Begrip Definitie
INLEIDING
PSYCHOLOGIE 1 van de belangrijkste hulpbronnen en vormen inzichten van
dagelijkes omgang en communicatie.
BIOLOGISCH PERSPECTIEF
ZYGOTE/ BEVRUCHTE EICEL Het resultaat waarbij de eicel (v) en de zaadcel (m) zich versmelten.
MITOSE/ De 1ste eicel zich deelt tot er 2 eicellen zijn. Die 2 delen zich delen
VERMENIGVULDIGINGDELING zodat er 4 cellen zijn enz. 4 8
DIFFERENTIATIEPROCES Zorgt ervoor dat cellen hun specifieke functie en vorm krijgen en dat
biologische processen maar ook weefsels en organen worden
gevormd, elk met hun eigen structuur en werking.
CHROMOSOOM Is een drager van erfelijk DNA (23 paar chromosomen => 46
chromosomen)
Is opgebouwd uit tientallen en honderden genen. Ze bevatten
miljoenen basenparen in hun oneindige variaties.
DNA Desoxyribo Nuclëic Acid
GENOOM Alle 46 chromosomen
EPIGENOOM Is het touw dat strak om een chromosoom heen gespannen zit, en is
een besturingssysteem v/h DNA en zet genen in cellen en weefsels
aan en uit. (receptor)
HOMOZYGOOT 2 genen die dezelfde invloed hebben op een kenmerk
HETEROZYGOOT 2 genen die voor een bepaald kenmerk verschillen van elkaar
GENOTYPE Bevat het gekregen informatie van de ouders (overgeerfd).
Dominatant of ressensief
FENOTYPE Is het uiteindelijk resultaat
DOMINATE KENMERK Het sterke kenmerk
RESSENSIEVE KENMERK Het zwakke kenmerk
GENETISCHE MUTATIE 1 of meerder wijzigingen in het genetisch materiaal
PUNTMUTATIE Mutaties op het niveau van de DNA-bouwstenen, omdat 1 koppel
vervangen moet worden door een ander
CHROMOSOOMMUTATIE Een weiziging in de aard, de vorm of de grootte van een
, chromosoom.
DELETIE Een stuk chromosoon die ontbreekt, waardoor er DNA verloren is
gegaan. (vb: Cri-du-chat – syndroom )
- DUPLICATIE Verdubbelt zich, als gevolg een fout tijdens de celdeling. (vb: fragiel
X-syndroom)
- INSERTIE Stukje van het ene chromosoon hecht zich aan het ander.
- INVERSIE Plaatswisseling binnen hetzelfde chromosoon.
- TRANSLOCATIE Plaatswisseling tussen chromosomen. (vb: tumor)
GENOOMMUTATIE Een numerieke wijziging in het normaal aantal chromosoon
- AUTOSOMALE Monosomie : 1 van de ouders een chromosoon te weinig heeft
doorgegeven. (vb: miskraam)
Trisomie: 1 van de ouders een chromosoon te veel heeft gegeven
(vb: syndroom van Down, Edwards, Patau)
- GONOSOMALE Monosomie: 1 van de ouders een chromosoon te weinig heeft
doorgegeven. (vb: syndroom van Turner)
Trisomie: 1 van de ouders een chromosoon te veel heeft gegeven.
(vb: Triple X – Syndroom [V], XYY syndroom [M] en syndroom van
Klinefelter [M])
MITOCHONDRIËN Zijn energieleveransiers van onze cellen
CENTRAAL – ZENUWSTELSEL Alle delen diel beschermd zijn door de schedel en de wervelkolom
PERIFERE – ZENUWSTELSEL Alle zenuwbanen die van het centrale zenuwstelsel lopen en die niet
door beenderen uit ons geraamte beschermd zijn.
SYNAPTISCHE SPLEET De ruimte tussen 2 neuronen
WILLEKEURIGE Deel v/h centrale zenuwstelsel we bewust en intentionele acties
ZENUWSTELSEL kunnen aansturen. [ eigen wil ]
AUTONOME ZENUWSTELSEL Deel v/h perifere zenuwstelsel dat onbewust acties aanstuurt. Vb:
bang zijn, pijn hebben, …
ZELFREGULATIE Is de mogelijkheid om zichzelf cognitief, emotioneel, lichaamlijk als
rationeel te reguleren.
NEUROCEPTIE Is de autonome innerlijke scanner die signalen van veiligheid en
onveiligheid waarneemt zowel intern als extern. [onbewust]
HET PSYCHODYNAMISCH PERSPECTIEF
INLEIDING
PSYCHOLOGIE 1 van de belangrijkste hulpbronnen en vormen inzichten van
dagelijkes omgang en communicatie.
BIOLOGISCH PERSPECTIEF
ZYGOTE/ BEVRUCHTE EICEL Het resultaat waarbij de eicel (v) en de zaadcel (m) zich versmelten.
MITOSE/ De 1ste eicel zich deelt tot er 2 eicellen zijn. Die 2 delen zich delen
VERMENIGVULDIGINGDELING zodat er 4 cellen zijn enz. 4 8
DIFFERENTIATIEPROCES Zorgt ervoor dat cellen hun specifieke functie en vorm krijgen en dat
biologische processen maar ook weefsels en organen worden
gevormd, elk met hun eigen structuur en werking.
CHROMOSOOM Is een drager van erfelijk DNA (23 paar chromosomen => 46
chromosomen)
Is opgebouwd uit tientallen en honderden genen. Ze bevatten
miljoenen basenparen in hun oneindige variaties.
DNA Desoxyribo Nuclëic Acid
GENOOM Alle 46 chromosomen
EPIGENOOM Is het touw dat strak om een chromosoom heen gespannen zit, en is
een besturingssysteem v/h DNA en zet genen in cellen en weefsels
aan en uit. (receptor)
HOMOZYGOOT 2 genen die dezelfde invloed hebben op een kenmerk
HETEROZYGOOT 2 genen die voor een bepaald kenmerk verschillen van elkaar
GENOTYPE Bevat het gekregen informatie van de ouders (overgeerfd).
Dominatant of ressensief
FENOTYPE Is het uiteindelijk resultaat
DOMINATE KENMERK Het sterke kenmerk
RESSENSIEVE KENMERK Het zwakke kenmerk
GENETISCHE MUTATIE 1 of meerder wijzigingen in het genetisch materiaal
PUNTMUTATIE Mutaties op het niveau van de DNA-bouwstenen, omdat 1 koppel
vervangen moet worden door een ander
CHROMOSOOMMUTATIE Een weiziging in de aard, de vorm of de grootte van een
, chromosoom.
DELETIE Een stuk chromosoon die ontbreekt, waardoor er DNA verloren is
gegaan. (vb: Cri-du-chat – syndroom )
- DUPLICATIE Verdubbelt zich, als gevolg een fout tijdens de celdeling. (vb: fragiel
X-syndroom)
- INSERTIE Stukje van het ene chromosoon hecht zich aan het ander.
- INVERSIE Plaatswisseling binnen hetzelfde chromosoon.
- TRANSLOCATIE Plaatswisseling tussen chromosomen. (vb: tumor)
GENOOMMUTATIE Een numerieke wijziging in het normaal aantal chromosoon
- AUTOSOMALE Monosomie : 1 van de ouders een chromosoon te weinig heeft
doorgegeven. (vb: miskraam)
Trisomie: 1 van de ouders een chromosoon te veel heeft gegeven
(vb: syndroom van Down, Edwards, Patau)
- GONOSOMALE Monosomie: 1 van de ouders een chromosoon te weinig heeft
doorgegeven. (vb: syndroom van Turner)
Trisomie: 1 van de ouders een chromosoon te veel heeft gegeven.
(vb: Triple X – Syndroom [V], XYY syndroom [M] en syndroom van
Klinefelter [M])
MITOCHONDRIËN Zijn energieleveransiers van onze cellen
CENTRAAL – ZENUWSTELSEL Alle delen diel beschermd zijn door de schedel en de wervelkolom
PERIFERE – ZENUWSTELSEL Alle zenuwbanen die van het centrale zenuwstelsel lopen en die niet
door beenderen uit ons geraamte beschermd zijn.
SYNAPTISCHE SPLEET De ruimte tussen 2 neuronen
WILLEKEURIGE Deel v/h centrale zenuwstelsel we bewust en intentionele acties
ZENUWSTELSEL kunnen aansturen. [ eigen wil ]
AUTONOME ZENUWSTELSEL Deel v/h perifere zenuwstelsel dat onbewust acties aanstuurt. Vb:
bang zijn, pijn hebben, …
ZELFREGULATIE Is de mogelijkheid om zichzelf cognitief, emotioneel, lichaamlijk als
rationeel te reguleren.
NEUROCEPTIE Is de autonome innerlijke scanner die signalen van veiligheid en
onveiligheid waarneemt zowel intern als extern. [onbewust]
HET PSYCHODYNAMISCH PERSPECTIEF