Aantekeningen hoorcollege
Theoretische modellen omgevingsfactoren
- Algemeen model: Cumulatieve risicofactoren > opeenstapeling RF zorgt voor de
negatieve invloed op de ontwikkeling (welke RF maakt niet uit, gaat om de
opeenstapeling!)
o Problematiek bij ouders (mentale of gezondheidsproblemen, middelengebruik,
werkloosheid)
o Problematiek tussen ouders (relatieproblemen, huiselijk geweld, scheiding)
o Problematiek in gezin (armoede, kindermishandeling, verwaarlozing)
o Hoe meer RF, hoe groter de kans op een negatieve invloed op ontwikkeling
- Specifieker model o.b.v. 3 dimensies:
o Bedreiging/gevaar (bijv. onveilige buurt, huiselijk geweld)
o Deprivatie (bijv. weinig ontwikkelingsstimulering)
o Onvoorspelbaarheid (bijv. in opvoeding of veranderingen in woon- en/of
werkomgeving)
- Belangrijke vraag: maakt het uit hoeveel risicofactoren of welke risicofactoren?
SES > containerbegrip
- Multi-dimensioneel construct
o Individueel niveau: opleiding, beroep en inkomen, of combinaties
Opleidingsniveau moeder speelt een rol in hoe kinderen ontwikkelen
o Buurt SES (neighborhood SES): veiligheid, criminaliteit, type behuizing
(huur/koop, flat/eengezinswoningen), aanwezigheid groen, bibliotheken etc.
o Subjectieve Sociale Status: waar plaatst iemand zichzelf op de sociale ladder?
o Mate waarin individuen beter of slechter toegang hebben tot materiële en
sociale bronnen, zoals voeding, huisvesting, veiligheid van de buurt, kwaliteit
van de fysische omgeving, inkomen en opleidingsniveau
• Boeken in huis is een indicatie voor hoeveel er gelezen wordt, is er een
buffer voor onverwachte kosten?
- Negatieve invloed SES: kinderen en adolescenten uit lage SES-gezinnen hebben twee
tot drie keer vaker psychosociale problemen, zoals externaliserende problemen,
depressie, problemen met drugsgebruik en schizofrenie > intergenerationele
overdracht, wat het een vicieuze cirkel maakt
o In grote steden is dit heel zichtbaar, ook bij specifieke gebieden op het
platteland (zoals de veenkoloniën)
o Gratis geldproef > minder stress, meer stabiliteit, beter perspectief
Onderliggende mechanismen
De eerste levensjaren: sensitieve periode voor de hersenontwikkeling waarin de hersenen ook
de grootste veranderingen doormaken, maar ook het meest plastisch zijn dus meest
ontvankelijk voor ervaringen > ontwikkeling van fijne en grove motoriek, receptieve en
expressieve taal, zelfregulatie en executieve functies
,SES & hersenontwikkeling
- Hoger opleidingsniveau en hogere functie/beroep van moeder -> meer witte stof.
gerelateerd aan de ontwikkeling van taal, executieve functies, en lezen
- Hogere functie ook groter cerebellum en grotere hersenstam
- Hogere SES (combi opleiding en beroep) -> groter volume 3 van de 4 kwabben
(frontaalkwab, pariëtale kwab, temporale kwab)
- Hoger opleidingsniveau -> minder grijze stof
gerelateerd aan de ontwikkeling van taal, aandacht, executieve functies,
emotieregulatie, en geheugen
- Hoger opleidingsniveau moeder -> kleiner volume occipitaal kwab
Mogelijke verklaringen: stress, meer ontstekingsreacties
Complexe interacties tussen SES en andere omgevingsfactoren (niet alleen bij laag
SES, maar ook bij hoog SES (verantwoordelijkheid voor werk))
Effecten van schommelingen in inkomen
- Moeders moeten een keuze maken > thuisblijven of werken > gevolg voor inkomen
- Daling inkomen heeft negatieve effecten op de hersenontwikkeling
Na geboorte
- Lage SES (armoede) en hersenfuncties:
o minder sterk gespecialiseerde linker hersenhelft voor taalverwerking
o minder efficiënt georganiseerde functionele netwerken
(= communicatie tussen hersengebieden)
o minder hersenactiviteit in hersengebieden die belangrijk zijn voor de
ruimtelijke waarneming en rekenvaardigheden
- Lage SES -> minder volume grijze stof
- Armoede -> minder volume grijze stof
- Bij oudere kinderen, adolescenten en volwassenen hangt SES vooral samen met taal,
executieve functies en geheugen
- Positieve relaties van SES met zowel witte als en grijze stof
- Corticale oppervlakte: stabiliteit tussen 5-25 jaar
- Corticale dikte: buurt-SES; familie SES meer wisselend
- Corticaal volume: inkomen; armoede tijdens de babytijd -> kleiner volume OFC 25
jaar later -> gedragsproblemen
- Volume subcorticale gebieden: langzamere groei en kleiner volume van hippocampus,
maar ook structurele verschillen in amygdala, thalamus en striatum, hoewel minder
consistent
, - Hoge SES mogelijk buffer voor neurobiologische risico’s
o o.a. hogere FA=integriteit van de witte stof (maat voor de gezondheid en
functionaliteit van deze vezels)
- Hersenactiviteit in rust: positieve relaties tussen SES en functionele netwerken)
- Taakgerelateerde hersenactiviteit:
o gezin SES en buurt-SES gelinkt aan hersengebieden geassocieerd met taal en
executieve functies
o inkomen en zelfgepercipieerde status gelinkt aan emotionele reacties
- SES verklaarde 60% meer variantie in schoolvaardigheden dan genetische factoren
- Mediatoren: cognitieve en taalstimulering en stress in het gezin
Model Tooley
Negatieve invloed + herhaalde blootstelling: armoede, zieke ouders > negatieve impact:
versnelde rijping en afgenomen plasticiteit
Positieve invloed + zeldzame/eenmalige blootstelling: leuk feestje > vertraagde rijping en
toegenomen plasticiteit
Mechanisme 1: stress
- Indirect effect: gestreste ouders > chaos/geen structuur in het gezin > weinig stabiliteit
> invloed op ontwikkeling EF
- Rol ouder: overleven en oplossen van problemen > onvoldoende responsiviteit > hoge
mate chronische stress versnelt rijping hersenen en lichaam > minder neuroplasticiteit
- 3 mechanismen:
1. Vaker beroep doen op stress systeem (o.a. amygdala en PFC) zorgt voor snellere
rijping van dit systeem
2. Stress vergroot cortisol niveaus en allostatische lading
3. Omgeving vraagt om volwassenheid-> aanpassen aan omgeving (Developmental
Support Hypothesis)
Limited bedding and nesting model (bij knaagdieren)
- onvoorspelbaar verzorgingsgedrag van moeder
- meer cortisol bij pups en snellere rijping van hersenen
- Afname plasticiteit
- Afname cognitieve functie
- Stress vs cognitive enrichment: coping mechanisme gaat ten koste van de plasticiteit
, Wel fysieke aanwezigheid, maar geen emotionele beschikbaarheid zorgt voor veel stress bij
het jong kind.
Mechanisme 2: stimulering
- Aandacht en input zijn heel belangrijk
- Complexiteit omgeving (aard en variatie in speelmateriaal) + interacties met verzorger
(taalinput + gerichte aandacht)
- Cognitieve stimulering > betere communicatie tussen sensorische gebieden (m.n.
visuele gebieden) en de PFC > betere EF
- Opvoeders helpen de kinderen om hun aandacht te richten en reguleren, bijvoorbeeld
door child-directed speech en joint attention > meer activiteit in PFC -> betere
executieve functies
Context hangt samen met SES
- Hogere SES > meer stimulering
- Interacties + meer financiële middelen om variërend uitdagend speelgoed te kopen
Beeldschermgebruik
Advies: onder 1 jaar geen schermtijd, 2-5 jaar niet meer dan 2 uur per dag, (WHO < 1 uur per
dag)
Cijfers:
- 24% vd tijd beeldschermgebruik 0-1 jarigen
- 24% vd tijd beeldschermgebruik 2-3 jarigen
- 29% vd tijd beeldschermgebruik 4-6 jarigen
Effecten:
- Bewijs voor positieve effecten op de cognitieve, sociale en emotionele ontwikkeling is
onduidelijk.
- Mogelijke positieve effecten: afname aandachtproblemen, toename letterkennis,
trainen van leervaardigheden