Samenvatting economie
Hoofdstuk 1: Consumenten
1. De keuze van de optimale goederencombinatie
Pag 14 -19 zelfstudie in handboek
Je krijgt een bepaald budget vb 20€ en je mag hier goederen mee gaan kopen, dit
budget moet wel opgekocht worden, dus je moet 20 euro opmaken ->
economisch kan je hier uit afleiden als je de prijs stijgt wat er met de vraag
gebeurd
Bandwagon effect : een wagon dat in gang schiet en alle andere wagons volgen
dit -> iemand begint met iets en de rest volgt dit, bv iemand heeft een bepaald
kledingmerk en iedereen gaat dit merk ook kopen
Snobeffect: je wilt exclusief zijn, je wilt anders zijn dan andere, je wilt opvallen,
bv iedereen draagt een bepaald kledingmerk, jij gaat dit absoluut niet doen want
je wilt exclusief zijn
Pag 15 handboek:
Wet van Gossem: definitie in handboek
definitie: een marginaal nut is het nut dat er steeds bijkomt
het benutten van een goed voor de eerste keer zal mij meer nut opleveren dan
een 2de , 3de of 4de keer ( vb winterjas de eerste geeft mij meer nut dan een 2de of
voorbeeld je hebt enorme honger dan geeft de eerste boterham je meer nut dan
de 2de boterham) -> bij verslavingen werkt dit niet (uitzondering)
1.2. De prijsvraagcurve
De afleiding van de individuele vraagcurve
Relatie tussen de prijs van 1 goed en de gevraagde hoeveelheid = de
vraagcurve (ceteris paribus!!!)
als de prijs van een goed ↑, gaat men hier minder van vragen dwz de
gevraagde hoeveelheid ↓
→ negatief verband tussen prijs en de
gevraagde hoeveelheid, de vraagcurve heeft dus een dalend
verloop
Ceteris paribus!! We beschouwen hierbij de andere factoren (preferentie,
inkomen en prijzen van andere goederen) als constant
P=prijs
Q= hoeveelheid
Als de prijs 10% stijgt
-> Qv dalen 10%-> evenredig -> unitair elastisch
Qv dalen 40% -> meer dan evenredig -> elastisch
Qv dalen 5%-> minder dan evenredig -> inelastisch
, Hoe komt de vraagcurve tot stand?
Voorbeeld:
1) B = 150, P liedjes = 1,25 , P pintje = 2 (C1)
2) B = 150, P liedjes = 1 , P pintje = 2 (C2)
De consument wil steeds 25 pintjes kopen (preferentie van de consument voor
pintjes). De totale uitgave voor pintjes bedraagt dus steeds 25 x 2= 50 euro. De
resterende 100 euro wordt besteed aan liedjes. Bij een prijs van een liedje van 1,25
euro, kan men dus 80 liedjes kopen. Bij een prijs van 1 euro, kan men 100 liedjes
kopen/vragen.
DUS:
De vraagcurve (V) geeft het verband weer tussen de prijs van een product (P liedjes)
en de gevraagde hoeveelheid van dat product (Q liedjes), m.a.w. alle mogelijke
combinaties van prijzen en gevraagde hoeveelheden van liedjes = individuele V-curve.
Prijs staat op verticale as
Hoeveelheid Q staat op verticale as
Als de prijs gaat stijgen dan gaat de vraag dalen
Hoofdstuk 1: Consumenten
1. De keuze van de optimale goederencombinatie
Pag 14 -19 zelfstudie in handboek
Je krijgt een bepaald budget vb 20€ en je mag hier goederen mee gaan kopen, dit
budget moet wel opgekocht worden, dus je moet 20 euro opmaken ->
economisch kan je hier uit afleiden als je de prijs stijgt wat er met de vraag
gebeurd
Bandwagon effect : een wagon dat in gang schiet en alle andere wagons volgen
dit -> iemand begint met iets en de rest volgt dit, bv iemand heeft een bepaald
kledingmerk en iedereen gaat dit merk ook kopen
Snobeffect: je wilt exclusief zijn, je wilt anders zijn dan andere, je wilt opvallen,
bv iedereen draagt een bepaald kledingmerk, jij gaat dit absoluut niet doen want
je wilt exclusief zijn
Pag 15 handboek:
Wet van Gossem: definitie in handboek
definitie: een marginaal nut is het nut dat er steeds bijkomt
het benutten van een goed voor de eerste keer zal mij meer nut opleveren dan
een 2de , 3de of 4de keer ( vb winterjas de eerste geeft mij meer nut dan een 2de of
voorbeeld je hebt enorme honger dan geeft de eerste boterham je meer nut dan
de 2de boterham) -> bij verslavingen werkt dit niet (uitzondering)
1.2. De prijsvraagcurve
De afleiding van de individuele vraagcurve
Relatie tussen de prijs van 1 goed en de gevraagde hoeveelheid = de
vraagcurve (ceteris paribus!!!)
als de prijs van een goed ↑, gaat men hier minder van vragen dwz de
gevraagde hoeveelheid ↓
→ negatief verband tussen prijs en de
gevraagde hoeveelheid, de vraagcurve heeft dus een dalend
verloop
Ceteris paribus!! We beschouwen hierbij de andere factoren (preferentie,
inkomen en prijzen van andere goederen) als constant
P=prijs
Q= hoeveelheid
Als de prijs 10% stijgt
-> Qv dalen 10%-> evenredig -> unitair elastisch
Qv dalen 40% -> meer dan evenredig -> elastisch
Qv dalen 5%-> minder dan evenredig -> inelastisch
, Hoe komt de vraagcurve tot stand?
Voorbeeld:
1) B = 150, P liedjes = 1,25 , P pintje = 2 (C1)
2) B = 150, P liedjes = 1 , P pintje = 2 (C2)
De consument wil steeds 25 pintjes kopen (preferentie van de consument voor
pintjes). De totale uitgave voor pintjes bedraagt dus steeds 25 x 2= 50 euro. De
resterende 100 euro wordt besteed aan liedjes. Bij een prijs van een liedje van 1,25
euro, kan men dus 80 liedjes kopen. Bij een prijs van 1 euro, kan men 100 liedjes
kopen/vragen.
DUS:
De vraagcurve (V) geeft het verband weer tussen de prijs van een product (P liedjes)
en de gevraagde hoeveelheid van dat product (Q liedjes), m.a.w. alle mogelijke
combinaties van prijzen en gevraagde hoeveelheden van liedjes = individuele V-curve.
Prijs staat op verticale as
Hoeveelheid Q staat op verticale as
Als de prijs gaat stijgen dan gaat de vraag dalen