Inhoud
Les 1 – Planningssystemen en oude planfiguren 2
I. Ontwikkeling van ruimtelijke ordening 2
II. Oude planfiguren 3
A. Nationaal plan 3
B. Streekplan 3
C. Gewestplan (details uit KB 1972) 4
PRAKTISCH 4
D. Algemeen Plan van Aanleg (APA) 6
E. Bijzonder Plan van Aanleg (BPA) 7
F. Stedenbouwkundige verordeningen 8
G. Onteigeningsplan 8
III. Overgang naar nieuwe regelgeving: Decreet van 1999 en VCRO 8
IV. Belang van ruimtelijke ordening als beleidsveld 9
➤ Geïntegreerd voorbeeld: Gewestplan Turnhout (1977) 10
Beknopt overzicht: 11
Les 2 – Planningssystemen en oude planfiguren 13
I. Ruimtelijk structuurplan - beleidsplan 13
II. Beleidsplan (Ruimte Vlaanderen) 1
III. Ruimtelijk uitvoeringsplan 1
IV. Stedenbouwkundige verordening 1
V. Verkavelen 1
Les 3 – Vergunningen en regelgeving VCRO 1
I. Omgevingsvergunningsaanvraag - advisering 1
II. Attesten (stedenbouwkundig/planologisch) 1
III. Codextrein 1
IV. Nieuwe decreten en beleidsinstrumenten i.v.m. wonen en ruimte 1
1. Decreet woonreservegebieden (2023) 1
2. Instrumentendecreet (2023) 1
3. Verzameldecreet Wonen (2024) 1
BGO (Beleidsmatig Gewenste Ontwikkeling) 1
Bouwshift (voorheen: betonstop) 1
, 1
Les 1 – Planningssystemen en oude planfiguren DEEL I
Inhoud:
→ inleiding ruimtelijke planning en planningssystemen, de totstandkoming van de wet 1962 (oude
planfiguren) en overgang naar decreet RO 1999 (nieuwe planfiguren)
• “Oude” reguliere planfiguren – Gewestplan
– Algemeen plan van aanleg
– Bijzonder plan van aanleg
– Verordeningen
– Onteigeningsplan
• “Nieuwe” reguliere planfiguren – Ruimtelijk structuurplan
– Ruimtelijk uitvoeringsplan
– Stedenbouwkundige verordening
I. Ontwikkeling van ruimtelijke ordening
Definitie ruimtelijke ordening:
- Het bewust ordenen van de ruimte voor verschillende functies teneinde onverenigbare
functies te scheiden en teneinde via een beheer van verschillende elementen de efficiëntie
van het ruimtegebruik te maximaliseren
- Verschillende noden leiden tot onverenigbaarheden op eenzelfde terrein, maar kunnen ook
leiden tot onverenigbaarheden op aangrenzende terreinen
- Ruimtelijke planning - vergunningenbeleid
- Het ordenen gebeurt door drie politieke niveaus: centrale overheid (federaal/Vlaams),
provinciale overheid en gemeentelijke overheid.
- RO krijgt ook steeds meer een geïntegreerd karakter, waarbij rekening dient gehouden te
worden met verwante reglementering zoals Milieubeleid, Natuurbehoud, Grond- en
Pandendecreet, Onroerend Erfgoed etc…
Overzicht van wetgevende initiatieven tot 1962:
- Voor 1962 (artikel Peter Janssens)
→ Geen allesomvattende wetgeving inzake ruimtelijke ordening
→ 19de eeuw: Koning kon gemeenten toelaten te onteigenen
→ WO I en WO II: plannen van aanleg om wederopbouw te structureren
- Wet van 29 maart 1962 (Stedenbouwwet)
→ Art.1, 2de lid: RO wordt ontworpen uit economisch, sociaal en esthetisch oogpunt,
met het doel ‘s lands natuurschoon ongeschonden te bewaren
→ Voor het eerst wordt een gebiedsdekkende ruimtelijke ordening in het vooruitzicht
gesteld via bestemmingsplannen
→ Plannen van aanleg, procedure tot het bekomen van verkavelings- en
bouwvergunningen, onteigening, planschade, straf- en herstelmaatregelen
Wetgeving na 1962:
- Wet van 22 december 1970:
→ wijzigen, vooral mbt verkavelingen (vervaltermijn van 5 jaar, etc...)
→ uitdrukkelijke verplichtingen voor de notaris worden voor het eerst ingevoerd
- KB van 28 december 1972:
→ betreffende de inrichting en toepassing van de ontwerp-gewestplannen en de
gewestplannen
, 2
→ indelen van het grondgebied en deze bestemmingen geven
→ woongebieden, industriegebieden, dienstverlenende gebieden, landelijke
gebieden, recreatiegebieden, gebieden bestemd voor ander grondgebruik
→ Pas vanaf midden de jaren ‘70 werden gewestplannen opgemaakt (25)
→ Tot op vandaag determinerend in de dagdagelijkse praktijk van de RO
en de stedenbouw
Wetgeving vanaf 1980:
- Staatshervorming van 1980
→ Wet van 1962 werd naar gewestelijk niveau gebracht. Bleef van
kracht, doch met eigen wijzigen en aanvullingen per gewest
- Minidecreet van 28 juni 1984 en bijhorende reparatiedecreten
→ Gewestplannen en plannen van aanleg bleken te rigide of onvolkomen =>
afwijkingsmogelijkheden voorzien die de “goede ruimtelijke ordening” niet mochten
schaden
→ Functiewijzigingen werden vergunningsplichtig Problematiek van de “zonevreemde
gebouwen”
- Decreet van 23 juni 1994
→ Afschaffen van de opvulregel
→ Striktere regeling ten aanzien van zonevreemde gebouwen
Opvulregel: <70 tussen percelen kon worden opgevuld dmv bouwen. In 1994 geschrapt en soort van
vervangen in art 4.4.3 de afwerkingsregel. Denk aan wachtgevels.
II. Oude planfiguren
Doel: bestemming van de ruimte vastleggen, vaak zeer gedetailleerd.
Maar deze figuren bleken inflexibel en niet strategisch.
Oude planningscontext
gebruikmakend van: wet 29 maart 1962 oude reguliere planfiguren
Nieuwe planningscontext
gebruikmakend van: decreet 18 mei 1999 nieuwe reguliere planfiguren,
Vlaamse Codex RO 1 september 2009 en VCRO Codextrein 8
december 2017
A. Nationaal plan
• Geen inhoudsbepaling
• Ambitie = harmonisering van streekplannen
– Bestaat niet zelfstandig
– Scheidsrechter of coördinator bij tegenstrijdigheden of
overlappingen
• Niet opgemaakt (regionalisering)
B. Streekplan
• Niet opgemaakt
• Afbakening van streken
– Duurde 14 jaar !
– Politiek-opportunistisch (5 provincies in Vlaanderen, 1 in Wallonië, 1 in Brussel)
• Streekstudies uit jaren 1950 voor 20 streken