• Mauvais document ? Échangez-le gratuitement
  • Rédigé par des étudiants ayant réussi
  • Disponible immédiatement après paiement
  • Lire en ligne ou en PDF
Vendre
Où étudie-tu ?
La langue
Document preview thumbnail
Aperçu 4 sur 115 pages
Resume

Financiën en Fiscaliteiten samenvatting AVV | Alle toetstermen uitgewerkt + voorbeelden en berekeningen

Document preview thumbnail
Aperçu 4 sur 115 pages

Volledige en overzichtelijke samenvatting van het vak Financiën (AVV - Academie voor Vastgoed). Alle toetstermen zijn uitgewerkt zoals in het kwalificatiedossier, inclusief duidelijke uitleg, praktijkvoorbeelden en berekeningen. Perfect als voorbereiding op je examen of toets. Deze samenvatting bevat o.a.: Balans, resultatenrekening & activa/passiva Eigen en vreemd vermogen Reserves en voorzieningen Liquiditeit, solvabiliteit & rentabiliteit Koers-winstverhoudingen & dividend Contante waarde, NCW, IRR, terugverdientijd Lease, factoring & financieringsstructuur En nog veel meer! Geschikt voor studenten Vastgoeddeskundige of KRMT aan de AVV en andere vastgoedopleidingen. Met oefenvragen, tabellen en heldere uitleg. Geen boek meer nodig.

Aperçu du contenu

1. A.1.1.1 – Begrippen balans en resultatenrekening (K)

Uitleg:

De balans geeft een momentopname van de financiële situatie van een onderneming. Links
(debet) staan de bezittingen (activa), rechts (credit) het vermogen waarmee deze
bezittingen zijn gefinancierd (eigen vermogen en schulden = passiva).

De resultatenrekening toont de omzet en kosten over een bepaalde periode, vaak een
jaar. Het verschil tussen deze twee is de nettowinst of -verlies, die uiteindelijk het eigen
vermogen beïnvloedt.

Voorbeeld:

Makelaarskantoor 'Janssen BV' heeft een omzet van € 245.500 en kosten van € 188.750.
De nettowinst is dan € 56.750 en wordt bijgeschreven bij het eigen vermogen op de balans.




2. A.1.1.2 – Indeling van de balans (K)

Uitleg:

Aan de debetzijde van de balans staan:

●​ Vaste activa: bezittingen die langer dan een jaar meegaan (bijv. gebouwen).​

●​ Vlottende activa: bezittingen die binnen een jaar worden omgezet in geld (bijv.
voorraden, debiteuren).​


Aan de creditzijde staan:

●​ Eigen vermogen: geld van de eigenaren.​

●​ Vreemd vermogen: geleend geld (bijv. leningen, crediteuren).​


Voorbeeld:

Een balans toont:

●​ Debet: pand (€ 300.000), inventaris (€ 40.000), kas (€ 20.000)​

●​ Credit: eigen vermogen (€ 150.000), lening (€ 210.000)​

,3. A.1.1.4 – Verschil tussen vaste en vlottende activa (K)

Uitleg:

●​ Vaste activa zijn bedoeld voor langdurig gebruik in het bedrijf.​

●​ Vlottende activa zijn middelen die binnen één productiecyclus of binnen één jaar
liquide worden.​


Voorbeeld:

Een auto voor zakelijk gebruik (levensduur 5 jaar) = vaste activa. Ingekochte
verkoopartikelen (binnen een maand verkocht) = vlottende activa.




4. A.1.1.6 – Verschil materiële, immateriële en financiële vaste activa (K)

Uitleg:

●​ Materiële vaste activa: tastbaar (gebouwen, machines).​

●​ Immateriële vaste activa: niet-tastbaar maar waardevol (goodwill, licenties).​

●​ Financiële vaste activa: investeringen in andere bedrijven (bijv. aandelen in
dochterondernemingen).​


Voorbeeld:

Makelaarskantoor koopt softwarelicentie = immaterieel, koopt bedrijfsauto = materieel,
investeert in vastgoedfonds = financieel.




5. A.1.1.8 – Transitorische posten (K)

Uitleg:

Transitorische posten zijn kosten of opbrengsten die zijn betaald of ontvangen voor of na
de periode waarop ze betrekking hebben. Ze zorgen voor een juiste toerekening van kosten
en opbrengsten aan de juiste periode.

Voorbeelden:

●​ Vooruitbetaalde bedragen (activa): bijv. jaarlijkse verzekering vooruit betaald.​

●​ Te betalen bedragen (passiva): bijv. rente die nog moet worden betaald.​

,Voorbeeld:

Een makelaar betaalt op 1 juni € 1.200 voor een jaarlijkse contributie. In de boekhouding
wordt per maand € 100 geboekt als kosten, de rest als vooruitbetaalde kosten.




Vijf open oefenvragen:

1.​ Wat is het verschil tussen een balans en een resultatenrekening en wat zegt
elke over de financiële gezondheid van een onderneming?​

2.​ Leg uit wat onder vaste en vlottende activa wordt verstaan en geef per soort
een voorbeeld.​

3.​ Een makelaar koopt een pand en betaalt jaarlijks € 1.200 aan contributie
vooruit. Hoe worden deze posten op de balans verwerkt?​

4.​ Noem drie soorten vaste activa en geef aan waarom ze in die categorie vallen.​

5.​ Geef een voorbeeld van een transitorische post aan de passivazijde en licht de
betekenis toe.

6. A.1.1.5 – Vaststellen of een balanspost tot vaste of vlottende activa
behoort (B)

Uitleg:

Het onderscheid tussen vaste en vlottende activa hangt af van de gebruiksduur:

●​ Vaste activa blijven langer dan een jaar in het bedrijf.​

●​ Vlottende activa worden binnen een jaar omgezet in geld of verbruikt.​


Voorbeeld:

●​ Kantoorpand → vaste activa.​

●​ Voorraad drukwerk of debiteuren → vlottende activa.​


Als je bijvoorbeeld een balans opstelt van een makelaarskantoor en je ziet “auto’s” en
“softwarelicenties”, dan zijn dit vaste activa. Zie je “voorraad brochures” of “nog te ontvangen
huur”, dan zijn dit vlottende activa.

, 7. A.1.1.7 – Vaststellen of een post materiële, immateriële of financiële
activa is (B)

Uitleg:

●​ Materieel: tastbare activa (bijv. machines).​

●​ Immaterieel: niet-tastbare activa (bijv. goodwill).​

●​ Financieel: aandelen of leningen in andere bedrijven.​


Voorbeeld:

Een makelaar bezit:

●​ Kantoorinrichting → materieel​

●​ Goodwill na overname → immaterieel​

●​ Deelneming in vastgoedfonds → financieel.​




8. A.1.1.9 – Vaststellen of transitorische post tot activa of passiva
behoort (B)

Uitleg:

●​ Activa (overlopende activa): vooruitbetaalde kosten of nog te ontvangen bedragen.​

●​ Passiva (overlopende passiva): nog te betalen kosten of vooruit ontvangen
bedragen.​


Voorbeeld:

Een bedrijf betaalt in december al de huur voor januari t/m maart. Dit is een overlopende
post aan de activazijde. Een vooruit ontvangen bedrag van een klant dat pas volgend jaar
geleverd wordt, is een passivapost.




9. A.1.1.10 – Beschrijving garantievermogen (K)

Uitleg:

Het garantievermogen bestaat uit:

Table des matières

  1. 01 1. A.1.1.1 – Begrippen balans en resultatenrekening (K) 1
    1. Uitleg: 1
    2. Voorbeeld: 1
  2. 02 2. A.1.1.2 – Indeling van de balans (K) 1
    1. Uitleg: 1
    2. Voorbeeld: 1
  3. 03 3. A.1.1.4 – Verschil tussen vaste en vlottende activa (K) 2
    1. Uitleg: 2
    2. Voorbeeld: 2
  4. 04 4. A.1.1.6 – Verschil materiële, immateriële en financiële vaste activa (K) 2
    1. Uitleg: 2
    2. Voorbeeld: 2
  5. 05 5. A.1.1.8 – Transitorische posten (K) 2
    1. Uitleg: 2
    2. Voorbeeld: 3
  6. 06 Vijf open oefenvragen: 3
  7. 07 6. A.1.1.5 – Vaststellen of een balanspost tot vaste of vlottende activa behoort (B) 3
    1. Uitleg: 3
    2. Voorbeeld: 3
  8. 08 7. A.1.1.7 – Vaststellen of een post materiële, immateriële of financiële activa is (B) 4
    1. Uitleg: 4
    2. Voorbeeld: 4
  9. 09 8. A.1.1.9 – Vaststellen of transitorische post tot activa of passiva behoort (B) 4
    1. Uitleg: 4
    2. Voorbeeld: 4
  10. 10 9. A.1.1.10 – Beschrijving garantievermogen (K) 4
    1. Uitleg: 4
  11. 11 10. A.1.1.14 – Functies van het eigen vermogen (K) 5
    1. Uitleg: 5
  12. 12 1. Wat zijn aandelen? 5
  13. 13 ●​Aandelen vormen het eigen vermogen van een bv of nv.​ 5
  14. 14 ●​Door aandelen uit te geven, kan een onderneming kapitaal aantrekken.​ 5
  15. 15 ●​Aandelen kunnen:​ 5
  16. 16 ○​In portefeuille zijn = nog niet verkocht.​ 5
  17. 17 ○​Geplaatst zijn = verkocht aan aandeelhouders.​ 5
  18. 18 ○​Gestort zijn = ook daadwerkelijk betaald.​ 5
  19. 19 ? 2. Waardes van aandelen 5
  20. 20 Term 6
  21. 21 Betekenis 6
  22. 22 Nominale waarde 6
  23. 23 De waarde per aandeel zoals in de statuten is vastgelegd. 6
  24. 24 Agio 6
  25. 25 Extra bedrag betaald boven de nominale waarde → komt in agioreserve. 6
  26. 26 Intrinsieke waarde 6
  27. 27 Het eigen vermogen per aandeel (aandelen + reserves). 6
  28. 28 Beurswaarde 6
  29. 29 Waarde van het aandeel op de effectenbeurs (vraag en aanbod). 6
  30. 30 ? 3. Vormen van aandelenkapitaal 6
  31. 31 Soort kapitaal 6
  32. 32 Betekenis 6
  33. 33 Maatschappelijk kapitaal 6
  34. 34 Maximaal bedrag dat een nv mag uitgeven aan aandelen (volgens statuten). 6
  35. 35 Geplaatst kapitaal 6
  36. 36 Aandelen die daadwerkelijk aan aandeelhouders zijn uitgegeven. 6
  37. 37 Gestort kapitaal 6
  38. 38 Het deel van het geplaatste kapitaal dat daadwerkelijk is betaald. 6
  39. 39 ? 4. Belangrijke begrippen 6
  40. 40 ●​Permanente vermogen: aandelenkapitaal is blijvend, hoeft niet afgelost te worden.​ 7
  41. 41 ●​Aandelenemissie: uitgifte van nieuwe aandelen.​ 7
  42. 42 ○​A pari = tegen nominale waarde​ 7
  43. 43 ○​Boven pari = met agio → bijv. € 100 nominaal, € 220 betaald → € 120 agio​ 7
  44. 44 ●​Agioreserve: ontstaat bij uitgifte boven pari → onderdeel van eigen vermogen​ 7
  45. 45 ●​Stockdividend: dividend in de vorm van extra aandelen → verhoogt geplaatst kapitaal​ 7
  46. 46 ●​Bonusaandelen: gratis aandelen uit bestaande reserves → ook verhoging geplaatst kapitaal​? Maatschappelijk aandelenkapitaal 7
  47. 47 → Het maximale bedrag waarvoor een nv volgens de statuten aandelen mág uitgeven.​ ? Voorbeeld: In de statuten staat dat er maximaal 1.000.000 aandelen mogen worden uitgegeven van €10 nominaal → maatschappelijk kapitaal = €10.000.000 7
  48. 48 ? Geplaatst aandelenkapitaal 7
  49. 49 → Het deel van het maatschappelijk kapitaal dat daadwerkelijk is uitgegeven aan aandeelhouders.​ ? Als er 500.000 van die 1.000.000 aandelen zijn uitgegeven → geplaatst kapitaal = €5.000.000 7
  50. 50 ? Gestort aandelenkapitaal 7
  51. 51 → Het bedrag dat daadwerkelijk is betaald door aandeelhouders op het geplaatste kapitaal.​ ? Meestal is het geplaatst = gestort. Maar soms is er bijvoorbeeld maar 80% gestort → dan is het gestorte kapitaal = €4.000.000 (op €5.000.000 geplaatst) 7
  52. 52 ? Aandelen in portefeuille 8
  53. 53 → De overgebleven aandelen die nog niet zijn uitgegeven.​ ? In het voorbeeld: 1.000.000 – 500.000 = 500.000 aandelen in portefeuille → die mag de nv later nog uitgeven. 8
  54. 54 ? 2. Verschil tussen nominale waarde, emissiekoers, agio & agioreserve 8
    1. Term 8
    2. Betekenis 8
    3. Nominale waarde 8
    4. De waarde per aandeel die in de statuten staat. (€10 bijv.) 8
    5. Emissiekoers 8
    6. De prijs waarvoor het aandeel daadwerkelijk wordt verkocht. (€27,50 bijv.) 8
    7. Agio 8
    8. Het verschil tussen emissiekoers en nominale waarde. (€17,50) 8
    9. Agioreserve 8
    10. Alle ontvangen agio samen → apart opgenomen in het eigen vermogen 8
    11. ? Dus:​ 500.000 aandelen uitgegeven tegen €27,50 → 8
    12. ●​Nominaal kapitaal = €5.000.000​ 8
    13. ●​Agio = €8.750.000​ 9
    14. ●​Totaal ontvangen = €13.750.000​ → Agio gaat naar de agioreserve op de balans.​ 9
  55. 55 ? 3. Balansen opstellen vóór en na plaatsing van aandelen 9
    1. ? Voor plaatsing: 9
    2. Activa 9
    3. Passiva 9
    4. Maatschappelijk kapitaal (toelichting) 9
    5. €10.000.000 9
    6. Aandelen in portefeuille (toelichting) 9
    7. €10.000.000 9
    8. → Nog geen geld ontvangen, dus geen posten op de balans zelf. Alleen toelichting. 9
    9. ? Na plaatsing van 500.000 aandelen à €27,50: 9
    10. Activa 10
    11. Bedrag 10
    12. Passiva 10
    13. Bedrag 10
    14. Bank 10
    15. €13.750.000 10
    16. Geplaatst aandelenkapitaal 10
    17. €5.000.000 10
    18. Agioreserve 10
    19. €8.750.000 10
    20. → Balans is in evenwicht. 10
  56. 56 ? 4. Intrinsieke waarde per aandeel berekenen 10
    1. Intrinsieke waarde per aandeel=Eigen vermogenAantal geplaatste aandelen\textbf{Intrinsieke waarde per aandeel} = \frac{\text{Eigen vermogen}}{\text{Aantal geplaatste aandelen}}Intrinsieke waarde per aandeel=Aantal geplaatste aandelenEigen vermogen​ 10
    2. ? Voorbeeld: 10
    3. ●​Eigen vermogen = €4.200.000​ 10
    4. ●​Aantal geplaatste aandelen = 100.000​ → Intrinsieke waarde per aandeel = €42​ 10
    5. ? Dit is handig als je wil weten wat een aandeel écht waard is op basis van de boeken (niet de beursprijs!). 10
    6. ●​ 11
    7. ? 5. Intrinsieke waarde berekenen 11
    8. Intrinsieke waarde=Geplaatst aandelenkapitaal+Agioreserve+Winstreserve+Overige reserves\text{Intrinsieke waarde} = \text{Geplaatst aandelenkapitaal} + \text{Agioreserve} + \text{Winstreserve} + \text{Overige reserves}Intrinsieke waarde=Geplaatst aandelenkapitaal+Agioreserve+Winstreserve+Overige reserves 11
    9. ●​Bij verlies: eigen vermogen < gestort kapitaal → verliessaldo​ 11
    10. ●​Bij winst: eigen vermogen > gestort kapitaal → positieve reserve​ 11
    11. ? 6. Voorbeelden & valkuilen uit de toetsvragen 11
    12. ●​Intrinsieke waarde wordt niet berekend op basis van beurswaarde of herwaarderingsreserves alleen.​ 11
    13. ●​Maatschappelijk kapitaal wordt altijd gebaseerd op de nominale waarde.​ 11
    14. ●​Aandelen in portefeuille zijn geen onderdeel van het eigen vermogen.​ 11
    15. ●​Bij een uitgifte van 4% stockdividend stijgt het geplaatste aandelenkapitaal met 4%.​ 11
    16. 6. A.1.1.5 – Vaststellen of een balanspost tot vaste of vlottende activa behoort (B) 11
    17. 7. A.1.1.7 – Vaststellen of een post materiële, immateriële of financiële activa is (B) 12
    18. 8. A.1.1.9 – Vaststellen of transitorische post tot activa of passiva behoort (B) 12
    19. 9. A.1.1.10 – Beschrijving garantievermogen (K) 13
    20. 10. A.1.1.14 – Functies van het eigen vermogen (K) 13
    21. Oefenvragen over deze vijf criteria: 14
    22. 11. A.1.2.1 – Verschil tussen eigen en vreemd vermogen (K) 14
    23. 12. A.1.3.1 – Begrippen brutowinst, bedrijfsresultaat, nettowinst (K) 14
    24. 13. A.1.3.4 – Winstverdeling met dividend, tantièmes, winstreserve (T) 15
    25. 1. Interim-dividend: € 2 miljoen 15
    26. 2. Slotdividend: € 6 miljoen 16
    27. 3. Dividendbelasting op slotdividend: € 1,5 miljoen 16
    28. 4. Netto contant dividend: € 2,5 miljoen 16
    29. 5. Vennootschapsbelasting: € 3 miljoen 16
    30. 6. Algemene reserve: € 4 miljoen 17
  57. 57 ? De vier vormen van dividenduitkering: 17
    1. 1. ? Cashdividend 17
    2. 2. ? Stockdividend 17
    3. 3. ? Keuzedividend (gemengd dividend) 17
    4. 4. ? Tantième (voor bestuur en directie) 18
  58. 58 ✅ Samenvatting: de 4 dividendvormen zijn: 18
    1. 14. A.1.3.5 – Privé-opnamen en stortingen bij eenmanszaak (B) 19
    2. 15. A.1.3.7 – Verdeling dividend en dividendbelasting (A) 19
    3. A.1.4.1 – Beschrijft het begrip reserves (K) 19
    4. A.1.4.2 – Beschrijft het verschil tussen formele en materiële reserve (K) 20
    5. A.1.4.3 – Benoemt de functies van reserves op een balans (K) 20
    6. A.1.4.4 – Beschrijft hoe agioreserves, winstreserves, herwaarderingsreserves en statutaire reserves ontstaan (K) 21
    7. A.1.4.5 – Benoemt welke reserves wettelijk/gebonden of vrij zijn (K) 21
    8. 21. A.1.4.6 – Licht aan de hand van een casus toe hoe reserves op de balans tot stand komen (B) 22
    9. 22. A.1.4.7 – Berekening van reserves op basis van balans (T) 22
    10. 23. A.1.5.1 – Beschrijving van intrinsieke waarde (K) 23
    11. 24. A.1.5.2 – Invloed waardeverandering activa op intrinsieke waarde (B) 23
    12. 25. A.1.5.3 – Ontstaan stille reserve bij waardestijging activa (B) 23
    13. 26. A.1.5.4 – Berekening intrinsieke waarde onderneming (T) 24
    14. 27. A.1.6.1 – Begrip voorzieningen (K) 24
    15. 28. A.1.6.2 – Verschil tussen voorziening en reserve (K) 24
    16. 29. A.1.6.3 – Vaststellen of balanspost een voorziening of reserve is (B) 25
    17. 30. A.1.6.4 – Hoe komt een voorziening tot stand (B) 25
    18. 0. A.1.8.2 – Beschrijft verschil tussen statische en dynamische liquiditeit (K) 26
    19. 41. A.1.8.3 – Berekent werkkapitaal, current ratio, quick ratio, cashflow (T) 26
    20. 42. A.1.8.4 – Geeft een onderbouwde mening over liquiditeit (E) 27
    21. 36. A.1.9.1 – Begrippen ratioanalyse en kengetallen (K) 27
    22. 37. A.1.9.2 – Voor- en nadelen van ratioanalyse (B) 28
    23. 38. A.1.9.3 – Waarom zijn deze kengetallen belangrijk? (B) 28
    24. ? 1. Liquiditeit 29
    25. ? 2. Solvabiliteit 29
    26. ? 3. Rentabiliteit 30
    27. ? 5. Rendement op vastgoed 31
    28. 39. A.1.9.4 – In welke situaties gebruik je welke kengetallen? (B) 32
    29. 40. A.1.10.1 – Begrippen liquiditeit, liquiditeitskengetallen, netto werkkapitaal, current ratio, quick ratio en cashflow (K) 32
    30. 43. A.1.10.2 – Reëel en nominaal rendement (B) 33
    31. 44. A.1.10.3 – Berekening koers/winstverhouding, dividendverhouding, pay-out ratio (T) 33
    32. 45. A.1.11.1 – Solvabiliteit, kredietwaardigheid, weerstandsvermogen, debt ratio, rentedekkingsfactor (K) 33
    33. 46. A.1.11.2 – Berekening debt ratio en rentedekking (T) 34
    34. 47. A.1.13.1 – Invloed liquiditeit, solvabiliteit en rentabiliteit op financiële transacties (B) 34
    35. 48. A.1.13.2 – Intrinsieke en marktwaarde van een onderneming toelichten (B) 35
    36. 49. A.1.13.3 – Beschrijft begrippen zoals aanschafwaarde, afschrijving, boekwaarde enz. (K) 35
    37. 50. A.1.13.4 – Verschil historische kostprijs en actuele waarde (K) 36
    38. 51. A.1.13.5 – Beschrijft verschil historische kostprijs en actuele waarde van een activum (K) 36
    39. 52. A.1.13.6 – Berekening van aanschafwaarde, afschrijving, boekwaarde, vervangingswaarde en restwaarde (T) 36
    40. 53. A.2.1.1 – Eindwaarde berekenen met enkelvoudige of samengestelde interest (T) 37
    41. 54. A.2.1.2 – Beginwaarde berekenen bij enkelvoudige interest (T) 37
    42. 55. A.2.1.3 – Contante waarde van een eindkapitaal of reeks bedragen (T) 38
    43. 56. A.2.1.4 – Jaarlijks bedrag bij samengestelde interest (T) 38
    44. 57. A.2.1.5 – Effect discontovoet op contante waarde (B) 39
    45. 58. A.2.2.1 – Beschrijft de begrippen cashflow en vrije kasstroom (K) 39
    46. 59. A.2.2.2 – Verschil tussen nettowinst en cashflow (B) 40
    47. 60. A.2.2.3 – Jaarlijkse cashflow berekenen (T) 40
    48. 61. A.2.2.4 – Begrip terugverdientijd (K) 40
    49. 62. A.2.2.5 – Terugverdientijd berekenen (T) 41
    50. 63. A.2.2.6 – Onderbouwde mening over terugverdientijd (E) 41
    51. 64. A.2.2.7 – Begrip gemiddelde boekhoudkundige rentabiliteit (K) 41
    52. 65. A.2.2.8 – Berekening gemiddelde boekhoudkundige rentabiliteit (T) 42
    53. 66. A.2.2.9 – Mening over GBR-uitkomst (E) 42
    54. 67. A.2.2.10 – Begrippen NCW en vermogenskostenvoet (K) 42
    55. 68. A.2.2.11 – Berekening bruto en netto contante waarde (T) 43
    56. 69. A.2.2.12 – Mening over uitkomst NCW-berekening (E) 43
    57. 70. A.2.2.13 – Voor- en nadelen van investeringsmethoden (B) 44
    58. 71. A.2.2.14 – Waarom methodes tot andere keuzes kunnen leiden (B) 44
    59. 72. A.2.2.15 – Selecteert project op basis van meerdere methoden (B) 45
    60. 73. A.2.2.16 – Mening over keuze investeringsproject (E) 45
    61. 74. A.2.2.17 – Beschrijft het begrip ‘internal rate of return’ (K) 45
    62. 75. A.2.2.18 – Selecteert project op basis van IRR (B) 46
    63. 76. A.2.2.19 – Verschil tussen nominaal en reëel rendement (K) 46
    64. 77. A.2.2.20 – Berekening nominaal en reëel rendement (T) 46
    65. 83. A.3.1.6 – Casus: totale of partiële financiering vaststellen (B) 47
    66. 84. A.3.1.7 – Beschrijft het begrip vermogensbehoefte (K) 47
    67. 85. A.3.1.8 – Beschrijft de goudenbalansregel (K) 47
    68. 86. A.3.1.9 – Toepassen goudenbalansregel op balans (B) 48
    69. 87. A.3.2.1 – Begrippen: off balance financiering, operational lease, financial lease, sale and lease back, factoring (K) 48
    70. 88. A.3.2.2 – Effect van off balance financiering op vermogensbehoefte (B) 49
    71. 89. A.3.2.3 – Effect van off balance financiering op balans (T) 49
    72. 90. A.3.2.4 – Wat is balansverkorting? (K) 50
    73. 91. A.3.2.5 – Verschillen en overeenkomsten tussen operational lease en financial lease (B) 50
    74. 92. A.3.2.6 – Toelichting balans of resultatenrekening bij leasevormen (B) 51
    75. 93. A.3.3.1 – Wijzen waarop onroerende zaken binnen een onderneming gefinancierd kunnen worden (K) 51
    76. 94. A.3.3.2 – Verschillen tussen koop, huur en lease van onroerende zaken (K) 52
    77. 95. A.3.3.3 – Invloed financieringswijzen op vermogensbehoefte (T) 52
    78. 96. A.3.3.4 – Redenen om onroerende zaken te financieren met vreemd vermogen (K) 53
    79. 97. A.3.4.1 – Beschrijft het begrip achtergestelde lening (K) 53
    80. 98. A.3.4.2 – Beschrijft de verschillende vormen van durfkapitaal (K) 53
    81. 99. A.3.4.3 – Beschrijft het verschil tussen een gewone lening en een achtergestelde lening (K) 54
    82. 100. A.3.5.1 – Verschil tussen kort vreemd vermogen en lang vreemd vermogen (K) 54
    83. 101. A.3.5.2 – Vormen van kort en lang vreemd vermogen (K) 55
    84. 102. A.3.5.3 – Vreemd vermogen indelen in kort of lang (B) 55
    85. 103. A.3.5.4 – Balansposten toewijzen aan VV categorie (B) 56
    86. 104. A.3.5.5 – Grootte berekenen van kort/lang VV uit balans (T) 56
    87. 105. A.3.6.1 – Hypothecaire lening, hypothecaire zekerheid, hypotheeknemer, hypotheekgever (K) 56
    88. 106. A.3.6.2 – Begrippen obligatie, obligatiekoers, obligatielening, couponrente, effectief rendement, onder pari, disagio, obligatiehouder (K) 57
    89. 107. A.3.6.3 – Verschil tussen couponrente en effectief rendement (B) 57
    90. 108. A.3.6.4 – Berekening couponrente, effectief rendement en aflossingen (T) 57
    91. 109. A.3.6.5 – Betalingsverplichtingen aan schuldeisers uit balans berekenen (T) 58
    92. 110. A.3.6.6 – Betalingsverplichtingen: welke behoren tot de bedrijfskosten (T) 58
    93. 111. A.3.6.7 – Exploitatiebegroting vs liquiditeitsbegroting (T) 58
    94. 112. A.3.6.8 – Verschil tussen onderhandse en openbare lening (K) 59
    95. 113. A.3.6.9 – Casus: onderhandse of openbare lening herkennen (B) 59
    96. 114. A.3.7.1 – Begrippen: rekening-courantkrediet, dispositieruimte, leverancierskrediet, afnemerskrediet (K) 60
    97. 115. A.3.7.2 – Casus leveranciers- of afnemerskrediet (B) 60
    98. 116. A.3.7.3 – Effectieve rente leverancierskrediet berekenen (T) 60
    99. 117. A.3.7.4 – Dispositieruimte berekenen (T) 61
    100. 118. A.4.1.1 – Wat is variabele kostencalculatie (direct costing)? (K) 61
    101. 119. A.4.1.2 – Wanneer en waarom variabele kostencalculatie toepassen? (B) 61
    102. 120. A.4.1.3 – Begrippen normale bezetting, normale productie en normale integrale standaardkostprijs (K) 62
    103. 123. A.4.1.6 – Begrippen: proportioneel, progressief, degressief variabele kosten en trapsgewijs toenemende constante kosten (K) 63
    104. 124. A.4.1.7 – Gevolgen voor kostentoerekening aan een product (B) 63
    105. 125. A.4.1.8 – Berekening van kostprijs per stuk (T) 64
    106. 126. A.4.1.9 – Berekening van kosten, resultaat en bezetting (T) 64
    107. 127. A.4.1.10 – Break-evenbegrippen (K) 65
    108. 128. A.4.1.11 – Berekening BEP, omzet, afzet, dekkingsbijdrage en veiligheidsmarge (T) 65
    109. 129. A.4.1.12 – Verkoopprijs berekenen op basis van BEP-gegevens (T) 66
    110. 130. A.4.1.13 – Onderbouwde mening over uitkomsten break-evenanalyse (E) 67
    111. 131. A.4.1.14 – Gevolgen verhoging of verlaging kosten voor break-even (T) 67
    112. 132. A.4.1.15 – Verklaring gevolgen verandering kosten voor break-even (A) 67
    113. 133. A.4.1.16 – Berekening verschil tussen integrale en differentiële kosten (T) 68
    114. 134. A.4.1.17 – Wanneer en waarom differentiële kostprijs toepassen? (A) 68
    115. 135. A.4.1.18 – Verschil integrale en variabele kostencalculatie (B) 68
    116. 136. A.4.1.19 – Directe vs indirecte kosten en direct costing (K) 69
    117. 137. A.4.1.20 – Verschil directe/indirecte kosten en constante/variabele kosten (B) 69
    118. 138. A.4.1.21 – Verkoopprijs berekenen via variabele, integrale en direct costing (T) 70
    119. 139. A.4.2.1 – Begrip categorische kostenindeling (K) 70
    120. 140. A.4.2.2 – Welke kostensoorten worden onderscheiden? (K) 71
    121. 141. A.4.2.3 – Belangrijkste kostenposten per kostensoort (K) 71
    122. 142. A.4.2.4 – Zijn dit ook uitgaven? (K) 71
    123. 143. A.4.2.5 – Wat zijn overheadkosten? (K) 72
    124. 138. A.4.1.21 – Verkoopprijs berekenen via variabele, integrale en direct costing (T) 72
    125. 139. A.4.2.1 – Begrip categorische kostenindeling (K) 73
    126. 140. A.4.2.2 – Welke kostensoorten worden onderscheiden? (K) 73
    127. 141. A.4.2.3 – Belangrijkste kostenposten per kostensoort (K) 73
    128. 142. A.4.2.4 – Zijn dit ook uitgaven? (K) 74
    129. 143. A.4.2.5 – Wat zijn overheadkosten? (K) 74
    130. 144. A.4.2.6 – Afschrijvingsmethoden (K) 74
    131. 145. A.4.2.7 – Berekening afschrijving, boekwaarde, restwaarde (T) 75
    132. 146. A.4.2.8 – Herkennen afschrijvingsmethode in casus (B) 75
    133. 147. A.4.3.1 – Deelcalculatie (delingscalculatie) (K) 76
    134. 148. A.4.3.2 – Kostprijsberekening via deelcalculatie (B) 76
    135. 149. A.4.3.3 – Wat is de opslagmethode? (K) 76
    136. 150. A.4.3.4 – Hoe werkt de opslagmethode? (B) 76
    137. 151. A.4.3.5 – Wat is de kostenplaatsmethode? (K) 77
    138. 152. A.4.3.6 – Hoe werkt de kostenplaatsmethode? (B) 77
    139. 153. A.4.3.7 – Verschillen tussen deelcalculatie, opslagmethode en kostenplaatsmethode (B) 78
    140. 154. A.4.4.1 – Begrippen verzekeringspolis, poliskosten, assurantiebelasting, indexclausule, schadeverzekering, sommenverzekering, gemengde verzekering (K) 78
    141. 155. A.4.4.2 – Opbouw verzekeringspolis (K) 79
    142. 156. A.4.4.3 – Verschillen tussen schade-, sommen- en gemengde verzekeringen (K) 79
    143. 157. A.4.4.4 – Soort verzekering herkennen (T) 80
    144. 158. A.4.4.5 – Verzekeringskosten berekenen (T) 80
    145. 59. A.4.4.6 – In welke verzekeringen kan onder- of oververzekering ontstaan? (K) 80
    146. 160. A.4.4.7 – Onderverzekering of oververzekering herkennen in een casus (T) 81
  59. 59 Inkomstenbelasting en het Boxenstelsel 81
  60. 60 Tarieven en de belastingberekening per box 83
  61. 61 De eigen woning in box 1 (werk en woning) 85
  62. 62 Bijleenregeling en eigenwoningschuld: verhuizen met winst 86
  63. 63 Onroerend goed en de inkomstenbelasting: privé vs zakelijk 88
  64. 64 Belangrijkste winstbegrippen in de inkomstenbelasting (winst uit onderneming) 90
  65. 65 Lokale belastingen bij onroerend goed: WOZ, OZB en meer 94
  66. 66 Belastingen bij schenken of erven van vastgoed 98
  67. 67 Overdrachtsbelasting bij aan- en verkoop van onroerend goed 101
  68. 68 Omzetbelasting (BTW) en vastgoed 105
  69. 69 Samenloop van BTW en overdrachtsbelasting 110

Livre connecté

Infos sur le Document

Livre entier ?
Oui
Publié le
24 juin 2025
Nombre de pages
115
Écrit en
2025/2026
Type
Resume
€16,06

Mauvais document ? Échangez-le gratuitement Dans les 14 jours suivant votre achat et avant le téléchargement, vous pouvez choisir un autre document. Vous pouvez simplement dépenser le montant à nouveau.
Rédigé par des étudiants ayant réussi
Disponible immédiatement après paiement
Lire en ligne ou en PDF

Seller avatar
Les scores de réputation sont basés sur le nombre de documents qu'un vendeur a vendus contre paiement ainsi que sur les avis qu'il a reçu pour ces documents. Il y a trois niveaux: Bronze, Argent et Or. Plus la réputation est bonne, plus vous pouvez faire confiance sur la qualité du travail des vendeurs.
lennartpos14
3,0
(3)
Vendu
25
Abonnés
0
Éléments
5
Dernière vente
1 semaine de cela


Avis d'acheteurs vérifiés

9 mois de cela

achieved in 1 time

You are a winner!!

Congratulations, These are the great messages to hear! Thank you for your review and good luck with the training!




Pourquoi les étudiants choisissent Stuvia

Créé par d'autres étudiants, vérifié par les avis

Une qualité sur laquelle compter : rédigé par des étudiants qui ont réussi et évalué par d'autres qui ont utilisé ce document.

Le document ne convient pas ? Choisis un autre document

Aucun souci ! Tu peux sélectionner directement un autre document qui correspond mieux à ce que tu cherches.

Paye comme tu veux, apprends aussitôt

Aucun abonnement, aucun engagement. Paye selon tes habitudes par carte de crédit et télécharge ton document PDF instantanément.

Student with book image

“Acheté, téléchargé et réussi. C'est aussi simple que ça.”

Alisha Student

Foire aux questions