-
01
1. A.1.1.1 – Begrippen balans en resultatenrekening (K)
1
-
Uitleg:
1
-
Voorbeeld:
1
-
02
2. A.1.1.2 – Indeling van de balans (K)
1
-
Uitleg:
1
-
Voorbeeld:
1
-
03
3. A.1.1.4 – Verschil tussen vaste en vlottende activa (K)
2
-
Uitleg:
2
-
Voorbeeld:
2
-
04
4. A.1.1.6 – Verschil materiële, immateriële en financiële vaste activa (K)
2
-
Uitleg:
2
-
Voorbeeld:
2
-
05
5. A.1.1.8 – Transitorische posten (K)
2
-
Uitleg:
2
-
Voorbeeld:
3
-
06
Vijf open oefenvragen:
3
-
07
6. A.1.1.5 – Vaststellen of een balanspost tot vaste of vlottende activa behoort (B)
3
-
Uitleg:
3
-
Voorbeeld:
3
-
08
7. A.1.1.7 – Vaststellen of een post materiële, immateriële of financiële activa is (B)
4
-
Uitleg:
4
-
Voorbeeld:
4
-
09
8. A.1.1.9 – Vaststellen of transitorische post tot activa of passiva behoort (B)
4
-
Uitleg:
4
-
Voorbeeld:
4
-
10
9. A.1.1.10 – Beschrijving garantievermogen (K)
4
-
Uitleg:
4
-
11
10. A.1.1.14 – Functies van het eigen vermogen (K)
5
-
Uitleg:
5
-
12
1. Wat zijn aandelen?
5
-
13
●Aandelen vormen het eigen vermogen van een bv of nv.
5
-
14
●Door aandelen uit te geven, kan een onderneming kapitaal aantrekken.
5
-
15
●Aandelen kunnen:
5
-
16
○In portefeuille zijn = nog niet verkocht.
5
-
17
○Geplaatst zijn = verkocht aan aandeelhouders.
5
-
18
○Gestort zijn = ook daadwerkelijk betaald.
5
-
19
? 2. Waardes van aandelen
5
-
20
Term
6
-
21
Betekenis
6
-
22
Nominale waarde
6
-
23
De waarde per aandeel zoals in de statuten is vastgelegd.
6
-
24
Agio
6
-
25
Extra bedrag betaald boven de nominale waarde → komt in agioreserve.
6
-
26
Intrinsieke waarde
6
-
27
Het eigen vermogen per aandeel (aandelen + reserves).
6
-
28
Beurswaarde
6
-
29
Waarde van het aandeel op de effectenbeurs (vraag en aanbod).
6
-
30
? 3. Vormen van aandelenkapitaal
6
-
31
Soort kapitaal
6
-
32
Betekenis
6
-
33
Maatschappelijk kapitaal
6
-
34
Maximaal bedrag dat een nv mag uitgeven aan aandelen (volgens statuten).
6
-
35
Geplaatst kapitaal
6
-
36
Aandelen die daadwerkelijk aan aandeelhouders zijn uitgegeven.
6
-
37
Gestort kapitaal
6
-
38
Het deel van het geplaatste kapitaal dat daadwerkelijk is betaald.
6
-
39
? 4. Belangrijke begrippen
6
-
40
●Permanente vermogen: aandelenkapitaal is blijvend, hoeft niet afgelost te worden.
7
-
41
●Aandelenemissie: uitgifte van nieuwe aandelen.
7
-
42
○A pari = tegen nominale waarde
7
-
43
○Boven pari = met agio → bijv. € 100 nominaal, € 220 betaald → € 120 agio
7
-
44
●Agioreserve: ontstaat bij uitgifte boven pari → onderdeel van eigen vermogen
7
-
45
●Stockdividend: dividend in de vorm van extra aandelen → verhoogt geplaatst kapitaal
7
-
46
●Bonusaandelen: gratis aandelen uit bestaande reserves → ook verhoging geplaatst kapitaal? Maatschappelijk aandelenkapitaal
7
-
47
→ Het maximale bedrag waarvoor een nv volgens de statuten aandelen mág uitgeven. ? Voorbeeld: In de statuten staat dat er maximaal 1.000.000 aandelen mogen worden uitgegeven van €10 nominaal → maatschappelijk kapitaal = €10.000.000
7
-
48
? Geplaatst aandelenkapitaal
7
-
49
→ Het deel van het maatschappelijk kapitaal dat daadwerkelijk is uitgegeven aan aandeelhouders. ? Als er 500.000 van die 1.000.000 aandelen zijn uitgegeven → geplaatst kapitaal = €5.000.000
7
-
50
? Gestort aandelenkapitaal
7
-
51
→ Het bedrag dat daadwerkelijk is betaald door aandeelhouders op het geplaatste kapitaal. ? Meestal is het geplaatst = gestort. Maar soms is er bijvoorbeeld maar 80% gestort → dan is het gestorte kapitaal = €4.000.000 (op €5.000.000 geplaatst)
7
-
52
? Aandelen in portefeuille
8
-
53
→ De overgebleven aandelen die nog niet zijn uitgegeven. ? In het voorbeeld: 1.000.000 – 500.000 = 500.000 aandelen in portefeuille → die mag de nv later nog uitgeven.
8
-
54
? 2. Verschil tussen nominale waarde, emissiekoers, agio & agioreserve
8
-
Term
8
-
Betekenis
8
-
Nominale waarde
8
-
De waarde per aandeel die in de statuten staat. (€10 bijv.)
8
-
Emissiekoers
8
-
De prijs waarvoor het aandeel daadwerkelijk wordt verkocht. (€27,50 bijv.)
8
-
Agio
8
-
Het verschil tussen emissiekoers en nominale waarde. (€17,50)
8
-
Agioreserve
8
-
Alle ontvangen agio samen → apart opgenomen in het eigen vermogen
8
-
? Dus: 500.000 aandelen uitgegeven tegen €27,50 →
8
-
●Nominaal kapitaal = €5.000.000
8
-
●Agio = €8.750.000
9
-
●Totaal ontvangen = €13.750.000 → Agio gaat naar de agioreserve op de balans.
9
-
55
? 3. Balansen opstellen vóór en na plaatsing van aandelen
9
-
? Voor plaatsing:
9
-
Activa
9
-
Passiva
9
-
Maatschappelijk kapitaal (toelichting)
9
-
€10.000.000
9
-
Aandelen in portefeuille (toelichting)
9
-
€10.000.000
9
-
→ Nog geen geld ontvangen, dus geen posten op de balans zelf. Alleen toelichting.
9
-
? Na plaatsing van 500.000 aandelen à €27,50:
9
-
Activa
10
-
Bedrag
10
-
Passiva
10
-
Bedrag
10
-
Bank
10
-
€13.750.000
10
-
Geplaatst aandelenkapitaal
10
-
€5.000.000
10
-
Agioreserve
10
-
€8.750.000
10
-
→ Balans is in evenwicht.
10
-
56
? 4. Intrinsieke waarde per aandeel berekenen
10
-
Intrinsieke waarde per aandeel=Eigen vermogenAantal geplaatste aandelen\textbf{Intrinsieke waarde per aandeel} = \frac{\text{Eigen vermogen}}{\text{Aantal geplaatste aandelen}}Intrinsieke waarde per aandeel=Aantal geplaatste aandelenEigen vermogen
10
-
? Voorbeeld:
10
-
●Eigen vermogen = €4.200.000
10
-
●Aantal geplaatste aandelen = 100.000 → Intrinsieke waarde per aandeel = €42
10
-
? Dit is handig als je wil weten wat een aandeel écht waard is op basis van de boeken (niet de beursprijs!).
10
-
●
11
-
? 5. Intrinsieke waarde berekenen
11
-
Intrinsieke waarde=Geplaatst aandelenkapitaal+Agioreserve+Winstreserve+Overige reserves\text{Intrinsieke waarde} = \text{Geplaatst aandelenkapitaal} + \text{Agioreserve} + \text{Winstreserve} + \text{Overige reserves}Intrinsieke waarde=Geplaatst aandelenkapitaal+Agioreserve+Winstreserve+Overige reserves
11
-
●Bij verlies: eigen vermogen < gestort kapitaal → verliessaldo
11
-
●Bij winst: eigen vermogen > gestort kapitaal → positieve reserve
11
-
? 6. Voorbeelden & valkuilen uit de toetsvragen
11
-
●Intrinsieke waarde wordt niet berekend op basis van beurswaarde of herwaarderingsreserves alleen.
11
-
●Maatschappelijk kapitaal wordt altijd gebaseerd op de nominale waarde.
11
-
●Aandelen in portefeuille zijn geen onderdeel van het eigen vermogen.
11
-
●Bij een uitgifte van 4% stockdividend stijgt het geplaatste aandelenkapitaal met 4%.
11
-
6. A.1.1.5 – Vaststellen of een balanspost tot vaste of vlottende activa behoort (B)
11
-
7. A.1.1.7 – Vaststellen of een post materiële, immateriële of financiële activa is (B)
12
-
8. A.1.1.9 – Vaststellen of transitorische post tot activa of passiva behoort (B)
12
-
9. A.1.1.10 – Beschrijving garantievermogen (K)
13
-
10. A.1.1.14 – Functies van het eigen vermogen (K)
13
-
Oefenvragen over deze vijf criteria:
14
-
11. A.1.2.1 – Verschil tussen eigen en vreemd vermogen (K)
14
-
12. A.1.3.1 – Begrippen brutowinst, bedrijfsresultaat, nettowinst (K)
14
-
13. A.1.3.4 – Winstverdeling met dividend, tantièmes, winstreserve (T)
15
-
1. Interim-dividend: € 2 miljoen
15
-
2. Slotdividend: € 6 miljoen
16
-
3. Dividendbelasting op slotdividend: € 1,5 miljoen
16
-
4. Netto contant dividend: € 2,5 miljoen
16
-
5. Vennootschapsbelasting: € 3 miljoen
16
-
6. Algemene reserve: € 4 miljoen
17
-
57
? De vier vormen van dividenduitkering:
17
-
1. ? Cashdividend
17
-
2. ? Stockdividend
17
-
3. ? Keuzedividend (gemengd dividend)
17
-
4. ? Tantième (voor bestuur en directie)
18
-
58
✅ Samenvatting: de 4 dividendvormen zijn:
18
-
14. A.1.3.5 – Privé-opnamen en stortingen bij eenmanszaak (B)
19
-
15. A.1.3.7 – Verdeling dividend en dividendbelasting (A)
19
-
A.1.4.1 – Beschrijft het begrip reserves (K)
19
-
A.1.4.2 – Beschrijft het verschil tussen formele en materiële reserve (K)
20
-
A.1.4.3 – Benoemt de functies van reserves op een balans (K)
20
-
A.1.4.4 – Beschrijft hoe agioreserves, winstreserves, herwaarderingsreserves en statutaire reserves ontstaan (K)
21
-
A.1.4.5 – Benoemt welke reserves wettelijk/gebonden of vrij zijn (K)
21
-
21. A.1.4.6 – Licht aan de hand van een casus toe hoe reserves op de balans tot stand komen (B)
22
-
22. A.1.4.7 – Berekening van reserves op basis van balans (T)
22
-
23. A.1.5.1 – Beschrijving van intrinsieke waarde (K)
23
-
24. A.1.5.2 – Invloed waardeverandering activa op intrinsieke waarde (B)
23
-
25. A.1.5.3 – Ontstaan stille reserve bij waardestijging activa (B)
23
-
26. A.1.5.4 – Berekening intrinsieke waarde onderneming (T)
24
-
27. A.1.6.1 – Begrip voorzieningen (K)
24
-
28. A.1.6.2 – Verschil tussen voorziening en reserve (K)
24
-
29. A.1.6.3 – Vaststellen of balanspost een voorziening of reserve is (B)
25
-
30. A.1.6.4 – Hoe komt een voorziening tot stand (B)
25
-
0. A.1.8.2 – Beschrijft verschil tussen statische en dynamische liquiditeit (K)
26
-
41. A.1.8.3 – Berekent werkkapitaal, current ratio, quick ratio, cashflow (T)
26
-
42. A.1.8.4 – Geeft een onderbouwde mening over liquiditeit (E)
27
-
36. A.1.9.1 – Begrippen ratioanalyse en kengetallen (K)
27
-
37. A.1.9.2 – Voor- en nadelen van ratioanalyse (B)
28
-
38. A.1.9.3 – Waarom zijn deze kengetallen belangrijk? (B)
28
-
? 1. Liquiditeit
29
-
? 2. Solvabiliteit
29
-
? 3. Rentabiliteit
30
-
? 5. Rendement op vastgoed
31
-
39. A.1.9.4 – In welke situaties gebruik je welke kengetallen? (B)
32
-
40. A.1.10.1 – Begrippen liquiditeit, liquiditeitskengetallen, netto werkkapitaal, current ratio, quick ratio en cashflow (K)
32
-
43. A.1.10.2 – Reëel en nominaal rendement (B)
33
-
44. A.1.10.3 – Berekening koers/winstverhouding, dividendverhouding, pay-out ratio (T)
33
-
45. A.1.11.1 – Solvabiliteit, kredietwaardigheid, weerstandsvermogen, debt ratio, rentedekkingsfactor (K)
33
-
46. A.1.11.2 – Berekening debt ratio en rentedekking (T)
34
-
47. A.1.13.1 – Invloed liquiditeit, solvabiliteit en rentabiliteit op financiële transacties (B)
34
-
48. A.1.13.2 – Intrinsieke en marktwaarde van een onderneming toelichten (B)
35
-
49. A.1.13.3 – Beschrijft begrippen zoals aanschafwaarde, afschrijving, boekwaarde enz. (K)
35
-
50. A.1.13.4 – Verschil historische kostprijs en actuele waarde (K)
36
-
51. A.1.13.5 – Beschrijft verschil historische kostprijs en actuele waarde van een activum (K)
36
-
52. A.1.13.6 – Berekening van aanschafwaarde, afschrijving, boekwaarde, vervangingswaarde en restwaarde (T)
36
-
53. A.2.1.1 – Eindwaarde berekenen met enkelvoudige of samengestelde interest (T)
37
-
54. A.2.1.2 – Beginwaarde berekenen bij enkelvoudige interest (T)
37
-
55. A.2.1.3 – Contante waarde van een eindkapitaal of reeks bedragen (T)
38
-
56. A.2.1.4 – Jaarlijks bedrag bij samengestelde interest (T)
38
-
57. A.2.1.5 – Effect discontovoet op contante waarde (B)
39
-
58. A.2.2.1 – Beschrijft de begrippen cashflow en vrije kasstroom (K)
39
-
59. A.2.2.2 – Verschil tussen nettowinst en cashflow (B)
40
-
60. A.2.2.3 – Jaarlijkse cashflow berekenen (T)
40
-
61. A.2.2.4 – Begrip terugverdientijd (K)
40
-
62. A.2.2.5 – Terugverdientijd berekenen (T)
41
-
63. A.2.2.6 – Onderbouwde mening over terugverdientijd (E)
41
-
64. A.2.2.7 – Begrip gemiddelde boekhoudkundige rentabiliteit (K)
41
-
65. A.2.2.8 – Berekening gemiddelde boekhoudkundige rentabiliteit (T)
42
-
66. A.2.2.9 – Mening over GBR-uitkomst (E)
42
-
67. A.2.2.10 – Begrippen NCW en vermogenskostenvoet (K)
42
-
68. A.2.2.11 – Berekening bruto en netto contante waarde (T)
43
-
69. A.2.2.12 – Mening over uitkomst NCW-berekening (E)
43
-
70. A.2.2.13 – Voor- en nadelen van investeringsmethoden (B)
44
-
71. A.2.2.14 – Waarom methodes tot andere keuzes kunnen leiden (B)
44
-
72. A.2.2.15 – Selecteert project op basis van meerdere methoden (B)
45
-
73. A.2.2.16 – Mening over keuze investeringsproject (E)
45
-
74. A.2.2.17 – Beschrijft het begrip ‘internal rate of return’ (K)
45
-
75. A.2.2.18 – Selecteert project op basis van IRR (B)
46
-
76. A.2.2.19 – Verschil tussen nominaal en reëel rendement (K)
46
-
77. A.2.2.20 – Berekening nominaal en reëel rendement (T)
46
-
83. A.3.1.6 – Casus: totale of partiële financiering vaststellen (B)
47
-
84. A.3.1.7 – Beschrijft het begrip vermogensbehoefte (K)
47
-
85. A.3.1.8 – Beschrijft de goudenbalansregel (K)
47
-
86. A.3.1.9 – Toepassen goudenbalansregel op balans (B)
48
-
87. A.3.2.1 – Begrippen: off balance financiering, operational lease, financial lease, sale and lease back, factoring (K)
48
-
88. A.3.2.2 – Effect van off balance financiering op vermogensbehoefte (B)
49
-
89. A.3.2.3 – Effect van off balance financiering op balans (T)
49
-
90. A.3.2.4 – Wat is balansverkorting? (K)
50
-
91. A.3.2.5 – Verschillen en overeenkomsten tussen operational lease en financial lease (B)
50
-
92. A.3.2.6 – Toelichting balans of resultatenrekening bij leasevormen (B)
51
-
93. A.3.3.1 – Wijzen waarop onroerende zaken binnen een onderneming gefinancierd kunnen worden (K)
51
-
94. A.3.3.2 – Verschillen tussen koop, huur en lease van onroerende zaken (K)
52
-
95. A.3.3.3 – Invloed financieringswijzen op vermogensbehoefte (T)
52
-
96. A.3.3.4 – Redenen om onroerende zaken te financieren met vreemd vermogen (K)
53
-
97. A.3.4.1 – Beschrijft het begrip achtergestelde lening (K)
53
-
98. A.3.4.2 – Beschrijft de verschillende vormen van durfkapitaal (K)
53
-
99. A.3.4.3 – Beschrijft het verschil tussen een gewone lening en een achtergestelde lening (K)
54
-
100. A.3.5.1 – Verschil tussen kort vreemd vermogen en lang vreemd vermogen (K)
54
-
101. A.3.5.2 – Vormen van kort en lang vreemd vermogen (K)
55
-
102. A.3.5.3 – Vreemd vermogen indelen in kort of lang (B)
55
-
103. A.3.5.4 – Balansposten toewijzen aan VV categorie (B)
56
-
104. A.3.5.5 – Grootte berekenen van kort/lang VV uit balans (T)
56
-
105. A.3.6.1 – Hypothecaire lening, hypothecaire zekerheid, hypotheeknemer, hypotheekgever (K)
56
-
106. A.3.6.2 – Begrippen obligatie, obligatiekoers, obligatielening, couponrente, effectief rendement, onder pari, disagio, obligatiehouder (K)
57
-
107. A.3.6.3 – Verschil tussen couponrente en effectief rendement (B)
57
-
108. A.3.6.4 – Berekening couponrente, effectief rendement en aflossingen (T)
57
-
109. A.3.6.5 – Betalingsverplichtingen aan schuldeisers uit balans berekenen (T)
58
-
110. A.3.6.6 – Betalingsverplichtingen: welke behoren tot de bedrijfskosten (T)
58
-
111. A.3.6.7 – Exploitatiebegroting vs liquiditeitsbegroting (T)
58
-
112. A.3.6.8 – Verschil tussen onderhandse en openbare lening (K)
59
-
113. A.3.6.9 – Casus: onderhandse of openbare lening herkennen (B)
59
-
114. A.3.7.1 – Begrippen: rekening-courantkrediet, dispositieruimte, leverancierskrediet, afnemerskrediet (K)
60
-
115. A.3.7.2 – Casus leveranciers- of afnemerskrediet (B)
60
-
116. A.3.7.3 – Effectieve rente leverancierskrediet berekenen (T)
60
-
117. A.3.7.4 – Dispositieruimte berekenen (T)
61
-
118. A.4.1.1 – Wat is variabele kostencalculatie (direct costing)? (K)
61
-
119. A.4.1.2 – Wanneer en waarom variabele kostencalculatie toepassen? (B)
61
-
120. A.4.1.3 – Begrippen normale bezetting, normale productie en normale integrale standaardkostprijs (K)
62
-
123. A.4.1.6 – Begrippen: proportioneel, progressief, degressief variabele kosten en trapsgewijs toenemende constante kosten (K)
63
-
124. A.4.1.7 – Gevolgen voor kostentoerekening aan een product (B)
63
-
125. A.4.1.8 – Berekening van kostprijs per stuk (T)
64
-
126. A.4.1.9 – Berekening van kosten, resultaat en bezetting (T)
64
-
127. A.4.1.10 – Break-evenbegrippen (K)
65
-
128. A.4.1.11 – Berekening BEP, omzet, afzet, dekkingsbijdrage en veiligheidsmarge (T)
65
-
129. A.4.1.12 – Verkoopprijs berekenen op basis van BEP-gegevens (T)
66
-
130. A.4.1.13 – Onderbouwde mening over uitkomsten break-evenanalyse (E)
67
-
131. A.4.1.14 – Gevolgen verhoging of verlaging kosten voor break-even (T)
67
-
132. A.4.1.15 – Verklaring gevolgen verandering kosten voor break-even (A)
67
-
133. A.4.1.16 – Berekening verschil tussen integrale en differentiële kosten (T)
68
-
134. A.4.1.17 – Wanneer en waarom differentiële kostprijs toepassen? (A)
68
-
135. A.4.1.18 – Verschil integrale en variabele kostencalculatie (B)
68
-
136. A.4.1.19 – Directe vs indirecte kosten en direct costing (K)
69
-
137. A.4.1.20 – Verschil directe/indirecte kosten en constante/variabele kosten (B)
69
-
138. A.4.1.21 – Verkoopprijs berekenen via variabele, integrale en direct costing (T)
70
-
139. A.4.2.1 – Begrip categorische kostenindeling (K)
70
-
140. A.4.2.2 – Welke kostensoorten worden onderscheiden? (K)
71
-
141. A.4.2.3 – Belangrijkste kostenposten per kostensoort (K)
71
-
142. A.4.2.4 – Zijn dit ook uitgaven? (K)
71
-
143. A.4.2.5 – Wat zijn overheadkosten? (K)
72
-
138. A.4.1.21 – Verkoopprijs berekenen via variabele, integrale en direct costing (T)
72
-
139. A.4.2.1 – Begrip categorische kostenindeling (K)
73
-
140. A.4.2.2 – Welke kostensoorten worden onderscheiden? (K)
73
-
141. A.4.2.3 – Belangrijkste kostenposten per kostensoort (K)
73
-
142. A.4.2.4 – Zijn dit ook uitgaven? (K)
74
-
143. A.4.2.5 – Wat zijn overheadkosten? (K)
74
-
144. A.4.2.6 – Afschrijvingsmethoden (K)
74
-
145. A.4.2.7 – Berekening afschrijving, boekwaarde, restwaarde (T)
75
-
146. A.4.2.8 – Herkennen afschrijvingsmethode in casus (B)
75
-
147. A.4.3.1 – Deelcalculatie (delingscalculatie) (K)
76
-
148. A.4.3.2 – Kostprijsberekening via deelcalculatie (B)
76
-
149. A.4.3.3 – Wat is de opslagmethode? (K)
76
-
150. A.4.3.4 – Hoe werkt de opslagmethode? (B)
76
-
151. A.4.3.5 – Wat is de kostenplaatsmethode? (K)
77
-
152. A.4.3.6 – Hoe werkt de kostenplaatsmethode? (B)
77
-
153. A.4.3.7 – Verschillen tussen deelcalculatie, opslagmethode en kostenplaatsmethode (B)
78
-
154. A.4.4.1 – Begrippen verzekeringspolis, poliskosten, assurantiebelasting, indexclausule, schadeverzekering, sommenverzekering, gemengde verzekering (K)
78
-
155. A.4.4.2 – Opbouw verzekeringspolis (K)
79
-
156. A.4.4.3 – Verschillen tussen schade-, sommen- en gemengde verzekeringen (K)
79
-
157. A.4.4.4 – Soort verzekering herkennen (T)
80
-
158. A.4.4.5 – Verzekeringskosten berekenen (T)
80
-
59. A.4.4.6 – In welke verzekeringen kan onder- of oververzekering ontstaan? (K)
80
-
160. A.4.4.7 – Onderverzekering of oververzekering herkennen in een casus (T)
81
-
59
Inkomstenbelasting en het Boxenstelsel
81
-
60
Tarieven en de belastingberekening per box
83
-
61
De eigen woning in box 1 (werk en woning)
85
-
62
Bijleenregeling en eigenwoningschuld: verhuizen met winst
86
-
63
Onroerend goed en de inkomstenbelasting: privé vs zakelijk
88
-
64
Belangrijkste winstbegrippen in de inkomstenbelasting (winst uit onderneming)
90
-
65
Lokale belastingen bij onroerend goed: WOZ, OZB en meer
94
-
66
Belastingen bij schenken of erven van vastgoed
98
-
67
Overdrachtsbelasting bij aan- en verkoop van onroerend goed
101
-
68
Omzetbelasting (BTW) en vastgoed
105
-
69
Samenloop van BTW en overdrachtsbelasting
110