HC Virussen en bacteriën
14/01/2025
Micro-organismen
= organismen die potentieel een infectie kunnen veroorzaken
Eukaryoten (kern omgeven door membraan)
o Algen
o Protozoa (bv. malaria)
o Fungi (schimmels en gisten)
Prokaryoten (kern niet omgeven door membraan)
o Bacteriën
Virussen hebben geen celstructuur (geen levende organismen!), maar overleven en
vermenigvuldigen zich in gastheercellen
Bacteriën
Morfologie
Indeling op basis van vorm
Coccen: ronde-ovale vorm
Kolonievorm
- Solitair: monococcen
- Per 2: diplococcen
- Ketenvormige kolonie: streptococcen
- Trosvormige kolonie: staphylococcen
Bacillen: staafvormig
Vibrio’s: kommavormig
Spirillen: spiraalvormig (rigide)
Spirocheten: spiraalvormig (flexibel)
Grootte varieert meestal van 0.5-1 µm. Bacillen zijn 1-2 µm lang (tot max 10 µm)
Celstructuur
Celkern
o Geen kernmembraan
o Circulaire dubbelstreng: DNA-keten in kern en cytoplasma (plasmiden: belangrijk voor
transfer tussen bacteriën & resistentie tegen antibiotica)
Celmembraan
Flagella (voortbeweging) & pilli (hechting & DNA-transfer)
Celwand
o Gram-positief:
Dikke laag peptidoglycaan in celwand
Geen buitenmembraan
o Gram-negatief:
Dunne laag peptidoglycaan in celwand
Wel buitenmembraan (bescherming tegen immuunsysteem, onderdelen zijn
endotoxisch)
Glyxocalix: gesuikerde slijmlaag (dik en goed zichtbaar kapsel) => bescherming en
hechting
Sporen
Sporulatie (uitdroging) = sommige bacteriën kunnen zich in ongunstige omstandigheden tot
sporen omvormen. Een spore is een differentiatievorm van de bacterie, waardoor de
overlevingskansen in een ongunstig milieu vergroten.
Door instulping van celmembraan wordt één chromosoom samen met cytoplasmatisch
materiaal afgescheiden van de rest van de cel, de rest van de bacteriecel sterft af
Cel deelt => vorming voorspore => alles errond droogt uit.
Kern met DNA => sporenwand => cortex met speciaal peptidoglycaan => sporenmantel
bestaande uit keratineachtige eiwit
, HC Virussen en bacteriën
14/01/2025
Grote resistentie tegen hitte, uitdroging, voedseltekort, bestraling, chemische stoffen
Dehydratatie: denaturatie eiwitten bij hogere temperatuur (temperatuurresistentie)
(bacteriën sterven bij 80°C gedurende 30min, sporen sterven bij 121°C gedurende 30min)
De stofwisseling valt stil (anabiose) => antibiotica die inwerking op de stofwisseling zijn
niet effectief (antibioticumresistentie)
Stevige wand van sporen => antibiotica die inwerken op de synthese van de
celmembraan/celwand niet/minder effectief zijn (antibioticumresistentie)
Spore terug in gunstige omgevingsvoorwaarden => ontkieming of germinatie
Opname water
Opstarten metabolisme
Ontwikkeling tot vegetatieve bacterie (groei en vermenigvuldiging)
Sporulatie heeft belangrijke gevolgen voor hygiëne:
Spore is sterk temperatuurbestendig => problemen bij sterilisatieproces van medisch
materiaal
Antibioticumresistentie => moeilijker bacteriën die sporen vormen bestrijden met
antibiotica
Bij gebruik van ontsmettingsmiddelen is de eigenschap dat spore resistent zijn tegen
chemische middelen, een belangrijke factor waar men rekening mee moet houden
Doel sporulatie = verhogen overlevingskans buiten gastheer => vergroting infectiegevaar
Bijzondere bacterievormen = organismen die overgangsvormen zijn tussen bacteriën en
virussen
Protoplasten
Bacteriën zonder celwand, bolvorm door verminderde stevigheid, zwellen op bij
onaangepaste osmotische omgevingsdruk
Grampositieve bacteriën + lyzozyme (= vertering peptidoglycaanlaag) => protoplast
Mycoplasma
Geen celwand => ongevoeligheid voor antibiotica die inwerken op de celwand (bv.
penicilline)
Komt vooral voor op slijmvliezen
Belangrijkste ziekteverwekker bij de mens (longontsteking) = ‘mycoplasma pneumoniae’
Rickettsiae
Bacteriën die bepaalde vitale enzymen niet (meer) maken => kunnen enkel groeien in
milieu met levende cellen die deze enzymen produceren (levens als parasiet in darmen
van luizen, mijten en teken)
Chlamydiae
Heel Kleine gramnegatieve bacteriën die geen energie kunnen maken => leven volledig
intracellulair, zijn volledig afhankelijk van levende cellen (≈ virus)
Meestal pathogeen: oorzaak van pneumonie, bronchitis, urethritis en conjunctivitis
(pasgeborenen)
Fysiologie
Zuurstof
Aëroob: leeft in aanwezigheid van zuurstof
=> strikt aëroob: leeft enkel in aanwezigheid van zuurstof
Anaëroob: leeft in afwezigheid van zuurstof
=> facultatief anaëroob: leeft in aanwezigheid en afwezigheid van zuurstof
=> strikt anaëroob: leeft enkel in afwezigheid van zuurstof
Micro-aëroob: leeft best bij lage zuurstofspanning (bv Campylobacter => maag- en
darmzweren)
Osmotische druk
Bacteriën beschikken over stevig celwand en regelmechanismen om te overleven bij lage
osmotische druk
14/01/2025
Micro-organismen
= organismen die potentieel een infectie kunnen veroorzaken
Eukaryoten (kern omgeven door membraan)
o Algen
o Protozoa (bv. malaria)
o Fungi (schimmels en gisten)
Prokaryoten (kern niet omgeven door membraan)
o Bacteriën
Virussen hebben geen celstructuur (geen levende organismen!), maar overleven en
vermenigvuldigen zich in gastheercellen
Bacteriën
Morfologie
Indeling op basis van vorm
Coccen: ronde-ovale vorm
Kolonievorm
- Solitair: monococcen
- Per 2: diplococcen
- Ketenvormige kolonie: streptococcen
- Trosvormige kolonie: staphylococcen
Bacillen: staafvormig
Vibrio’s: kommavormig
Spirillen: spiraalvormig (rigide)
Spirocheten: spiraalvormig (flexibel)
Grootte varieert meestal van 0.5-1 µm. Bacillen zijn 1-2 µm lang (tot max 10 µm)
Celstructuur
Celkern
o Geen kernmembraan
o Circulaire dubbelstreng: DNA-keten in kern en cytoplasma (plasmiden: belangrijk voor
transfer tussen bacteriën & resistentie tegen antibiotica)
Celmembraan
Flagella (voortbeweging) & pilli (hechting & DNA-transfer)
Celwand
o Gram-positief:
Dikke laag peptidoglycaan in celwand
Geen buitenmembraan
o Gram-negatief:
Dunne laag peptidoglycaan in celwand
Wel buitenmembraan (bescherming tegen immuunsysteem, onderdelen zijn
endotoxisch)
Glyxocalix: gesuikerde slijmlaag (dik en goed zichtbaar kapsel) => bescherming en
hechting
Sporen
Sporulatie (uitdroging) = sommige bacteriën kunnen zich in ongunstige omstandigheden tot
sporen omvormen. Een spore is een differentiatievorm van de bacterie, waardoor de
overlevingskansen in een ongunstig milieu vergroten.
Door instulping van celmembraan wordt één chromosoom samen met cytoplasmatisch
materiaal afgescheiden van de rest van de cel, de rest van de bacteriecel sterft af
Cel deelt => vorming voorspore => alles errond droogt uit.
Kern met DNA => sporenwand => cortex met speciaal peptidoglycaan => sporenmantel
bestaande uit keratineachtige eiwit
, HC Virussen en bacteriën
14/01/2025
Grote resistentie tegen hitte, uitdroging, voedseltekort, bestraling, chemische stoffen
Dehydratatie: denaturatie eiwitten bij hogere temperatuur (temperatuurresistentie)
(bacteriën sterven bij 80°C gedurende 30min, sporen sterven bij 121°C gedurende 30min)
De stofwisseling valt stil (anabiose) => antibiotica die inwerking op de stofwisseling zijn
niet effectief (antibioticumresistentie)
Stevige wand van sporen => antibiotica die inwerken op de synthese van de
celmembraan/celwand niet/minder effectief zijn (antibioticumresistentie)
Spore terug in gunstige omgevingsvoorwaarden => ontkieming of germinatie
Opname water
Opstarten metabolisme
Ontwikkeling tot vegetatieve bacterie (groei en vermenigvuldiging)
Sporulatie heeft belangrijke gevolgen voor hygiëne:
Spore is sterk temperatuurbestendig => problemen bij sterilisatieproces van medisch
materiaal
Antibioticumresistentie => moeilijker bacteriën die sporen vormen bestrijden met
antibiotica
Bij gebruik van ontsmettingsmiddelen is de eigenschap dat spore resistent zijn tegen
chemische middelen, een belangrijke factor waar men rekening mee moet houden
Doel sporulatie = verhogen overlevingskans buiten gastheer => vergroting infectiegevaar
Bijzondere bacterievormen = organismen die overgangsvormen zijn tussen bacteriën en
virussen
Protoplasten
Bacteriën zonder celwand, bolvorm door verminderde stevigheid, zwellen op bij
onaangepaste osmotische omgevingsdruk
Grampositieve bacteriën + lyzozyme (= vertering peptidoglycaanlaag) => protoplast
Mycoplasma
Geen celwand => ongevoeligheid voor antibiotica die inwerken op de celwand (bv.
penicilline)
Komt vooral voor op slijmvliezen
Belangrijkste ziekteverwekker bij de mens (longontsteking) = ‘mycoplasma pneumoniae’
Rickettsiae
Bacteriën die bepaalde vitale enzymen niet (meer) maken => kunnen enkel groeien in
milieu met levende cellen die deze enzymen produceren (levens als parasiet in darmen
van luizen, mijten en teken)
Chlamydiae
Heel Kleine gramnegatieve bacteriën die geen energie kunnen maken => leven volledig
intracellulair, zijn volledig afhankelijk van levende cellen (≈ virus)
Meestal pathogeen: oorzaak van pneumonie, bronchitis, urethritis en conjunctivitis
(pasgeborenen)
Fysiologie
Zuurstof
Aëroob: leeft in aanwezigheid van zuurstof
=> strikt aëroob: leeft enkel in aanwezigheid van zuurstof
Anaëroob: leeft in afwezigheid van zuurstof
=> facultatief anaëroob: leeft in aanwezigheid en afwezigheid van zuurstof
=> strikt anaëroob: leeft enkel in afwezigheid van zuurstof
Micro-aëroob: leeft best bij lage zuurstofspanning (bv Campylobacter => maag- en
darmzweren)
Osmotische druk
Bacteriën beschikken over stevig celwand en regelmechanismen om te overleven bij lage
osmotische druk