Onderzoeksvaardigheden 2
Hoofdstuk 1: De onderzoeksui
Filosofi
e
Een onderzoeksui wordt vooral in kwantitatief onderzoek gebruikt, maar
kan ook in kwalitatief onderzoek gebruikt worden.
Gele schil: je kijkt hoe je kennis kunt verwerven, iets waarnemen door je
zintuigen te gebruik.
Interpretivisme/Constructivisme= Zien de realiteit door een bril
waarmee ze kijken naar de werkelijkheid, alles wordt gefilterd door de
zintuigen en daar maak je een interpretatie van, waardoor je sommige
dingen anders kunt ziet dan anderen. Context neem je mee om iets te
interpreteren. Subjectieve betekenissen onderzoeken die achter acties van
mensen liggen
Naturalisme/Positivisme= Natuurwetenschappen observeert en voert
experimenten uit. Naturalisme focust zich op 1 specifiek ding. Ze
formuleren hypothesen op basis van bestaande theorieën en toetsen
hypothesen op basis van objectief waarneembare/meetbare data. Meten is
weten.
Oranje schil: Deductie of inductie
Kwantitatief= deductie -> je leidt een hypothese af uit een bestaande
theorie
Kwalitatief= inductie -> vaststelling maken door te observeren
Donkerblauwe schillen: Meerdere methodes of 1 methode gebruiken.
Mixed methodes= als je zowel een kwantitatieve als een kwalitatieve
methode door elkaar gaat gebruiken.
Vb. Zowel kwantitatieve als kwalitatieve methodes gebruiken voor een
onderzoek.
Multimethodes= je gebruikt verschillende methodes in dezelfde
benadering
Vb. Verschillende kwantitatieve methodes gebruiken voor een kwantitatief
onderzoek.
Lichtblauwe schil: cross-selectioneel en longitudinaal onderzoek
Cross-selectioneel onderzoek= onderzoek doen op een bepaald
moment.
Longitudinaal onderzoek= onderzoek doen op lange termijn.
Donkerrode schil= Data verzamelen en data analyseren
, Kijk van Naturalisme/positivisme op de wetenschap
Wetenschap bestudeert de materiële wereld op een objectieve manier. Alles
wat meetbaar en toetsbaar is, valt binnen haar domein. Niet-materiële zaken,
zoals emoties of bewustzijn, kunnen indirect onderzocht worden via
waarneembare effecten. Maar of wetenschap de enige weg naar waarheid is,
blijft een filosofische vraag.
Realisme
Hoort ook in de gele schil, zo kan je ook naar de werkelijkheid kijken.
De wereld bestaat echt, los van wat wij denken of geloven.
Wat we met onze zintuigen waarnemen, is de realiteit – dingen bestaan ook
als niemand ze ziet.
Sociale krachten beïnvloeden ons gedrag, ook als we ons daar niet bewust
van zijn.
Kort gezegd: de werkelijkheid is objectief en onafhankelijk van onze
gedachten, maar sociale structuren kunnen onze perceptie en gedrag
sturen zonder dat we het altijd doorhebben.
Realisme stelt dat er een objectieve realiteit bestaat, los van menselijke
gedachten en overtuigingen. De wereld is er, of we er nu naar kijken of niet.
Wat we met onze zintuigen waarnemen, is een directe reflectie van die
realiteit.
Tegelijkertijd ervaren mensen de wereld door hun eigen perspectief, wat
leidt tot een subjectieve realiteit. Onze overtuigingen, emoties en sociale
invloeden kleuren hoe we de objectieve wereld interpreteren. Grote sociale
krachten en processen beïnvloeden ons zonder dat we het altijd
doorhebben, en sturen zo ons gedrag en onze opvattingen.
Directe realiteit: ‘what you see is what you get’
kritisch realisme: onze zintuigen kunnen ons bedriegen, sociale
wetenschap gaat vaak uit van dit laatste.
Conclusie
Ene niet beter dan andere
, Beter voor verschillende toepassingen
Vaak mengeling
Autisme is geen ziekte, maar zorgt er enkel voor dat je de realiteit wat
anders beschouwt.
Pragmatisme vermijdt de discussie tussen positivisme (objectieve
werkelijkheid) en constructivisme (subjectieve werkelijkheid). In plaats
daarvan richt het zich op de onderzoeksvraag. Afhankelijk van wat er
onderzocht wordt, gebruikt pragmatisme methodes uit beide stromingen.
Dit betekent dat onderzoekers kiezen welke aanpak het beste past bij de
deelvragen of onderdelen van hun onderzoek.
Nut?
Net zo weinig nut als de buitenste schil van een echte ui, die wordt
weggegooid om alleen de binnenste rokken van de ui te bewaren?
Praktisch nut om te weten welke aannames we allemaal maken die we als
vanzelfsprekend zien, over de manier waarop de wereld in elkaar zit.
Alleen als we dat weten, kunnen we deze aannames onderzoeken , in
twijfel trekken als we denken dat dit nodig is, en op een andere manier te
werk gaan.
Benaderin
gen
Verkennend onderzoek (exploratory research)
Wat gebeurt er?
Nieuw inzichten krijgen.
Probleem beter leren begrijpen
Flexibel
, Aandacht vernauwen -> In het begin is het onderzoek breed, maar
naarmate er meer informatie beschikbaar komt, wordt het specifieker.
Beschrijvend onderzoek (descriptive research)
Een gedetailleerd en precies beeld van een situatie, fenomeen of groep
geven.
Het bouwt verder op verkennend onderzoek of dient als basis voor verder
onderzoek.
tot doel, niet doel op zich -> Het doel is informatie verzamelen
Verklarend onderzoek (explanatory or casual research)
Stelt verbanden tussen variabelen vast
Deductie: Dit betekent dat je een bestaande theorie test. Dit past binnen het
positivisme, een filosofie die ervan uitgaat dat kennis gebaseerd moet zijn op
feiten en metingen. Eerst bedenk je vanuit een theorie een hypothese (een
verwachting of voorspelling). Daarna bepaal je hoe je de concepten of
variabelen precies gaat meten (operationalisatie). Vervolgens test je de
hypothese met waarnemingen of metingen. Het resultaat bepaalt of je de
hypothese accepteert of verwerpt. Soms pas je de hypothese aan op basis van
nieuwe bevindingen.
Inductie: Dit betekent dat je een nieuwe theorie ontwikkelt, bijvoorbeeld door
mensen te interviewen of te observeren binnen een organisatie. Deze aanpak
houdt rekening met de context van het onderzoek en past binnen het
constructivisme, een filosofie die veel wordt gebruikt in de sociale
wetenschappen.
Combinatie: Je kunt deductie en inductie ook samen gebruiken in één
onderzoek. Bijvoorbeeld: eerst doe je inductief onderzoek om iets nieuws te
ontdekken en daarna
je die bevindingen test
met een deductieve aanpak. Andersom kun je na een deductief
Onderzoekstrateg
onderzoek op zoek gaan naar diepere verklaringen met een inductieve methode.
ieën
Onderzoekstrategie 1: Het opstellen van een survey of
vragenlijst
Geschikt voor verkennend onderzoek (beantwoordt vragen zoals: Wat?
Waar? Hoeveel?).
Werkt goed als je een theorie in de praktijk wilt testen.
Hoofdstuk 1: De onderzoeksui
Filosofi
e
Een onderzoeksui wordt vooral in kwantitatief onderzoek gebruikt, maar
kan ook in kwalitatief onderzoek gebruikt worden.
Gele schil: je kijkt hoe je kennis kunt verwerven, iets waarnemen door je
zintuigen te gebruik.
Interpretivisme/Constructivisme= Zien de realiteit door een bril
waarmee ze kijken naar de werkelijkheid, alles wordt gefilterd door de
zintuigen en daar maak je een interpretatie van, waardoor je sommige
dingen anders kunt ziet dan anderen. Context neem je mee om iets te
interpreteren. Subjectieve betekenissen onderzoeken die achter acties van
mensen liggen
Naturalisme/Positivisme= Natuurwetenschappen observeert en voert
experimenten uit. Naturalisme focust zich op 1 specifiek ding. Ze
formuleren hypothesen op basis van bestaande theorieën en toetsen
hypothesen op basis van objectief waarneembare/meetbare data. Meten is
weten.
Oranje schil: Deductie of inductie
Kwantitatief= deductie -> je leidt een hypothese af uit een bestaande
theorie
Kwalitatief= inductie -> vaststelling maken door te observeren
Donkerblauwe schillen: Meerdere methodes of 1 methode gebruiken.
Mixed methodes= als je zowel een kwantitatieve als een kwalitatieve
methode door elkaar gaat gebruiken.
Vb. Zowel kwantitatieve als kwalitatieve methodes gebruiken voor een
onderzoek.
Multimethodes= je gebruikt verschillende methodes in dezelfde
benadering
Vb. Verschillende kwantitatieve methodes gebruiken voor een kwantitatief
onderzoek.
Lichtblauwe schil: cross-selectioneel en longitudinaal onderzoek
Cross-selectioneel onderzoek= onderzoek doen op een bepaald
moment.
Longitudinaal onderzoek= onderzoek doen op lange termijn.
Donkerrode schil= Data verzamelen en data analyseren
, Kijk van Naturalisme/positivisme op de wetenschap
Wetenschap bestudeert de materiële wereld op een objectieve manier. Alles
wat meetbaar en toetsbaar is, valt binnen haar domein. Niet-materiële zaken,
zoals emoties of bewustzijn, kunnen indirect onderzocht worden via
waarneembare effecten. Maar of wetenschap de enige weg naar waarheid is,
blijft een filosofische vraag.
Realisme
Hoort ook in de gele schil, zo kan je ook naar de werkelijkheid kijken.
De wereld bestaat echt, los van wat wij denken of geloven.
Wat we met onze zintuigen waarnemen, is de realiteit – dingen bestaan ook
als niemand ze ziet.
Sociale krachten beïnvloeden ons gedrag, ook als we ons daar niet bewust
van zijn.
Kort gezegd: de werkelijkheid is objectief en onafhankelijk van onze
gedachten, maar sociale structuren kunnen onze perceptie en gedrag
sturen zonder dat we het altijd doorhebben.
Realisme stelt dat er een objectieve realiteit bestaat, los van menselijke
gedachten en overtuigingen. De wereld is er, of we er nu naar kijken of niet.
Wat we met onze zintuigen waarnemen, is een directe reflectie van die
realiteit.
Tegelijkertijd ervaren mensen de wereld door hun eigen perspectief, wat
leidt tot een subjectieve realiteit. Onze overtuigingen, emoties en sociale
invloeden kleuren hoe we de objectieve wereld interpreteren. Grote sociale
krachten en processen beïnvloeden ons zonder dat we het altijd
doorhebben, en sturen zo ons gedrag en onze opvattingen.
Directe realiteit: ‘what you see is what you get’
kritisch realisme: onze zintuigen kunnen ons bedriegen, sociale
wetenschap gaat vaak uit van dit laatste.
Conclusie
Ene niet beter dan andere
, Beter voor verschillende toepassingen
Vaak mengeling
Autisme is geen ziekte, maar zorgt er enkel voor dat je de realiteit wat
anders beschouwt.
Pragmatisme vermijdt de discussie tussen positivisme (objectieve
werkelijkheid) en constructivisme (subjectieve werkelijkheid). In plaats
daarvan richt het zich op de onderzoeksvraag. Afhankelijk van wat er
onderzocht wordt, gebruikt pragmatisme methodes uit beide stromingen.
Dit betekent dat onderzoekers kiezen welke aanpak het beste past bij de
deelvragen of onderdelen van hun onderzoek.
Nut?
Net zo weinig nut als de buitenste schil van een echte ui, die wordt
weggegooid om alleen de binnenste rokken van de ui te bewaren?
Praktisch nut om te weten welke aannames we allemaal maken die we als
vanzelfsprekend zien, over de manier waarop de wereld in elkaar zit.
Alleen als we dat weten, kunnen we deze aannames onderzoeken , in
twijfel trekken als we denken dat dit nodig is, en op een andere manier te
werk gaan.
Benaderin
gen
Verkennend onderzoek (exploratory research)
Wat gebeurt er?
Nieuw inzichten krijgen.
Probleem beter leren begrijpen
Flexibel
, Aandacht vernauwen -> In het begin is het onderzoek breed, maar
naarmate er meer informatie beschikbaar komt, wordt het specifieker.
Beschrijvend onderzoek (descriptive research)
Een gedetailleerd en precies beeld van een situatie, fenomeen of groep
geven.
Het bouwt verder op verkennend onderzoek of dient als basis voor verder
onderzoek.
tot doel, niet doel op zich -> Het doel is informatie verzamelen
Verklarend onderzoek (explanatory or casual research)
Stelt verbanden tussen variabelen vast
Deductie: Dit betekent dat je een bestaande theorie test. Dit past binnen het
positivisme, een filosofie die ervan uitgaat dat kennis gebaseerd moet zijn op
feiten en metingen. Eerst bedenk je vanuit een theorie een hypothese (een
verwachting of voorspelling). Daarna bepaal je hoe je de concepten of
variabelen precies gaat meten (operationalisatie). Vervolgens test je de
hypothese met waarnemingen of metingen. Het resultaat bepaalt of je de
hypothese accepteert of verwerpt. Soms pas je de hypothese aan op basis van
nieuwe bevindingen.
Inductie: Dit betekent dat je een nieuwe theorie ontwikkelt, bijvoorbeeld door
mensen te interviewen of te observeren binnen een organisatie. Deze aanpak
houdt rekening met de context van het onderzoek en past binnen het
constructivisme, een filosofie die veel wordt gebruikt in de sociale
wetenschappen.
Combinatie: Je kunt deductie en inductie ook samen gebruiken in één
onderzoek. Bijvoorbeeld: eerst doe je inductief onderzoek om iets nieuws te
ontdekken en daarna
je die bevindingen test
met een deductieve aanpak. Andersom kun je na een deductief
Onderzoekstrateg
onderzoek op zoek gaan naar diepere verklaringen met een inductieve methode.
ieën
Onderzoekstrategie 1: Het opstellen van een survey of
vragenlijst
Geschikt voor verkennend onderzoek (beantwoordt vragen zoals: Wat?
Waar? Hoeveel?).
Werkt goed als je een theorie in de praktijk wilt testen.