Ontwikkelingsstoornissen
Inleiding
2 belangrijkste invloeden op ontwikkeling = aanleg en omgeving – nature en
nurture
- Aanleg: kindkenmerken – vooral genetisch bepaald – weinig beïnvloedbaar
- Omgeving: verzamelterm v # personen en kenmerken waarin kind opgroeit
o Vb. ouders, school, peers, brussen, SES, culturele invloeden, …
= interactie tss beide
Daarnaast nog een factor: rijping vh zenuwstelsel
- ZS tijdens zwangerschap tot stand
- Rijping onder invloed v omgeving
Bij elk v deze kunnen zaken fout lopen verstoring vd ontwikkeling
HOOFDSTUK 1: VERSOORDE ONTWIKKELING
DSM-V definitie:
“Een ontwikkelingsstoornis = een neurobiologische stoornis die id (vroege)
ontwikkelingsperiode tot uiting komt, gekenmerkt w dr de
ontwikkelingsvertragingen en/of achterstanden op 1 of meerdere
functiedomeinen en die levenslang beperkingen veroorzaakt ih persoonlijke,
sociale, schoolse of beroepsmatige functioneren.”
- Neurobiologisch: oorsprong id hersenontwikkeling – genetica, prenatale
factoren en/of perinatale factoren stoornis is aangeboren
- (Vroege) ontwikkelingsperiode: symptomen al aanwezig vanaf kindertijd
o Mate v uiting = afh. v omgevings- en andere kindfactoren
- Ontwikkelingsvertraging en/of – achterstand
o Belemmert functioneren op 1 of meer domeinen: cognitief,
motorisch, taal en socio-emotioneel
- Levenslang: niet te genezen
1. Risicofactoren
Meestal: kind- en omgevingsfactoren (!!!) maar vaak ook interagerende factoren
- Impact vd omgeving afh. vd aanleg vh kind
Aanwezigheid vd factor vergroot statisch KANS op ontwikkelingsstoornis dan
afwezigheid
1.1. Risicofactoren op kindniveau
Centraal:
- Aanleg = genetisch bepaald en kan bron v stoornis zijn
o Aanleg/genen bepalen vooral wijze v rijpen
(!!!) maar omgeving speelt ook rol, vb. milieu id baarmoeder
1
, 1.1.1. Aanleg
1.1.1.1. Genetica
Erfelijke code (DNA) stuurt ontwikkeling aan
- Ontwikkeling v kinderen niet te verklaren zonder kennis v erfelijkheid
o (!!) maar ontwikkeling v gedrag vindt plaats id omgeving en bij
prenatale ontwikkeling = de baarmoeder
Dus aangeboren afwijking niet per se dr erfelijkheid, kan ook dr zaken buiten
embryo of foetus
- Aangeboren eigenschap ≠ overdraagbaar
Vb. syndroom v Down oorzaak dr celdelingen na bevruchting
= aangeboren chromosoomafwijking, niet genetisch dus niet overdraagbaar
1.1.1.2. Centrale zenuwstelsel en hersenen
Verstoorde ontwikkeling obv aanleg storing in functioneren vh CZS en
hersenen
Normale ontwikkeling doormaken nood aan volledig ontwikkelde, gerijpte en
ongeschonden hersenen
Onderscheid tss:
- Hersenbeschadiging of – afwijking = fysiek zichtbaar
- Rijpingsproblemen of functioneren vd hersenen = minder zichtbaar
De groei vd hersenen
- Vorming tijdens zwangerschap
- Specialisatie en groei genetisch bepaald
- Gevoelig vr invloeden v omgeving, vb. straling, geneesmiddelen, stress bij
moeder, …
- Hoog tempo vooral tussen week 7 en 18 vd zwangerschap foetus heel
gevoelig vr schadelijke invloeden
- Naast aanmaak v zenuwcellen processen v migratie en specialisatie
o Migratie = zenuwcellen verplaatsen
o Specialisatie = uitgroei v zenuwcellen nr speciale functies, vb.
oogzenuw
- ¼ v totale gewicht bij geboorte
- Na geboorte rijping en verdere specialisatie
- Flexibel tot ± 2 jaar, vb. beschadiging aan spraak voor 2 jaar helemaal
opgevangen
Hersenafwijking of -beschadiging
= impact op functioneren afh. v plaats en omvang v getroffen gebied(en)
Hersenbeschadiging kan gevolg zijn v
- Hersenbloeding of zuurstoftekort
- Pre-, peri- en postnataal zijn
Aangeboren afwijking onvermijdelijk verstoorde ontwikkeling
2
,Rijping = verstoring vooral op vlak v functioneren
- Rijpingsstoornissen hersenen lijken fysiek intact, maar functioneren
anders
Vertraagde rijping tijdelijk v aard voltooide rijping bijhorende problemen
verdwenen
- Wel invloed op sociaal-emotionele ontwikkeling
- Indirect wel impact op ontwikkeling,
o Vb. zindelijkheid kan grote gevolgen hebben vr sociaal leven
Verschil tss jongens-meisjes
- Jongens vertonen meer problemen bij rijping
o Meer huilen, moeilijker te troosten
o Rijpingsproces = delicater
o Rijpingsstoornissen, vb. zindelijkheidsstoornissen, ADHD,
leerstoornissen en ASS komen vaker voor bij jongens
Opmerking (!!!)
Gevolgen v rijpingsstoornissen: ‘niet’ zichtbaar (niet objectief aantoonbaar)
- Schuld vr gedrag bij omgeving/opvoeding gelegd
Diagnose vr rijpingsstoornissen = complexer dan:
- Hersenbeschadiging: zichtbaar op CAT-scan of MRI + zichtbare uiterlijke
kenmerken
Rijpingsstoornis: verstoord functioneren vastleggen via EEG weinig
observeerbare gedragskenmerken gevolg: beroep op klinisch oordeel
Belangrijk deel vd hulpverlening = ouders inzicht bieden ih proces v rijping en
rijpingsstoornissen
- Kind zonder duidelijke stoornis vaak gestraft en bijgestuurd
o (!!) belangrijk als ouder weten dat ‘ongewenst’ gedrag deel is vd
stoornis
1.1.1.3. Geslacht
Meisjes Jongens
- Beschermende factor vr - Risicovolle factor vr
ontwikkeling ontwikkeling
- Meer kwetsbaar vr ontwikkeling
- Prevalentie v stoornissen en
ziekten = groter
- Hoger sterftecijfer
Vaker bij meisjes dan bij jongens Vaker bij jongens dan bij meisjes
- Anorexia - Enuresis
- DIS - Slaapwandelen
- Selectief mutisme - Gilles de la Tourette
- Automutilatie - ADHD
- Fobieën - Dyslexie
- Migraine - Astma
- … - Borderline
- …
3
, 1.1.1.4. Temperament
Vanaf geboorte: karaktertrekjes + verschillen bij elk kind, vb. nieuwsgierig, actief,
angstig, …
Moeilijk temperament verband met (gedrags)problemen op latere leeftijd
- Veel huilgedrag, slechte troostbaarheid en veel protestreacties
- Onvoorspelbaarheid v gedrag vh kind
- Moeilijke aanpassing vh kind aan nieuwe situaties en/of prikkels
- Veel activiteit
Temperament = geen risicofactor pas moeilijk als omgeving problemen
ondervindt
- Risico = mismatch tss temperament en opvoedingsvaardigheden en
draagkracht vd ouders
Vicieuze cirkel: wnr kind zich vr ouders lastig gedraagt minder goed mee om
negatieve interacties kind w nog lastiger …
1.1.2. Zwangerschaps- en/of geboortecomplicatie
1.1.2.1. Inleiding
Kwaliteit v eicel en zaadcel
- Voldoende voedsel = voorwaarde om zwangerschap succesvol af te ronden
o Gezonde voeding
o Meebepalen v beschikbaarheid en kwaliteit vd eicel dr voldoende
calorieën
Andere factoren bepalen ook kwaliteit vd eicel
- Leeftijd: heel jonge of oudere vrouwen ‘minder’ kwaliteit
- Alcohol- en druggebruik: beïnvloeden vóór bevruchting de kwaliteit
Kwaliteit en hoeveelheid vd zaadcellen verschillende invloeden
- Druggebruik
- Milieuverontreiniging
- Leeftijd: kwaliteit achteruit bij ouder worden
(Onder)voeding vd moeder
Voedsel = belangrijk vr kwaliteit vd:
- Eicel
- Zwangerschap
- Borstvoeding
Ondervoeding vergroot kans op prematuriteit, dysmaturiteit, miskraam
- Prematuur en dysmatuur risico vr verdere ontwikkeling, ook jaren na
geboorte
4
Inleiding
2 belangrijkste invloeden op ontwikkeling = aanleg en omgeving – nature en
nurture
- Aanleg: kindkenmerken – vooral genetisch bepaald – weinig beïnvloedbaar
- Omgeving: verzamelterm v # personen en kenmerken waarin kind opgroeit
o Vb. ouders, school, peers, brussen, SES, culturele invloeden, …
= interactie tss beide
Daarnaast nog een factor: rijping vh zenuwstelsel
- ZS tijdens zwangerschap tot stand
- Rijping onder invloed v omgeving
Bij elk v deze kunnen zaken fout lopen verstoring vd ontwikkeling
HOOFDSTUK 1: VERSOORDE ONTWIKKELING
DSM-V definitie:
“Een ontwikkelingsstoornis = een neurobiologische stoornis die id (vroege)
ontwikkelingsperiode tot uiting komt, gekenmerkt w dr de
ontwikkelingsvertragingen en/of achterstanden op 1 of meerdere
functiedomeinen en die levenslang beperkingen veroorzaakt ih persoonlijke,
sociale, schoolse of beroepsmatige functioneren.”
- Neurobiologisch: oorsprong id hersenontwikkeling – genetica, prenatale
factoren en/of perinatale factoren stoornis is aangeboren
- (Vroege) ontwikkelingsperiode: symptomen al aanwezig vanaf kindertijd
o Mate v uiting = afh. v omgevings- en andere kindfactoren
- Ontwikkelingsvertraging en/of – achterstand
o Belemmert functioneren op 1 of meer domeinen: cognitief,
motorisch, taal en socio-emotioneel
- Levenslang: niet te genezen
1. Risicofactoren
Meestal: kind- en omgevingsfactoren (!!!) maar vaak ook interagerende factoren
- Impact vd omgeving afh. vd aanleg vh kind
Aanwezigheid vd factor vergroot statisch KANS op ontwikkelingsstoornis dan
afwezigheid
1.1. Risicofactoren op kindniveau
Centraal:
- Aanleg = genetisch bepaald en kan bron v stoornis zijn
o Aanleg/genen bepalen vooral wijze v rijpen
(!!!) maar omgeving speelt ook rol, vb. milieu id baarmoeder
1
, 1.1.1. Aanleg
1.1.1.1. Genetica
Erfelijke code (DNA) stuurt ontwikkeling aan
- Ontwikkeling v kinderen niet te verklaren zonder kennis v erfelijkheid
o (!!) maar ontwikkeling v gedrag vindt plaats id omgeving en bij
prenatale ontwikkeling = de baarmoeder
Dus aangeboren afwijking niet per se dr erfelijkheid, kan ook dr zaken buiten
embryo of foetus
- Aangeboren eigenschap ≠ overdraagbaar
Vb. syndroom v Down oorzaak dr celdelingen na bevruchting
= aangeboren chromosoomafwijking, niet genetisch dus niet overdraagbaar
1.1.1.2. Centrale zenuwstelsel en hersenen
Verstoorde ontwikkeling obv aanleg storing in functioneren vh CZS en
hersenen
Normale ontwikkeling doormaken nood aan volledig ontwikkelde, gerijpte en
ongeschonden hersenen
Onderscheid tss:
- Hersenbeschadiging of – afwijking = fysiek zichtbaar
- Rijpingsproblemen of functioneren vd hersenen = minder zichtbaar
De groei vd hersenen
- Vorming tijdens zwangerschap
- Specialisatie en groei genetisch bepaald
- Gevoelig vr invloeden v omgeving, vb. straling, geneesmiddelen, stress bij
moeder, …
- Hoog tempo vooral tussen week 7 en 18 vd zwangerschap foetus heel
gevoelig vr schadelijke invloeden
- Naast aanmaak v zenuwcellen processen v migratie en specialisatie
o Migratie = zenuwcellen verplaatsen
o Specialisatie = uitgroei v zenuwcellen nr speciale functies, vb.
oogzenuw
- ¼ v totale gewicht bij geboorte
- Na geboorte rijping en verdere specialisatie
- Flexibel tot ± 2 jaar, vb. beschadiging aan spraak voor 2 jaar helemaal
opgevangen
Hersenafwijking of -beschadiging
= impact op functioneren afh. v plaats en omvang v getroffen gebied(en)
Hersenbeschadiging kan gevolg zijn v
- Hersenbloeding of zuurstoftekort
- Pre-, peri- en postnataal zijn
Aangeboren afwijking onvermijdelijk verstoorde ontwikkeling
2
,Rijping = verstoring vooral op vlak v functioneren
- Rijpingsstoornissen hersenen lijken fysiek intact, maar functioneren
anders
Vertraagde rijping tijdelijk v aard voltooide rijping bijhorende problemen
verdwenen
- Wel invloed op sociaal-emotionele ontwikkeling
- Indirect wel impact op ontwikkeling,
o Vb. zindelijkheid kan grote gevolgen hebben vr sociaal leven
Verschil tss jongens-meisjes
- Jongens vertonen meer problemen bij rijping
o Meer huilen, moeilijker te troosten
o Rijpingsproces = delicater
o Rijpingsstoornissen, vb. zindelijkheidsstoornissen, ADHD,
leerstoornissen en ASS komen vaker voor bij jongens
Opmerking (!!!)
Gevolgen v rijpingsstoornissen: ‘niet’ zichtbaar (niet objectief aantoonbaar)
- Schuld vr gedrag bij omgeving/opvoeding gelegd
Diagnose vr rijpingsstoornissen = complexer dan:
- Hersenbeschadiging: zichtbaar op CAT-scan of MRI + zichtbare uiterlijke
kenmerken
Rijpingsstoornis: verstoord functioneren vastleggen via EEG weinig
observeerbare gedragskenmerken gevolg: beroep op klinisch oordeel
Belangrijk deel vd hulpverlening = ouders inzicht bieden ih proces v rijping en
rijpingsstoornissen
- Kind zonder duidelijke stoornis vaak gestraft en bijgestuurd
o (!!) belangrijk als ouder weten dat ‘ongewenst’ gedrag deel is vd
stoornis
1.1.1.3. Geslacht
Meisjes Jongens
- Beschermende factor vr - Risicovolle factor vr
ontwikkeling ontwikkeling
- Meer kwetsbaar vr ontwikkeling
- Prevalentie v stoornissen en
ziekten = groter
- Hoger sterftecijfer
Vaker bij meisjes dan bij jongens Vaker bij jongens dan bij meisjes
- Anorexia - Enuresis
- DIS - Slaapwandelen
- Selectief mutisme - Gilles de la Tourette
- Automutilatie - ADHD
- Fobieën - Dyslexie
- Migraine - Astma
- … - Borderline
- …
3
, 1.1.1.4. Temperament
Vanaf geboorte: karaktertrekjes + verschillen bij elk kind, vb. nieuwsgierig, actief,
angstig, …
Moeilijk temperament verband met (gedrags)problemen op latere leeftijd
- Veel huilgedrag, slechte troostbaarheid en veel protestreacties
- Onvoorspelbaarheid v gedrag vh kind
- Moeilijke aanpassing vh kind aan nieuwe situaties en/of prikkels
- Veel activiteit
Temperament = geen risicofactor pas moeilijk als omgeving problemen
ondervindt
- Risico = mismatch tss temperament en opvoedingsvaardigheden en
draagkracht vd ouders
Vicieuze cirkel: wnr kind zich vr ouders lastig gedraagt minder goed mee om
negatieve interacties kind w nog lastiger …
1.1.2. Zwangerschaps- en/of geboortecomplicatie
1.1.2.1. Inleiding
Kwaliteit v eicel en zaadcel
- Voldoende voedsel = voorwaarde om zwangerschap succesvol af te ronden
o Gezonde voeding
o Meebepalen v beschikbaarheid en kwaliteit vd eicel dr voldoende
calorieën
Andere factoren bepalen ook kwaliteit vd eicel
- Leeftijd: heel jonge of oudere vrouwen ‘minder’ kwaliteit
- Alcohol- en druggebruik: beïnvloeden vóór bevruchting de kwaliteit
Kwaliteit en hoeveelheid vd zaadcellen verschillende invloeden
- Druggebruik
- Milieuverontreiniging
- Leeftijd: kwaliteit achteruit bij ouder worden
(Onder)voeding vd moeder
Voedsel = belangrijk vr kwaliteit vd:
- Eicel
- Zwangerschap
- Borstvoeding
Ondervoeding vergroot kans op prematuriteit, dysmaturiteit, miskraam
- Prematuur en dysmatuur risico vr verdere ontwikkeling, ook jaren na
geboorte
4