn
o in Engeland: 30/15 = 2 eenheden textiel
o in Portugal: 15/10 = 1.5 eenheden textiel
Portugal heeft een lagere opportuniteitskost Portugal heeft een comparatief voordeel in Wijn
Van Textiel
o In Engeland: 15/30 = 0.5 eenheden Wijn
o In Portugal: 0.66 eenheden wijn
Engeland heeft een lagere opportuniteitskost Engeland heeft een comparatief voordeel in Textiel
Hieruit volgt internationale handel:
Portugal zal zich specialiseren in Wijn
Engeland zal zich specialiseren in Textiel
1.1.2 Ricardiaans handelsmodel in Autarkie
Terminologie
Twee sectoren: Wine (W) en textiel (C)
De vereiste arbeid nodig per eenheid output in de sectoren: aLW (wijn) & aLC (textiel)
Het totale arbeidsaanbod: L
De totale productie van iedere sector: QW (wijn) & QC (textiel)
De prijs van ieder goed: PW (wijn) & PC cloth)
Assumpties
Perfecte concurrentie: de lonen zijn gelijk aan de waarde die de arbeider produceert
Arbeidsmobiliteit tussen sectoren: arbeiders kunnen vrij van de ene sector naar de andere overschakelen
De productiemogelijkhedencurve (PMC) geeft alle mogelijke
combinaties van Wijn en Textiel die een land kan produceren,
gegeven een vast arbeidsaanbod
Logische voorwaarde: de som van de totale productie binnen
beide sectoren kan nooit groter zijn dan het totale arbeidsaanbod
Stel
Volledige inzet in textiel: QC = L / aLC
Volledige inzet in wijn: QW = L/ aLW
Gevolg uit assumptie perfecte concurrentie: het loon van de arbeider (w) is gelijk aan de prijs van een goed gedeeld
door de vereiste arbeid nodig voor dat product.
Voor textiel: Voor wijn:
Opportuniteitskosten
Opportuniteitskost voor wijn uitgedrukt in eenheden textiel: a LW / aLC
Opportuniteitskost voor textiel uitgedrukt in eenheden wijn: a LC/ aLW
Relatieve prijzen
Relatieve prijs voor textiel: PC / PW
Relatieve prijs voor wijn: PW / PC
,Welke combinatie wijn/textiel wordt geproduceerd hangt af van de verhouding van relatieve prijzen en
opportuniteitskosten :
Een land zal zich specialiseren in de productie van een goed als de relatieve prijs van dat goed groter is dan
de opportuniteitskost van dat goed
In autarkie moet een land altijd beide goederen zelf produceren. Hierdoor geldt steeds:
De combinatie wijn/textiel die in autarkie wordt geproduceerd is afhankelijk
van het nutsniveau van de consumenten. Grafisch is dit waar de hoogste
indifferentiecurve de productiemogelijkhedencurve raakt (punt E)
Q*W : de hoeveelheid productie Wijn
Q*C: de hoeveelheid productie Textiel
1.1.3 Ricardiaans handelsmodel in Vrijhandel
Buitenland wordt vaak aangeduid met F (forreign) of een *
Binnenland/thuisland wordt vaak aangeduid met H (Home)
Assumpties
Arbeid is internationaal immobiel
Geen transport- of transactiekosten
Geen handelsbelemmeringen (volgt uit vrijhandel)
Stel dat het thuisland een comparatief voordeel heeft in textiel geldt dat de vereiste arbeid nodig voor een
output textiel in verhouding met de vereiste arbeid nodig voor een output wijn kleiner is in het thuisland dan in
het buitenland:
Relatieve vraag en aanbod voor de wereld
RS-curve: relative supply: afhankelijk van relatieve
prijsverhouding tussen Textiel en Wijn
RD-curve: relative demand (hierbij arbitrair)
Horizontale as: relatief aanbod van textiel
Verticale as: relatieve prijs van textiel
Bij een hoge relatieve prijs van textiel(dus textiel
heel waardevol in verhouding met wijn, loont voor
beide landen om zich te focussen op textiel.
horizontale segment RS-curve: hier is de relatieve
prijs van textiel exact gelijk aan de
opportuniteitskost van textiel. Het maakt voor het
land dus niet uit of het textiel of wijn produceert.
, De keuze tot specialisatie wordt gedreven door de convergentie van relatieve prijzen (= prijs tussen beide relatieve
prijzen in autarkie)
1) omdat goed C relatief goedkoper is in H, zal H dit exporteren naar F. het toegenomen aanbod van C in F zal
leiden tot een daling van de relatieve prijs van C in F
2) omdat F een comparatief voordeel heeft in W, zal F W exporteren naar H. het toegenomen aanbod van W in
H zal leiden tot een daling van de relatieve prijs van W in H
3) hierdoor ontstaat er een geleidelijk evenwicht van wereldprijzen, waarbij de relatieve prijs in beide landen
convergeert naar een gemeenschappelijke wereldprijs.
Belangrijk resultaat: prijsequalisatie= de wereldprijs zal liggen tussen de twee autarkieprijzen
Welvaartsimplicaties: Winst voor iedereen
Efficiëntiewinst: keuze tot iets zelf produceren of importeren
Toename in consumptiekeuzes
Op individueel vlak wordt niemand slechter van vrijhandel
Ruilvoet = prijs van het exportgoed gedeeld door de prijs van het importgoed
Prijswijziging wijziging van de ruilvoet
We meten individuele welvaart als het reële loon. Dit is het nominale loon gedeeld door de prijs van het
consumptiegoed. Hieruit krijgen we vies situaties
Textielwerkers die textiel consumeren
Textielwerkers die wijn consumeren
Wijnwerkers die wijn consumeren
Wijnwerkers die textiel consumeren
In autarkie wordt het loon (w) verkregen door de prijs van een goed (p) gedeeld door de vereiste arbeid (a) nodig
voor dat product. Hieruit volgt in autarkie:
Door de prijsconvergentie, stijgt de welvaart van de arbeider die het goed consumeert die het niet zelf produceert
met de verhouding van het geproduceerde goed van die arbeider en het geconsumeerde goed van die arbeider
(ruilvoet)
Door handel kantelt de consumptiemogelijkhedencurve: de
mogelijke consumptie van goed W stijgt waardoor men een
hogere indifferentiecurve kan raken. D staat voor de totale
consumptie van het thuisland. Het verschil B- D is de
hoeveelheid men exporteert (het land specialiseert de
volledige productie in C). de totale consumptie van W
wordt geïmporteerd en komt overeen met punt D.