DIDACTIEK NEDERLANDS
DEEL 1: KRACHTIG TAALONDERWIJS
1 TAAL IN DE 21STE EEUW
Taal heeft vele functies in de school en in de samenleving.
• Conceptualiserende functie
taal helpt om gedachten te ordenen en kennis op te bouwen.
• Communicatieve of sociale functie
taal wordt gebruikt om met anderen te communiceren, samen te werken en relaties op te
bouwen.
• Expressieve functie
taal drukt gevoelens, meningen en persoonlijke ervaringen uit.
Taalcompetentie is het geheel van talige kennis, vaardigheden en attitudes die nodig zijn om
geschreven, gesproken en multimodale teksten te begrijpen, te evalueren en te gebruiken, zodat:
1. Volwaardige deelname aan de samenleving mogelijk wordt;
2. De eigen doelen gerealiseerd kunnen worden;
3. De eigen kennis en mogelijkheden levenslang en duurzaam kunnen worden ontwikkeld.
2 TAALONDERWIJS IN DE 21STE EEUW
2.1 Leren van, in en over taal
• Leren van taal
Kinderen leren taal door met taal bezig te zijn, door taal te gebruiken, ... Dat gebeurt onder andere
op school omdat de instructietaal Nederlands is.
• Leren in taal
We gebruiken taal als middel om andere dingen te leren. Tijdens die leermomenten worden we
steeds beter in taal.
• Leren over taal
We zoomen in op specifieke talige doelen en leerinhouden. De taalles speelt daarbij een
belangrijke rol.
2.2 De zeven didactische principes
Taalkrachtig onderwijs kunnen we omschrijven in zeven principes gebaseerd op onderzoek over hoe
mensen talen leren. Deze principes vertonen samenhang: ze staan niet los van elkaar en overlappen
zelfs gedeeltelijk.
Taalkrachtig onderwijs…
1 stimuleert een positieve talige grondhouding.
Je creëert voor de leerlingen een sociale omgeving waarin ze taal kunnen en durven oefenen, door
aandacht te hebben voor randvoorwaarden die hen veiligheid, vertrouwen en plezier laten ervaren
terwijl ze taal leren. Met andere woorden een omgeving waar ze een positieve talige grondhouding
kunnen aankweken.
Voorwaarden om tot een positieve talige grondhouding te komen:
o Een veilige oefencontext bieden
= veilige ruimte waarin leerlingen kunnen en durven experimenteren met taal.
o Het talige repertoire van leerlingen omarmen
= aanvaarden dat niet elke leerling in hetzelfde tempo taal oppikt. Apprecieer wat de leerlingen al
kunnen in en met taal.
o Hoge verwachtingen koesteren
= Bied een rijk taalaanbod aan en stimuleer leerlingen met uitdagende talige opdrachten die hen
uitnodigen om hun taalvaardigheid verder te ontwikkelen.
1
, 2 is contextrijk.
Nieuwe taal krijgt betekenis door een taalaanbod binnen een betekenisvolle context. Je speelt in
op de interesses en voorkennis van de leerlingen en laat de context aansluiten bij hun leefwereld,
activiteiten en verhalen.
Contextrijk onderwijs geef je vorm door:
o te vertrekken vanuit concrete materialen
begin met tastbare, herkenbare of actuele elementen en verbind die stap voor stap met meer abstracte
taalinhouden.
o Niet alleen rijke maar ook ondersteunde context
Taal leren zonder visuele of contextuele aanknopingspunten is moeilijk. Gebruik daarom visueel
ondersteuning, reële ervaring en authentiek materiaal om taalinhouden toegankelijk en begrijpelijk te
maken.
o nieuwe leerinhouden te verbinden met eerder opgedane ervaringen en kennis.
Zo breid je hun kennisnetwerk uit en kun je nieuwe informatie snel een plekje in je hoofd geven.
3 is functioneel.
Taal is voor leerlingen pas echt waardevol wanneer ze functioneel is - wanneer ze ermee iets
kunnen bereiken. Of het nu gaat om samenwerken, uitleg geven, een mening uiten of informatie
opzoeken: taal gebruiken om een doel te bereiken motiveert en activeert. Functionaliteit zorgt
bovendien voor uitdaging, en die stuwt het taalverwervingsproces vooruit.
4 is (inter)actief.
Een taalkrachtige klaspraktijk is per definitie interactief. Leerlingen moeten zoveel mogelijk
kansen krijgen om taal actief te gebruiken, zowel mondeling als schriftelijk. Interactie bevordert
niet alleen taalvaardigheid, maar ook betrokkenheid en diepere verwerking.
We onderscheiden 2 vormen van interactie:
o Leraar-leerlinginteractie
Je moet er op toezien dat elke leerling in de klas voldoende persoonlijk taalaanbod (input) en voldoende
feedback op wat hij zegt en schrijft krijgt. Taalstimulerend reageren op de taaluiting van leerlingen is een
belangrijk onderdeel van een goede interactieve methode. Dit doe je door prikkelende vragen te stellen
die het denken stimuleren.
o Leerling-leerlinginteractie
Zorg ervoor dat leerlingen vaak de kans krijgen om per twee of in groepjes aan taken samen te werken.
5 geeft ondersteuning.
Ondersteuning bieden kun je door feedback te geven zodat ze talige hypotheses in hun hoofd
kunnen vormen. Kwaliteitsvolle feedback is een combinatie van:
o feed-up (beschrijving van de gewenste leeruitkomst)
o feedback (beschrijving van de huidige stand van zaken)
o feedforward (beschrijving van de stap die nodig is om de gewenste leeruitkomst te bereiken)
6 heeft aandacht voor impliciet en expliciet leren.
Taal leren gebeurt zowel impliciet (onbewust, via betekenisvolle contexten) als expliciet (bewust
stilstaan bij taalvormen zoals spelling of grammatica). Beide processen vullen elkaar aan en
kunnen zowel spontaan (incidenteel) als gepland (intentioneel) voorkomen.
Het is belangrijk om ook aandacht te hebben voor strategieën. Hierbij word je als leraar rolmodel
(modeling ⇢ goed voorbereiden).
Focus on form werkt het best als het aansluit bij de taalleernoden van de leerling. Het is cruciaal
om goed in te schatten wanneer en met wie je inzoomt op welk aspect.
2
DEEL 1: KRACHTIG TAALONDERWIJS
1 TAAL IN DE 21STE EEUW
Taal heeft vele functies in de school en in de samenleving.
• Conceptualiserende functie
taal helpt om gedachten te ordenen en kennis op te bouwen.
• Communicatieve of sociale functie
taal wordt gebruikt om met anderen te communiceren, samen te werken en relaties op te
bouwen.
• Expressieve functie
taal drukt gevoelens, meningen en persoonlijke ervaringen uit.
Taalcompetentie is het geheel van talige kennis, vaardigheden en attitudes die nodig zijn om
geschreven, gesproken en multimodale teksten te begrijpen, te evalueren en te gebruiken, zodat:
1. Volwaardige deelname aan de samenleving mogelijk wordt;
2. De eigen doelen gerealiseerd kunnen worden;
3. De eigen kennis en mogelijkheden levenslang en duurzaam kunnen worden ontwikkeld.
2 TAALONDERWIJS IN DE 21STE EEUW
2.1 Leren van, in en over taal
• Leren van taal
Kinderen leren taal door met taal bezig te zijn, door taal te gebruiken, ... Dat gebeurt onder andere
op school omdat de instructietaal Nederlands is.
• Leren in taal
We gebruiken taal als middel om andere dingen te leren. Tijdens die leermomenten worden we
steeds beter in taal.
• Leren over taal
We zoomen in op specifieke talige doelen en leerinhouden. De taalles speelt daarbij een
belangrijke rol.
2.2 De zeven didactische principes
Taalkrachtig onderwijs kunnen we omschrijven in zeven principes gebaseerd op onderzoek over hoe
mensen talen leren. Deze principes vertonen samenhang: ze staan niet los van elkaar en overlappen
zelfs gedeeltelijk.
Taalkrachtig onderwijs…
1 stimuleert een positieve talige grondhouding.
Je creëert voor de leerlingen een sociale omgeving waarin ze taal kunnen en durven oefenen, door
aandacht te hebben voor randvoorwaarden die hen veiligheid, vertrouwen en plezier laten ervaren
terwijl ze taal leren. Met andere woorden een omgeving waar ze een positieve talige grondhouding
kunnen aankweken.
Voorwaarden om tot een positieve talige grondhouding te komen:
o Een veilige oefencontext bieden
= veilige ruimte waarin leerlingen kunnen en durven experimenteren met taal.
o Het talige repertoire van leerlingen omarmen
= aanvaarden dat niet elke leerling in hetzelfde tempo taal oppikt. Apprecieer wat de leerlingen al
kunnen in en met taal.
o Hoge verwachtingen koesteren
= Bied een rijk taalaanbod aan en stimuleer leerlingen met uitdagende talige opdrachten die hen
uitnodigen om hun taalvaardigheid verder te ontwikkelen.
1
, 2 is contextrijk.
Nieuwe taal krijgt betekenis door een taalaanbod binnen een betekenisvolle context. Je speelt in
op de interesses en voorkennis van de leerlingen en laat de context aansluiten bij hun leefwereld,
activiteiten en verhalen.
Contextrijk onderwijs geef je vorm door:
o te vertrekken vanuit concrete materialen
begin met tastbare, herkenbare of actuele elementen en verbind die stap voor stap met meer abstracte
taalinhouden.
o Niet alleen rijke maar ook ondersteunde context
Taal leren zonder visuele of contextuele aanknopingspunten is moeilijk. Gebruik daarom visueel
ondersteuning, reële ervaring en authentiek materiaal om taalinhouden toegankelijk en begrijpelijk te
maken.
o nieuwe leerinhouden te verbinden met eerder opgedane ervaringen en kennis.
Zo breid je hun kennisnetwerk uit en kun je nieuwe informatie snel een plekje in je hoofd geven.
3 is functioneel.
Taal is voor leerlingen pas echt waardevol wanneer ze functioneel is - wanneer ze ermee iets
kunnen bereiken. Of het nu gaat om samenwerken, uitleg geven, een mening uiten of informatie
opzoeken: taal gebruiken om een doel te bereiken motiveert en activeert. Functionaliteit zorgt
bovendien voor uitdaging, en die stuwt het taalverwervingsproces vooruit.
4 is (inter)actief.
Een taalkrachtige klaspraktijk is per definitie interactief. Leerlingen moeten zoveel mogelijk
kansen krijgen om taal actief te gebruiken, zowel mondeling als schriftelijk. Interactie bevordert
niet alleen taalvaardigheid, maar ook betrokkenheid en diepere verwerking.
We onderscheiden 2 vormen van interactie:
o Leraar-leerlinginteractie
Je moet er op toezien dat elke leerling in de klas voldoende persoonlijk taalaanbod (input) en voldoende
feedback op wat hij zegt en schrijft krijgt. Taalstimulerend reageren op de taaluiting van leerlingen is een
belangrijk onderdeel van een goede interactieve methode. Dit doe je door prikkelende vragen te stellen
die het denken stimuleren.
o Leerling-leerlinginteractie
Zorg ervoor dat leerlingen vaak de kans krijgen om per twee of in groepjes aan taken samen te werken.
5 geeft ondersteuning.
Ondersteuning bieden kun je door feedback te geven zodat ze talige hypotheses in hun hoofd
kunnen vormen. Kwaliteitsvolle feedback is een combinatie van:
o feed-up (beschrijving van de gewenste leeruitkomst)
o feedback (beschrijving van de huidige stand van zaken)
o feedforward (beschrijving van de stap die nodig is om de gewenste leeruitkomst te bereiken)
6 heeft aandacht voor impliciet en expliciet leren.
Taal leren gebeurt zowel impliciet (onbewust, via betekenisvolle contexten) als expliciet (bewust
stilstaan bij taalvormen zoals spelling of grammatica). Beide processen vullen elkaar aan en
kunnen zowel spontaan (incidenteel) als gepland (intentioneel) voorkomen.
Het is belangrijk om ook aandacht te hebben voor strategieën. Hierbij word je als leraar rolmodel
(modeling ⇢ goed voorbereiden).
Focus on form werkt het best als het aansluit bij de taalleernoden van de leerling. Het is cruciaal
om goed in te schatten wanneer en met wie je inzoomt op welk aspect.
2