Titel I. Cognitieve achtergrond
Inleiding
Functie JAL:
Redeneren: aaneenschakeling van beweringen waarbij één redenering afgeleid wordt uit
één of meerdere andere beweringen
- conclusie afleiden uit premissen
- solo-activiteit (monoloog): binnen één persoon
- geldig: geldig afleiden van conclusie uit premissen
- premissen: niet noodzakelijk waarheid voor geldigheid
- centraal in logica
Argumenteren: overtuigen van minstens één andere persoon
- dialogische activiteit: tussen minstens 2 personen
- centraal in retoriek/ retorica
- deugdelijk: argumenten die voldoen aan bepaalde kwaliteitseisen
- geen vaststaand formeel criterium (≠ geldige redenering)
⇒ geldige redenering = basis voor deugdelijk argument
Juridisch argumenteren: kerntaak van elke jurist
- argumenteren in specifieke context: eigen regels + gebruiken + vakterminologie
I. Cognitieve achtergrond
Hoofdstuk 1
Waarom denken mensen zoals ze denken?
menselijke brein: verschillende lagen → theorie van drievuldig brein/ triune brain
- kern: reptielenbrein/ basaal brein/ R-complex
- gevormd in vroege evolutionaire tijden + meest basale structuren in brein
- controleert spieren + evenwicht + autonome functies + continu actief
= instincten
- gedrag: rigide + obsessief + compulsief + paranoïde
- steeds herhalen van gedrag (niet leren uit fouten)
, - nog steeds gebruikt vandaag: stuurt de slechte delen van mens aan
- denken dat ze ontgroeid zijn maar dat is niet waar
- oude zoogdierenbrein/ limbische brein: meer geavanceerde
- aansturing van emoties + drijfveren + motivatie + kennisverwerving + …
= emoties + gevoel
- elementaire vorm: alles aangenaam of onaangenaam
- neopallium/ neocortex/ recente zoogdierenbrein
- bijzondere cognitieve functies (enkel mogelijk bij mens)
- inventiviteit + abstract redeneervermogen
- bij andere minder ontwikkelt
- linkerhersenhelft: controle rechterkant
- lineair + rationeel + verbaal
- rechterhersenhelft: controle linkerkant
- ruimtelijk + abstract + muzikaal + artistiek
⇒ geen wetenschappelijk nauwkeurige weergave van samenstelling + evolutie brein
Voordelen
- deel van ons gedrag: gestuurd door ons brein/ lagen
- mens niet enkel rationeel wezen: illusie van rat. econ. actor doorprikken
- vatbaar voor fouten
- verschillende lagen spelen mee
- gestuurd door meest basale delen van brein
- voorgeschiedenis: belangrijk voor onze keuzes + gedrag
Verschil tussen werkelijke gedrag - zuiver rationeel gedrag
- mensen + geavanceerden dieren: weinig verschillen
- op sommige vlakken zijn dieren beter dan mensen
- weinig verschil in cognitieve capaciteiten
- Bv. chimpansee: strategisch samenwerken + kortetermijngeheugen
- superieure rationele mensen: niet altijd waar → human vs. econs
- humans: echte mens (invloed van verschillende lagen)
- econs: hetgeen dat wij denken dat we zijn (zuiver rationeel)
- nauwkeurig oordeel + logische keuzes
- wij denken dat we econs zijn maar we zijn ook humans
- concrete situatie + evolutionaire voorgeschiedenis
- zelden vrije + onbeïnvloedbare keuze
- wij denken dat we rationeel zijn maar we zijn niet altijd econ
⇒ theorie van homo economicus: makkelijk gedrag te voorspellen
Gevolgen:
- mensen = manipuleerbaar = positief en negatief
- niet in ijle beslissingen nemen: inspelen op emoties + basale behoeften
- Bv. reclame, verleiden voor apps
- positief: impulsen van mensen aansturen om de juiste keuzes te maken
= nudging
,Hoofdstuk 2
Denken: 2 manieren
- snel denken: automatische piloot (systeem 1)
- traag denken: grotere cognitieve inspanning (systeem 2)
Systeem 1
- automatische piloot: hierdoor kunnen wij meteen handelen
- bepaalt actie + moeiteloze indrukken/ gevoelens
- makkelijk functioneren in dagelijkse situaties
- weinig controle + geen inspanning
- snel + intuïtief + automatische reactie
- diverse indrukken van verschillende ideeën
- niet hetzelfde als emoties
- bepaalt deel van gedrag eigen gemaakt waardoor je het automatisch gaat
stellen (steeds hetzelfde gedrag/ patronen)
- door training: belangrijk worden
Systeem 2
- bewuste denken: niet op impulsen maar nood aan activatie
- bewust + redenerende personen (opvattingen + overtuigingen)
- niet altijd rationeel: enkel als we systeem 2 activeren
- actief ingrijpen + orde in chaos brengen (systeem 1 kalmeren)
- cognitief belastende denken: stilstaan bij situatie (actieve denk inspanning)
- nood aan aandacht (onderbreken bij verslapping aandacht
Overgang
- begin: veel cognitieve inspanning
- na tijd: veel ervaring/ studie/ herhaling
- automatisch bepaalde zaken doen (inslijting)
- abstracte denkprocessen door veel te doen = automatisch
- nadeel:
- automatisme: niet beseffen dat anderen wel tijd/ moeite hebben
- moeilijk om dingen makkelijk uit te leggen
- moeilijk om abstracte processen makkelijk uit te leggen
- niet meer bij stilstaan = curse of knowledge
- zo hard in vingers hebben = moeilijk uit te leggen
Cognitieve vaardigheden: ongewijzigd
- maatschappij steeds complexer: meer en meer informatie
- niet meer de moeite nemen om systeem 2 te activeren
- systeem 1 laten overnemen: input van verschillende hoeken samenbrengen
tot één groot geheel (vaak niet de werkelijkheid)
- verhaal van gemaakt zonder dat systeem 2 erover nadenkt
- systeem 2 activeren + bepalen of info betrouwbaar is
= sturing van complotdenken (onbewust eigen verhaal maken)
- niet meer kritisch kritisch nadenken
Probleem: denkproces waarbij systeem 1 dirigeert/ beïnvloedt
, Hoofdstuk 3
Meteen van observatie → conclusie
- brein: intuïtief informatie verwerken
- onbewust verbanden leggen (geen vastomlijnde structuur)
- positieve + stereotypische verbanden (direct samenhangend verhaal rond)
- niet passen = onbewust verdrongen
- Bv. vuur = gevaarlijk ⇒ rood = gevaar ⇒ verbodsborden = rood
- systeem 1 automatisch info in verband brengen
- samenhang (logica/ toeval negeren)
- nadeel: geen zekerheid dat het altijd klopt
- neiging om bepaalde samenhang te zien
- onbewuste verbanden vaak niet correct (complottheorieën)
- voordeel: coherent kader
- betekenis geven aan oneindige feiten
Conceptverruiming door verminderde blootstelling
- wetenschappelijk onderzoek: verschillende stippen voorgelegd
- vraag: is deze stip blauw?
- observatie: antwoord hing samen met de vorige stippen dat getoond werden
- 1e groep: wel blauwe stippen hiervoor gezien
- ander kijkpunt: andere antwoorden
- 2e groep: bijna geen blauw gezien
- begrip veel rekbaarder gaan zien → begrip verschuift
- resultaat: hoe minder blauwe stippen, hoe ruimer het concept ‘blauw’
- begrip ‘gevaarlijk’: objectieve meting van criminaliteit verschilt van perceptie
- het gevoel dat we in gevaar leven maar de grafieken dalen wel
- verschil tussen systeem 1 en 2
- reden: verminderde blootstelling
- steeds minder contact met echt gevaar = conceptverruiming
- ander gevoel omdat we er niet meer mee in contact komen
- bepaald gevoel op basis van eigen ervaringen
- kritische burger/ systeem 2: discrepantie
Brein
- verbandenleggende/ narratieve machine
- systeem 2-denken activeren
- niet laten meevoeren door gemakkelijke verbanden (systeem 1-denken)
- intensievere manier van denken (is onze 1e indruk waar?)
- niet laten leiden door lekenkennis (alledaagse + niet-gespecialiseerde kennis)
- info beland bij eerde info + ervaringen
- web van nieuwe + oude verbanden
- info contextualiseren + inpassen in gekende samenhangende narratieven
- confirmation bias
- aandacht voor info die standpunt bevestigt + strookt met eerdere kennis/
ervaring
- hindsight bias
Inleiding
Functie JAL:
Redeneren: aaneenschakeling van beweringen waarbij één redenering afgeleid wordt uit
één of meerdere andere beweringen
- conclusie afleiden uit premissen
- solo-activiteit (monoloog): binnen één persoon
- geldig: geldig afleiden van conclusie uit premissen
- premissen: niet noodzakelijk waarheid voor geldigheid
- centraal in logica
Argumenteren: overtuigen van minstens één andere persoon
- dialogische activiteit: tussen minstens 2 personen
- centraal in retoriek/ retorica
- deugdelijk: argumenten die voldoen aan bepaalde kwaliteitseisen
- geen vaststaand formeel criterium (≠ geldige redenering)
⇒ geldige redenering = basis voor deugdelijk argument
Juridisch argumenteren: kerntaak van elke jurist
- argumenteren in specifieke context: eigen regels + gebruiken + vakterminologie
I. Cognitieve achtergrond
Hoofdstuk 1
Waarom denken mensen zoals ze denken?
menselijke brein: verschillende lagen → theorie van drievuldig brein/ triune brain
- kern: reptielenbrein/ basaal brein/ R-complex
- gevormd in vroege evolutionaire tijden + meest basale structuren in brein
- controleert spieren + evenwicht + autonome functies + continu actief
= instincten
- gedrag: rigide + obsessief + compulsief + paranoïde
- steeds herhalen van gedrag (niet leren uit fouten)
, - nog steeds gebruikt vandaag: stuurt de slechte delen van mens aan
- denken dat ze ontgroeid zijn maar dat is niet waar
- oude zoogdierenbrein/ limbische brein: meer geavanceerde
- aansturing van emoties + drijfveren + motivatie + kennisverwerving + …
= emoties + gevoel
- elementaire vorm: alles aangenaam of onaangenaam
- neopallium/ neocortex/ recente zoogdierenbrein
- bijzondere cognitieve functies (enkel mogelijk bij mens)
- inventiviteit + abstract redeneervermogen
- bij andere minder ontwikkelt
- linkerhersenhelft: controle rechterkant
- lineair + rationeel + verbaal
- rechterhersenhelft: controle linkerkant
- ruimtelijk + abstract + muzikaal + artistiek
⇒ geen wetenschappelijk nauwkeurige weergave van samenstelling + evolutie brein
Voordelen
- deel van ons gedrag: gestuurd door ons brein/ lagen
- mens niet enkel rationeel wezen: illusie van rat. econ. actor doorprikken
- vatbaar voor fouten
- verschillende lagen spelen mee
- gestuurd door meest basale delen van brein
- voorgeschiedenis: belangrijk voor onze keuzes + gedrag
Verschil tussen werkelijke gedrag - zuiver rationeel gedrag
- mensen + geavanceerden dieren: weinig verschillen
- op sommige vlakken zijn dieren beter dan mensen
- weinig verschil in cognitieve capaciteiten
- Bv. chimpansee: strategisch samenwerken + kortetermijngeheugen
- superieure rationele mensen: niet altijd waar → human vs. econs
- humans: echte mens (invloed van verschillende lagen)
- econs: hetgeen dat wij denken dat we zijn (zuiver rationeel)
- nauwkeurig oordeel + logische keuzes
- wij denken dat we econs zijn maar we zijn ook humans
- concrete situatie + evolutionaire voorgeschiedenis
- zelden vrije + onbeïnvloedbare keuze
- wij denken dat we rationeel zijn maar we zijn niet altijd econ
⇒ theorie van homo economicus: makkelijk gedrag te voorspellen
Gevolgen:
- mensen = manipuleerbaar = positief en negatief
- niet in ijle beslissingen nemen: inspelen op emoties + basale behoeften
- Bv. reclame, verleiden voor apps
- positief: impulsen van mensen aansturen om de juiste keuzes te maken
= nudging
,Hoofdstuk 2
Denken: 2 manieren
- snel denken: automatische piloot (systeem 1)
- traag denken: grotere cognitieve inspanning (systeem 2)
Systeem 1
- automatische piloot: hierdoor kunnen wij meteen handelen
- bepaalt actie + moeiteloze indrukken/ gevoelens
- makkelijk functioneren in dagelijkse situaties
- weinig controle + geen inspanning
- snel + intuïtief + automatische reactie
- diverse indrukken van verschillende ideeën
- niet hetzelfde als emoties
- bepaalt deel van gedrag eigen gemaakt waardoor je het automatisch gaat
stellen (steeds hetzelfde gedrag/ patronen)
- door training: belangrijk worden
Systeem 2
- bewuste denken: niet op impulsen maar nood aan activatie
- bewust + redenerende personen (opvattingen + overtuigingen)
- niet altijd rationeel: enkel als we systeem 2 activeren
- actief ingrijpen + orde in chaos brengen (systeem 1 kalmeren)
- cognitief belastende denken: stilstaan bij situatie (actieve denk inspanning)
- nood aan aandacht (onderbreken bij verslapping aandacht
Overgang
- begin: veel cognitieve inspanning
- na tijd: veel ervaring/ studie/ herhaling
- automatisch bepaalde zaken doen (inslijting)
- abstracte denkprocessen door veel te doen = automatisch
- nadeel:
- automatisme: niet beseffen dat anderen wel tijd/ moeite hebben
- moeilijk om dingen makkelijk uit te leggen
- moeilijk om abstracte processen makkelijk uit te leggen
- niet meer bij stilstaan = curse of knowledge
- zo hard in vingers hebben = moeilijk uit te leggen
Cognitieve vaardigheden: ongewijzigd
- maatschappij steeds complexer: meer en meer informatie
- niet meer de moeite nemen om systeem 2 te activeren
- systeem 1 laten overnemen: input van verschillende hoeken samenbrengen
tot één groot geheel (vaak niet de werkelijkheid)
- verhaal van gemaakt zonder dat systeem 2 erover nadenkt
- systeem 2 activeren + bepalen of info betrouwbaar is
= sturing van complotdenken (onbewust eigen verhaal maken)
- niet meer kritisch kritisch nadenken
Probleem: denkproces waarbij systeem 1 dirigeert/ beïnvloedt
, Hoofdstuk 3
Meteen van observatie → conclusie
- brein: intuïtief informatie verwerken
- onbewust verbanden leggen (geen vastomlijnde structuur)
- positieve + stereotypische verbanden (direct samenhangend verhaal rond)
- niet passen = onbewust verdrongen
- Bv. vuur = gevaarlijk ⇒ rood = gevaar ⇒ verbodsborden = rood
- systeem 1 automatisch info in verband brengen
- samenhang (logica/ toeval negeren)
- nadeel: geen zekerheid dat het altijd klopt
- neiging om bepaalde samenhang te zien
- onbewuste verbanden vaak niet correct (complottheorieën)
- voordeel: coherent kader
- betekenis geven aan oneindige feiten
Conceptverruiming door verminderde blootstelling
- wetenschappelijk onderzoek: verschillende stippen voorgelegd
- vraag: is deze stip blauw?
- observatie: antwoord hing samen met de vorige stippen dat getoond werden
- 1e groep: wel blauwe stippen hiervoor gezien
- ander kijkpunt: andere antwoorden
- 2e groep: bijna geen blauw gezien
- begrip veel rekbaarder gaan zien → begrip verschuift
- resultaat: hoe minder blauwe stippen, hoe ruimer het concept ‘blauw’
- begrip ‘gevaarlijk’: objectieve meting van criminaliteit verschilt van perceptie
- het gevoel dat we in gevaar leven maar de grafieken dalen wel
- verschil tussen systeem 1 en 2
- reden: verminderde blootstelling
- steeds minder contact met echt gevaar = conceptverruiming
- ander gevoel omdat we er niet meer mee in contact komen
- bepaald gevoel op basis van eigen ervaringen
- kritische burger/ systeem 2: discrepantie
Brein
- verbandenleggende/ narratieve machine
- systeem 2-denken activeren
- niet laten meevoeren door gemakkelijke verbanden (systeem 1-denken)
- intensievere manier van denken (is onze 1e indruk waar?)
- niet laten leiden door lekenkennis (alledaagse + niet-gespecialiseerde kennis)
- info beland bij eerde info + ervaringen
- web van nieuwe + oude verbanden
- info contextualiseren + inpassen in gekende samenhangende narratieven
- confirmation bias
- aandacht voor info die standpunt bevestigt + strookt met eerdere kennis/
ervaring
- hindsight bias