EXAMENVRAGEN PERSONENBELASTING
PROF. JAN VERHOEYE
YANA NEUDAKH
, 1. Selecteer de foute stelling.
a. Aanvankelijk bestond er geen volledige decumul in de personenbelasting, waardoor het
inkomen van beide echtgenoten werd samengeteld vooraleer de progressieve tarieven
werden toegepast.
b. De vennootschapsbelasting maakt deel uit van het Wetboek Inkomstenbelasting.
c. Elke rechtspersoon is onderworpen aan de vennootschapsbelasting, tenzij hij uitdrukkelijk
vrijgesteld wordt en bijgevolg onder de rechtspersonenbelasting valt.
d. De belasting geheven op de vaste inrichting van een buitenlandse vennootschap
in België valt niet onder de Belgische inkomstenbelasting.
2. Selecteer de foute stelling.
a. Wanneer iemand in het buitenland woont en uitgeschreven is in het
Rijksregister, kan hij niet meer als Belgisch Rijksinwoner beschouwd worden.
b. De fiscus zal veronderstellen dat u een Belgisch Rijksinwoner bent wanneer u bent
ingeschreven in het Belgisch Rijksregister.
c. De fiscus erkent de wettelijke vorm van feitelijk samenwonenden niet, maar erkent wel
het feitelijk scheiden.
d. Inwonende gezinsleden van Belgische diplomatieke ambtenaren die in het buitenland zijn
geaccrediteerd worden beschouwd als Belgisch Rijksinwoner.
3. Selecteer de foute stelling.
a. Wanneer men spreekt over het kadastraal inkomen in het WIB 1992 bedoelt men het
geïndexeerd KI.
b. Wanneer een natuurlijk persoon fiscaal resident in België is en daarnaast een woning
verhuurt in het buitenland, dan is deze in beginsel belastbaar in België op het inkomen
uit die woning.
c. Een erfpachter die niet beroepsmatig optreedt mag het ontvangen bedrag van
de erfpacht spreiden over de duur van de erfpacht.
d. Het kadastraal inkomen kan omschreven worden als het gemiddeld normaal netto-
inkomen van één jaar (na kosten dus) die in normale omstandigheden kan bekomen
worden voor een onroerend goed.
4. Welke van volgende rechtsvormen valt wel onder de kaaimantaks:
a. Juridische constructies zoals bepaald in art. 2, §1, 13° WIB 1992 die gelegen zijn in de
EER.
b. Openbare of institutionele instellingen voor collectieve beleggingen of een instelling voor
beleggingen in schuldvorderingen bedoeld in artikel 3, 2°, 3° of 7°, van de wet van 3
augustus 2012 betreffende de instellingen voor collectieve belegging die voldoen aan de
voorwaarden van Richtlijn 2009/65/EG en de instellingen voor belegging in
schuldvorderingen.
c. Een vennootschap, waarvan de effecten zijn genoteerd aan een effectenbeurs van een
lidstaat van de Europese Unie onder de voorwaarden van de Richtlijn 2001/34/EG van het
Europees Parlement en de Raad van 28 mei 2001 betreffende de toelating van effecten
tot de officiële notering aan een effectenbeurs en de informatie die over deze effecten
moet worden gepubliceerd, of van een derde Staat waarvan de wetgeving analoge
toelatingsvoorwaarden voorziet.
d. Een vennootschap met rechtspersoonlijkheid buiten de EER, en die, krachtens
de bepalingen van de wetgeving van de Staat of het rechtsgebied waar hij
gevestigd is, aldaar ofwel niet aan een inkomstenbelasting is onderworpen
ofwel onderworpen is aan een inkomstenbelasting die minder dan 15 pct.
bedraagt van het belastbaar inkomen van deze juridische constructie dat wordt
vastgesteld overeenkomstig de regels die van toepassing zijn voor het vestigen
van de Belgische belasting op daarmee overeenstemmende inkomsten.